Het WK-voetbal is losgebarsten en dat zullen we weten! Nog niet eens vanwege de wedstrijden, maar voornamelijk vanwege de omringende merchandise (rotzooi). Onze kinderen kwamen thuis met een Vuvuzela, polsbandjes, opblaasbare handen, oranje-verf voor in het haar, voetbal-gogo’s, en natuurlijk de enige echte Schoonhovense Beesie’s. En ik zal maar gelijk bekennen: ik heb ook een grote Beesie gekocht.
Zo plukt bijna iedereen wel vruchten van het WK: winkels vanwege de extra omzet, het publiek vanwege de gezelligheid die het kampioenschap met zich meebrengt en de voetbalhaters vanwege de KRO-detectives op het andere net. We zijn onze norm van wat normaal is even vergeten en doen vrolijk mee met de gekte.
Ik ben wel eens jaloers op het voetbal en de eensgezinde gekte die het teweeg kan brengen. Ik zie het nog niet gebeuren dat er net zoveel miljoen mensen naar een kerkdienst kijken als naar een voetbalwedstrijd. En ik zie ook nog niet gebeuren dat mensen even hartstochtelijk over het geloof spreken als over het voetbal. Stel je eens voor: zondagavond met het bord op schoot voor de tv, voor een nabeschouwing op de diensten van die dag, met deskundig commentaar van koster, organist en collega-predikant, uiteraard onder de bezielende leiding van Andries Knevel of Tijs van den Brink.
Zo gezien kunnen we als kerk nog wel wat leren van de geoliede PR machine van het voetbal.
Er is één verschil. In het voetbal verandert wij (wij winnen) gemakkelijk in zij (zij verliezen). In de kerk blijft het altijd wij, en verliest niemand. En daar ben ik wel erg blij om.
Adriaan van ’t Spijker (avantspijker@gmail.com)