Stilte

Gemeente van Schoonhoven, gemeente van Christus,

Het gebeurt me nog al eens dat wanneer ik iets hoor of lees, ik daarbij moet denken aan de bewoners van het verpleeghuis waar ik werk. En de geschiedenis van Jezus in de hof van Gethsemane riep meerdere namen, gezichten en verhalen bij me op.

Zoals het verhaal van mevrouw Van Maarsen. Mevrouw van Maarsen is 87 jaar, en van wege tal van lichamelijke zorgen bij ons opgenomen. Maar die lichamelijke zorgen verdwijnen naar de achtergrond als ze vertelt over haar verdriet: over haar man, die niet meer bij haar op bezoek wil komen. Ze vertelt over haar enige zoon die zij al jaren niet meer heeft gezien – en ze vertelt over haar kleindochters die steeds beloven langs te komen, maar dat niet doen. Naast een buurvrouw heeft ze verder niemand in haar leven.
En ik denk ook aan mevrouw Beelen. Vanwege een hersenbloeding kan zij niet meer spreken, op af en toe een woordje na. Ze probeert soms iets duidelijk te maken, met gebaren en klanken, maar meestal lukt het niet. Op een gegeven moment zakt ze dan huilend en uitgeput van het proberen terug in de kussens en schudt haar hoofd.

Het zijn verhalen over eenzaamheid. En het was ook de eenzaamheid die me raakte toen ik las over Jezus in de hof van Gethsemane.

De eenzaamheid die Jezus hier ervaart komt eigenlijk heel onverwacht,
en ook nog eens op een heel wrange manier.

Voorafgaand aan deze geschiedenis, lezen we hoe Jezus met zijn discipelen het laatste avondmaal viert. Een kring van vrienden om zich heen.
Met elf van hen vertrekt hij vervolgens naar de Olijfberg.
En onderweg steunen zijn discipelen Jezus en bemoedigen ze hem.
Petrus belooft hem zelfs: ‘Al zou ik met u moeten sterven, verloochenen zal ik u nooit!’ En ook de anderen vallen Petrus hier in bij. Het geeft aan hoe de band is tussen Jezus en zijn vrienden: die is diep. Ze hebben veel voor hem over.
En die diepe band blijkt ook, als Jezus Petrus, Jakobus en Johannes meeneemt, Gethsemane in. Dit waren de drie discipelen die steeds bij hem waren geweest als er iets bijzonders gebeurde. Jezus deelt veel bijzondere momenten met hen, en ook nu doet hij dat. Tegen deze drie vertrouwelingen kan hij eerlijk en open zijn als hij zegt: ‘Ik voel me dodelijk bedroefd; blijf hier met mij waken.’

Ik vermoed, dat de discipelen Jezus niet eerder zoiets hebben horen zeggen. Hij was toch altijd degene die wist waar het heen moest, die wist wat er moest gebeuren, die op een mooie, wijze manier antwoord gaf op hun eigen zorgen en vragen?
En voor Jezus is het andersom misschien ook niet makkelijk geweest te zeggen wat hij voelde. Hij was toch degene tegen wie anderen ‘meester’ zeiden. Als zij zwak waren, was hij sterk. Als hij ergens mee worstelde, dan deed hij dat alleen, met zijn vader, anderen kwamen dat niet te weten. Maar nu, op dit moment, heeft hij steun nodig van zijn vrienden, heeft hij het nodig dat ze met hem waken.
Hij schenkt hen zelfs zoveel vertrouwen, dat hij op gehoorsafstand van hen gaat bidden. Het was destijds de gewoonte om hardop te bidden, dus ze konden ook precies horen wat hij zei. Ze wisten dus, hoe moeilijk hij het had.

En toch… als hij bij hen terugkomt, zijn ze allemaal in slaap gevallen. Ondanks dat hij zei wat hij voelde, en ondanks dat ze zijn gebed hebben gehoord, hebben ze hem toch niet gesteund door bij hem te waken.

Als mensen op zo’n manier handelen, dan doet dat pijn. Maar het is nog veel pijnlijker als dat gebeurt door mensen die het dichtst bij je staan.
Het is als de pijn die je als ouders bijvoorbeeld kunt voelen als je kind een weg inslaat waarvan je weet dat het niet goed voor hem is, een weg die je hem ook hebt afgeraden. Dat is als de pijn die je kunt voelen als je partner je niet steunt op het moment dat je dat zo hard nodig hebt. Het is pijn die bestaat uit een beschadigd vertrouwen, beschadigde hoop, maar bovenal uit een diep gevoel van eenzaamheid.
Eenzaamheid, niet alleen omdat je letterlijk alleen staat, maar ook omdat anderen je niet begrijpen. Je kunt je dan net als mevrouw Beelen voelen, die ik net noemde: je probeert je uit te drukken, je probeert iets over te dragen, maar de anderen begrijpen niet wat je bedoelt. En zo blijf je alleen met wat je denkt en met wat je voelt, en je kunt het aan niemand kwijt.

Verhalen over eenzaamheid. Ik noemde aan het begin van de preek twee voorbeelden uit het verpleeghuis, maar ik zou ze, helaas, nog veel en veel verder aan kunnen vullen.

In 2012 onderzocht TNS NIPO het verschijnsel ‘eenzaamheid’ en 1 van de uitkomsten was dat er in Nederland 4 miljoen mensen zijn die zich wel eens eenzaam voelen, en 1 miljoen die zich extreem eenzaam voelen.
Je hoeft echt geen onderzoeker te zijn om te concluderen dat eenzaamheid ook onze stad en onze Hoeksteengemeente niet voorbij gaat. U kent misschien wel medegemeenteleden bij wie het wel erg stil geworden is in het leven, of misschien herkent u dit alles wel in uw eigen leven.
Of wellicht herkent u de ervaring dat anderen je niet begrijpen. Dat je het steeds probeert, om jezelf uit te drukken, om te delen wat je voelt en meemaakt, maar er wordt niet goed geluisterd, je word niet begrepen. Je staat er alleen voor.

Eenzaamheid.

Het is niet iets dat je zo maar op kunt heffen.
Er bestaan geen makkelijke oplossingen voor.

En ook het geloof biedt niet altijd een oplossing,
en ook daarin raakt de tekst over Jezus in de hof van Gethsemane, me.

Want als Jezus zo in angst is, en bang is voor de dood, dan gaat hij bidden.

Dat is altijd al zijn remedie geweest om om te gaan met dat wat er gebeurde.
Jezus zoekt in het gebed de stilte en het contact met zijn Vader,
hij zoekt aanwijzingen om duidelijk te krijgen welke weg hij moet gaan.
In de bijbel kun je op meerdere plekken lezen dat hij in deze momenten ook troost vindt. Het is niet voor niets dat hij ook zijn leerlingen adviseert om dit zelfde te doen.

Jezus zoekt de stilte.
Maar deze keer is het zoeken van de stilte voor hem geen troost.
Het is geen opheffing van de eenzaamheid die hij ervaart.
Er komt geen oplossing, er komt geen stem uit de hemel,
Na zijn gebed is hij nog steeds alleen en nog steeds bang.

Je gaat je afvragen: helpt het dan eigenlijk wel, bidden?

Dat is een vraag die je nog wel eens hoort als mensen ernstig ziek worden.
Soms slaat dan de twijfel toe en vinden zij geen houvast meer in hun geloof.
Je probeert te bidden, maar je gebed wordt niet verhoord. En daarnaast ben je er misschien ook wel niet meer zeker van of God je gebed überhaupt wel hoort, of hij je wel begrijpt.

‘De hemel lijkt van koper’ is zo’n uitdrukking die daar bij past. De hemel lijkt een ontoegankelijke vesting te zijn.
Er is dan sprake van een soort ‘geloofseenzaamheid’. Daar sta je dan met je geloof. En misschien zeggen anderen wel tegen je: je moet maar bidden hoor! En misschien is dat iets wat je zelf ook altijd tegen anderen hebt gezegd, of je zegt het tegen jezelf… maar je weet en ervaart: het lukt niet.
En als je dat dan probeert te vertellen aan iemand, wordt dat vaak niet begrepen. En voel je je nog eenzamer dan daarvoor.

Dit is het punt waar Jezus gekomen is.
Er is geen Plan B. Dit is het.
Het enige dat hij kan doen is zich toevertrouwen aan de Vader,
en te gaan in blind vertrouwen.
Dat is ook wat hij zal doen, en we horen het hem uiteindelijk zeggen: laat het dan gebeuren zoals u het wilt.
maar er klinkt ook iets wanhopigs in door.

Dit alles wordt verteld over hem die wij de zoon van God noemen.
Een eerlijk verhaal over eenzaamheid, twijfel en angst.
Een eerlijk verhaal over geen steun vinden in je geloof
En gaan in blind vertrouwen, ook al weet je dat de weg die voor je ligt, heel moeilijk zal zijn.

‘Zoek de stilte’ – het is de rode draad die door de lezingen in deze veertigdagentijd heen loopt.
De stilte zoeken is goed, om de verbinding te zoeken tussen God en jezelf,
We hebben er in de afgelopen weken over gehoord.
Maar vandaag krijgt het zoeken van de stilte een rauwe rand.
Er kan een stilte ontstaan die niet meer troostend is, maar een last wordt.
Er kan een stilte ontstaan die al deel uit maakt van het lijden, zoals dat bij Jezus ook zo was.
Met deze stilte, de stilte van de eenzaamheid, begint de Stille Week

Ik zei het al: eenzaamheid is niet iets dat je zomaar voor een ander op kunt heffen.
Als gemeente van Christus kunnen we echter wel proberen de stilte met elkaar te doorstaan, het met elkaar te doorleven om zo te proberen de last voor elkaar te verlichten.
Dat gebeurt hier in de Hoeksteengemeente al in bijzondere mate.
Je leest er iets van terug in de bedankberichtjes in Samen, van mensen die door een moeilijke tijd heen zijn gegaan, en veel steun uit de gemeente hebben ervaren in de vorm van bloemen, telefoontjes, kaarten en gebed. En ik weet ook dat er veel ‘in de stilte’ gebeurt – een goede vorm van stilte, deze keer.

Maar als gemeente hebben we ook de bijzondere taak om voor elkaar het geloof te dragen.
Dat betekent dat we elkaar nodig hebben om samen te geloven,
maar ook wanneer er momenten komen in ons leven waarop we zelf niet meer kunnen geloven – dan hebben we het nodig dat de gemeente ons geloof draagt, als het ware namens ons gelooft.

Zo gaan we met elkaar de Goede Week, de Stille Week in.
Laten we ons daarin oefenen om het uit te houden in de stilte.
Om te waken bij hen die dat zo nodig hebben
Om het geloof te bewaren voor hen die dat niet meer kunnen.

Dat we zo met elkaar op weg mogen gaan, in vertrouwen dat uiteindelijk het Licht door zal breken.

Amen

Ds. Annemarie Roding

 

 

Tweet and like

Energie richten

Jacobus roept op niet zo te steunen en kreunen over elkaar. Dat doet God in zijn geduld ook niet! Dus: niet teveel steunen en kreunen, niet in de kerk, niet thuis, niet op straat, niet op het internet… Laten we onze energie ergens anders op richten.

Tweet and like

het evangelie, dat ons kleine mensen een begaanbare weg wijst door deze grote wereld

Zo zwaar is het predikantsschap nu ook weer niet. Een half jaar geleden. Op dat ene muurtje in het zonnetje met Jeruzalem als achtergrond. Tussen twee vrolijke dames.

IsraelDe dame in het roze was onze gids, Cassandra. Een Israëlische vrouw die vloeiend Vlaams spreekt, omdat ze Vlaamse van geboorte is. Iedereen was een beetje gek op haar. Vanwege haar enthousiasme, vanwege haar accent, maar vooral omdat ze ons zoveel wist te vertellen over het oude en het huidige Israël. Want met een goede gids zie je veel meer dan zonder.

Neem de stad Jeruzalem – achter ons. Zonder gids zie je nog niet eens de helft van wat er te zien is. Nog afgezien van de kans dat je hopeloos verdwaalt in de straatjes en steegjes van de oude stad. En je loopt ook nog eens de beste pizzatent mis.
Op de andere vrolijke dame op de foto waren we trouwen ook erg gesteld. Annemarie was samen met Joep onze bezemwagen. Schaapjes tellen. Zorgen dat niemand de bus miste en verloren ging. Leek ons een mooie taak voor twee jonge dominees.

Ik heb het in de afgelopen twaalf jaar geprobeerd om zowel een behoorlijke bezemwagen als een behoorlijke gids te zijn. Als bezemwagen heb ik, samen met een geweldig pastoraal team, geprobeerd te letten op de schapen die moe waren, of afgeleid, of verdrietig, of de weg even kwijt.

Ik heb ook geprobeerd u als een gids door de bijbel te loodsen. In heb geprobeerd u van alles aan te wijzen, en te verduidelijken, en uit te leggen. Ik hoop dat ik in de buurt ben gekomen van het enthousiasme van onze Cassandra.

Ik wil u vanmiddag nog eenmaal een stukje gidsen door een Bijbelboek dat minstens zo gelaagd en ingewikkeld in elkaar zit als de stad Jeruzalem.

Ik wil u vandaag meenemen naar twee visioenen uit Openbaring, twee visioenen die beiden met een boek te maken hebben. Ik neem u allereerst mee naar een visioen dat we in hoofdstuk 5 vinden:

En toen zag ik dit: degene die op de troon zat had in zijn rechterhand een boekrol, die aan beide kanten beschreven was en met zeven zegels was verzegeld.

We zien een boek liggen in de rechterhand van God. Het is niet de Thora. Uit het voorafgaande is op te maken dat dit boek het Boek des Levens is. Het boek van de geschiedenis. De boekrol is aan beide kanten beschreven, van binnen en van buiten. Het is een uitputtende geschiedschrijving, verleden, heden, toekomst, geluk en omgeluk, zin en onzin, alles staat erin. Het boek ligt in de rechterhand van God. He has got the hole world in His hand. Wij vatten ons eigen leven vaak al niet, laat staan de hele wereld – maar we zijn tenminste in Gods hand.

We lezen ook: het is een gesloten boekrol. Zevenmaal verzegeld. De geschiedenis is een gesloten boek. Dat betekent: de wereldgeschiedenis is een ontoegankelijk raadsel. Je snapt er niets van. Als er ergens op deze wereld een crisis uitbreekt, dan komen op de televisie de deskundigen langs. Zij doen alsof zij precies weten hoe het allemaal zit. Maar niemand kan zeggen hoe het zal aflopen – met Syrië, met De Krim, met de Oekraïne, met Rusland, Europa … nu ja met die hele aardbol. Laat staan dat iemand in staat is die geschiedenis een gunstige wending te geven. Nee, het boek van de geschiedenis is een raadsel, een gesloten boek.

Een machtige engel stelt een vraag: Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen? Maar er was niemand in de hemel of op de aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien.
En dan zegt Johannes de Ziener: Het deed me veel verdriet dat blijkbaar niemand het verdiende om de boekrol te openen en haar in te zien.

Hij bedoelt: het deed me veel verdriet dat geen mens in staat is om iets te doen aan de ellende, het geweld, de armoede waaronder miljoenen aardbewoners gebukt gaan. Wie kan de terreur een halt toeroepen? Het schreeuwende onrecht? De onmenselijkheid? De vervuiling?
Maar dan klinkt er een nieuwe stem, een nieuw woord:
Toen zei een van de oudsten (een ouderling): wees niet verdrietig. Want de leeuw uit de stam van Juda, de telg van David heeft de overwinning behaald en daarom mag hij de boekrol met de zeven zegels openen
En even later zegt diezelfde ouderling: Midden voor de troon, tussen de vier wezens en de oudsten zag ik een lam staan Het zag eruit alsof het geslacht was en het had zeven hoorns en zeven ogen, dat zijn de zeven geesten van god die over de hele wereld zijn uitgestort.

Wonderlijk: een leeuw met de kwetsbaarheid van een lam. Een lam met de kracht en moed van een leeuw. Maar ook: een geslacht lam. Het heeft een rode slachtstreep onder de keel. Het is het paaslam uit Exodus! Maar het geslachte stam staat weer. Het slachtoffer is opgestaan. Het leeft. Jezus Christus… – zeggen en denken wij dan meteen.
En dan halen we een moment opgelucht adem: er is dus in ieder geval één die weet hoe het zit met dat boek van het leven. Eén die raad weet met het raadsel van goed en kwaad, haat en liefde, ellende en verlossing, dood en leven. Eén die de geschiedenis niet alleen doorziet, maar ook kan openen, en een wending kan geven. Als die ene er is – dan is er hoop.

Maar hoe zit het dan verder met ons? Is er voor ons mensen nog een rol weggelegd in de geschiedenis van deze wereld? Of zijn we in het beste geval alleen maar toeschouwers, die Stil maar wacht maar, alles wordt nieuw mogen zingen. Prachtig lied, maar als het ons enige lied is, dan is het een vreselijk lied.

Ik neem u als gids mee naar een ander visioen over een boek. We wandelen een paar hoofdstukken verder, naar hoofdstuk 10.

Ik zag een andere machtige engel uit de hemel neerdalen… en hij hield een kleine boekrol geopend in zijn handen. Hij zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op het land. Hij riep met luide stem, zoals een leeuw brult,
… dan volgen er allerlei fanatasy-achtige beelden die we nu even overslaan. We richten ons op met moment dat Johannes, de ziener, geroepen wordt om naar de engel toe te gaan om dat geopende boekje op te halen. De engel reikt hem het boekje aan en zegt: Eet het op. Het zal branden (letterlijk: bitter zijn) in je maag, maar in je mond zal het zo zoet zijn als honing. Ik pakte het boekje en at het op. Het smaakte zoet als honing, maar nadat ik het opgegeten had, was het bitter in mijn maag…

Het boek des levens in Openbaring 5 was een boekrol, een biblion. Nu wordt er gesproken van een biblaridon, een boekrolletje. Ik stel me het formaat van een mini-loempia voor. En nog iets: dat kleine boekje is een geopend boekje is (vers 8)! De engel hield een kleine boekrol geopend in zijn handen…

Het boek des levens / het boek van de geschiedenis is verzegeld en gesloten… voor mensen als u en ik. Het is te groot. Je denkt wel eens: ik kijk niet meer naar het journaal, lees geen kranten meer. Het is te erg, het houdt nooit op, en ik kan er toch niets aan doen.
Maar dit tweede boekje is klein. Johannes, een mens als u en ik, kan het gewoon aanpakken, en hij kan erin lezen, want het is geopend. Hij kan het zelfs opeten. Dat betekent: het is te behappen. Hij kan het in zich opnemen. Hij kan zich er zelfs mee voeden, zodat hij verder kan gaan op de weg door deze zo lastige wereld.

Het boekje is … het evangelie, dat ons kleine mensen een begaanbare weg wijst door deze grote wereld. Het boekje vertelt ons dat wij deze wereld niet kunnen redden, en dat hoeven we ook niet: – dat zal God doen. Maar ondertussen vraagt God ons wel om met hem mee te werken. Om te doen wat wij kunnen. Om zijn handen en voeten op aarde te zijn.

Johannes zegt er wel eerlijk bij dat dat boekje twee smaken heeft. Het is zoet in de mond… Het gaat over liefde en over hoop en over God die alles voor ons over heeft, zelfs zijn eigen zoon, en over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Zoeter dan zoet!

Maar eenmaal doorgeslikt … is dat boekje is ook bitter in de maag. In goed Nederlands: het ligt zwaar op de maag. Het evangelie is niet alleen maar leuk. Het vraagt ons om niet langer onze eigen eerste impulsen te volgen, maar om onze oude mens te laten sterven, zodat er een nieuwe mens op kan staan. Met Christus. Het woordje bitter komt ook in de evangeliën één keer voor, als er wordt verteld dat Petrus Jezus heeft verloochend, en als hij dan bij het kraaien van de haan bitter begint te huilen. Het evangelie heeft te maken met vreugde, maar ook met een kruis dat gedragen moet worden, ook door ons.

Maar het is te doen! Het boek van de geschiedenis is veel te groot voor ons, niet te behappen. Het evangelie is een behapbaar boekje, dat toegesneden is op de menselijke maat. Neem en eet. Maak het je eigen. Het kan. Het is te doen!

Gemeente,

12 jaar geleden, op 21 april 2002 heb ik tijdens mij intrededienst over precies dezelfde tekst gepreekt – al beperkte ik me in mijn preek toen vooral tot het kleine boekje uit Openbaring 10. Het is niet erg als u dat niet meer weet! U weet ook niet meer wat u 12 jaar geleden op brood at. Toch is het maar goed dat u toen gegeten hebt.
In 12 jaar is er veel gebeurd. In de grote wereld. In onze gemeente. In uw en in mijn persoonlijke leven. Daar hebben we het afgelopen donderdagavond uitgebreid over gehad.

Ik ben dankbaar dat ik twaalf jaar deel heb mogen uitmaken van de Hoeksteen.
Omdat u een prachtige gemeente bent!
(Hoe belangrijk een gemeente is, heb ik de afgelopen week heel persoonlijk mogen ervaren bij het afscheid nemen en de begrafenis van mijn vader. De gemeente van Almere en van Schoonhoven hebben ons erg veel houvast gegeven.)
En vooral omdat ik er telkens met u heb mogen luisteren naar het evangelie van Jezus Christus, die ons door deze grote wereld en door dit eindeloos ingewikkelde leven… een weg wijst die hoopvol én begaanbaar is.
Het laatste wat ik zeg is dit: doorgaan op deze weg. of het nu in Schoonhoven, Willige Langerak of Heusden is: gewoon doorgaan op deze weg. Het is te doen.

Amen.

Ds. Frans-Willem Verbaas

Tweet and like

Partir c’est mourir un peu

27 maart 2014 namen Frans-Willem en Marianne Verbaas afscheid van de Protestantse Gemeente de Hoeksteen. Met een beetje pijn in het hart, maar ons ook op deze manier kunnen laven.

Tweet and like

Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen

Ik herinner mij de eerste vrijmarkten op Koninginnedag. Ik woonde toen in Amsterdam. De vrijmarkt was vooral een markt waarop kinderen hun spulletjes konden verkopen. Maar in de jaren die volgden kwamen er eerst veel meer volwassenen op de vrijmarkt, en daarna kwamen de echte handelaren…

We kunnen natuurlijk niet zonder handel, maar soms is het jammer dat uiteindelijk alles in handel verandert. Muziek, cultuur, sport, de Olympische Spelen, nationale feestdagen… en ook het geloof (heilige plaatsen, bedevaartsoorden als het even kan staan de handelaren vooraan met hun winkeltjes) … de handelaren van de wereld weten van geen ophouden. Het Hebreeuwse woord voor ophouden is Sjabat. Ze weten van geen SJABAT! En dus ook van geen zondagsrust… Zo was het al in de tijd van Jezus, toen kenden de handelaren op het tempelplein hun grenzen niet. Er is eigenlijk niets nieuws onder de zon – wist de Prediker al.

De evangelist Matteüs vertelt dat Jezus direct na zijn lawaaierige, sensationele intocht in Jeruzalem rechtstreeks naar de tempel ging. Hij zocht even wat rust in het huis van zijn Vader. Wilde bidden. Maar als Jezus in de voorhof van de tempel komt, treft Hij daar net zoveel herrie en onrust aan, als in de stad. Het lijkt er meer een kermis dan een kerk. Er wordt handel gedreven in offerdieren. Er wordt tempelgeld gewisseld. En dan volgt een van de weinige momenten dat het erop lijkt dat Jezus zich niet meer beheersen kan. En dat hij niet zijn mond, maar zijn vuisten laat spreken.

Nu waren al die handelaren heel nuttige mensen. In de tempel werden iedere dag dieren geofferd, en pelgrims die van ver kwamen konden moeilijk offerdieren op hun reis meenemen. En in de tempel werd het gangbare Romeinse geld met daarop een afbeelding van de gehate keizer niet geaccepteerd. In de tempel zelf accepteerde men alleen het oude Israëlitische geld. Zo pro-beerde men in het bezette Israël een stukje land (de tempel) onbezet, onbesmet, HEILIG te houden. Op zich een heel mooie gedachte – en daar werken die geldwisselaars aan mee.

Ook op het tempelplein was de commercie uit de hand gelopen. In een uitbarsting van woede jaagt Jezus alles en iedereen weg en roept: Van een huis van gebed hebben jullie een rovershol gemaakt! Een rovershol, er staat eigenlijk: een rovers-spelonk. Zo’n donker, vochtig gat in een rots, waar mensen die het daglicht niet kunnen verdragen zich schuil houden. Zo’n boevenschuilplaats hadden ze van de tempel gemaakt.
En dat terwijl de tempel juist een plaats behoort te zijn waar mensen komen schuilen die verlangen naar een beetje licht in deze donkere wereld.

En dan? Heeft Jezus wat Hij hebben wil, als hij het tempelplein heeft schoongeveegd. Geniet Hij nu van de stilte, van de heilige sfeer?
Nee – dat is hem niet vergund.
Matteüs vertelt: “En in de tempel kwamen blinden en lammen tot Hem en Hij genas hen. En kinderen kwamen in de tempel en riepen Hosanna, de Zoon van David!” Alsof ze toen ook al een Jong geluid hadden!

Zieken, blinden, verlamden… tegenwoordig zouden wij zegen: gehandicapten of mensen met een beperking… tja, die hingen er in de toenmalige samenleving maar wat bij. Ziekte of handicap werd in die tijd vaak gezien als straf van God… dus vaak werden ze beschuldigend nagewezen: Zij, of anders hun ouders, zullen wel wat op hun kerfstok hebben…. Als je blind was of kreupel, mocht je niet als Leviet of als Priester dienst doen in de tempel.

En kinderen, ik ken geen plaats waar staat dat kinderen niet welkom waren in de tempel, maar ze werden natuurlijk wel geacht stil te zitten en hun mond te houden. Net als in de kerk…

Eigenlijk is het vreemd wat er gebeurt! Terwijl Jezus de handelaren en hun herrie door de ene deur de tempel uitwerkt, komen door een andere deur de mensen binnen die doorgaans buiten de tempel worden gehouden: zieken, onreinen, kinderen. En dan richt Jezus zich tot die gehandicapten: hij geneest hen, neemt hen weer op in de samenleving. En de kinderen laat hij lekker roepen en schreeuwen: ‘Hosanna voor de voor de Zoon van David!’
Nog geen rust op het tempelplein. Wat is eigenlijk het verschil met eerst?

Ondertussen lopen de volwassenen: hogepriesters en de Farizeeën, met kwaaie koppen rond. En ze gaan doen wat ze eerst, toen de handelaren nog vrijelijk hun gang konden gaan, hebben nagelaten. Ze gaan nu wel proberen om de rust en de orde in de tempel te herstellen. Waarom grenst het gedrag van volwassen mensen zo vaak aan hypocrisie? (Dat maakt die hele kwestie rond de Krim ook zo vermoeiend: noem eens één wereldleider die in deze kwestie niet hypocriet overkomt? Één, die geen boter op zijn of haar staatshoofd heeft?)

De hogepriesters en schriftgeleerden gaan klagen bij Jezus. Hoor je wel wat ze zingen? Ze doen net of jij de zoon van David bent. Wat weten die snotneuzen daarvan af? Hebben die kinderen misschien theologie gestudeerd?
Jezus heeft die dag niet veel geduld. Hij geeft lik op stuk. Hij bijt van zich af met een citaat uit psalm 8. ‘Jazeker heb ik dat gehoord! Maar hebben jullie dan nooit in de Bijbel gelezen: Door de mond van kinderen en zuigelingen hebt u zich een loflied laten zingen?’

Kinderen in de bijbel.. dat is de mens in zijn kwetsbaarheid, in zijn afhankelijkheid en machteloosheid. Kinderen zijn heus niet per definitie engelen… maar ze zijn nog zo weinig besmet door de hardheid van het leven. Dat maakt hen meer dan volwassenen ontvankelijk voor het wonder van het leven, voor God.
Een van mijn favoriete gedichten is van J.W Schulte Nordholt.

HET KIND EN IK

Mijn zoon,
zoals je van de heuvel holt
met wind en zonlicht in je haar,
alsof je van de hemel komt,
zoals het trouwens is
lichtjaren ver van hiervandaan.
God voor dit ene ogenblik
heb ik misschien mijn leven lang bestaan.
Ik steek mijn armen uit.
Wat houdt een mens nog over van
het Licht waaruit hij is ontstaan?
Pas op, je valt.
Het doet geen zeer
een kind is zoveel dichter bij
de aarde dan de grote mensen
en bij de hemel zo dichtbij.
Hij komt er nog maar net vandaan.

Kinderen staan nog zo dichtbij het Licht waaruit ze zijn ontstaan, dichtbij de hemel, dichtbij God. Daarom begrepen Jezus en de kinderen elkaar zo goed. Jezus en de volwassenen, dat is vaak een ander verhaal. Tenzij die volwassenen het kunnen opbrengen om het kind in zichzelf weer te ontdekken, weer te worden als een kind…

Een van de dingen die ik erg zal missen is als de kinderen terugkomen met hun geldbakjes… Dat doen sommigen met zoveel eerbied of juist met zoveel plezier. Alsof het een spelletje is, maar wel een heilig spelletje. Want: juist door de mond van kinderen en zuigelingen, en door hun ogen, laat God zich een loflied zingen.
Dus: Jong geluid, zet hem straks weer op!

Amen.

Ds. Frans-Willem Verbaas

Tweet and like

Dat is om stil van te worden

Veel mensen houden van steden. Misschien niet om er te wonen, maar wel om ze te bezoeken. Het leven in een grote stad fascineert. We vinden er de mens op zijn best en op zijn slechtst.

Het leven in de stad is intens, want het leven wordt er uitvergroot. In Rotterdam, Amsterdam, Londen, Parijs, Berlijn, Barcelona, New York… (de lijst met favoriete stedentrips is lang)… vindt je de veelkleurigheid van de mens, en zijn ondernemingslust, en zijn creativiteit, en zijn museumnachten. Maar ook het slechtste vinden we in de stad uitvergroot terug. De onrust, de herrie, de anonimiteit, de eenzaamheid: in de stad weet van je buren vaak niet eens hoe ze heten. En soms merkt niemand het, als iemand in zijn eigen huis dood blijft liggen. Zo’n opstand als in de Oekraïne: die vindt vooral plaats in … een stad, in Kiev. We herinneren ons de beelden van dat plein. En voor je het weet als we de media mogen geloven, dan wordt er in Simferopol (sinds kort weten we allemaal dat dat de hoofdstad is van de Krim) niet meer gesproken, alleen nog maar geschreeuwd. Mensen luisteren er niet meer maar elkaar, het recht van de sterkste geldt er. De moderne stad is de nieuwe jungle.

In het najaar stonden we met een groep van de Hoeksteen op de Olijfberg naar Jeruzalem te staren. Prachtige stad. Zo vol historie. We keken naar de Gouden Rotskoepel, naar het grote plein waar eens de tempel had gestaan. Wij wisten dat wij stonden waar eens Jezus had gestaan, en uitgekeken over de stad, en de stad was binnengereden op een ezel. Het was adembenemend mooi. Maar we keken ook naar een stad waar in het verleden ongelooflijk veel bloed is gevloeid. En die op dit moment intens verdeeld is. Jeruzalem kent orthodox-joodse wijken, en wereldse wijken, en islamitische wijken en christelijke wijken. Jeruzalem is. En waar recentelijk en betonnen muur is opgetrokken die joden en Palestijnen wijken van elkaar moet scheiden. Een muur als een litteken.

Je hebt het werkelijke, aardse Jeruzalem: prachtig en vreselijk tegelijk.
En je hebt het bijbelse Jeruzalem dat een droom is: Jerousjalaiem: waar we het woord shalom in horen, vrede. Stad van vrede.
Godzij dank zijn er altijd mensen geweest die hebben gedroomd. Profeten en apostelen die hun droom van vrede/Shalom over de werkelijkheid hebben gelegd.
Zo is er een prachtige Rabbijns verhaal over de plaats waar onder koning Salomo de tempel van Jeruzalem is gebouwd.

Lang voordat in Jeruzalem de Tempel werd gebouwd, was er op die plaats een akker, bezit van en vader met twee zonen. Met zijn drieën bewerkten ze de akker. Toen de vader overleed, besloten de broers het veld niet te verdelen, maar het samen te blijven bewerken. De ene broer had een vrouw en kinderen; de ander was nooit getrouwd, alleen. Na de eerste oogst verdeelden ze de opbrengst. ieder bracht zijn aandeel naar zijn eigen graanschuur.
Die nacht konden ze geen van beiden slapen. De ongetrouwde broer verweet zich dat hij evenveel had gekregen als zijn broer met zijn hele gezin. Hij besloot een deel van zijn helft diezelfde nacht nog te brengen naar de schuur van zijn broer.
De getrouwde broer verweet zich dat het toch niet rechtvaardig was de helft van zijn oogst op te eisen voor zich en zijn gezin. Zijn broer was immers alleen en wanneer hij oud was, zou hij niemand hebben om voor hem te zorgen. Hij besloot zijn helft diezelfde nacht nog te brengen naar de schuur van zijn broer.
Midden tussen beide schuren kwamen ze elkaar tegen. Toen ze doorhadden wat ze beiden aan het doen waren, omhelsden ze elkaar vol ontroering.
Toen de Eeuwige – Hij zij gezegend – de bescheidenheid zag van beide broers en hun verbondenheid, zei hij: ‘Op de plaats waar broers zo met elkaar omgaan, daar wil ik wonen.’ En daarom wees de Eeuwige later Salomo die plaats aan om de tempel te bouwen.

Lang voor rabbijnen dit mooie verhaal vertelden, droomde de profeet Zacharia over een nieuwe, rechtvaardige koning die over Jeruzalem zou regeren: (Zacharia 9:9): Zie uw koning komt tot u. Hij is recht¬vaardig en bevrij¬dend, hij is nederig en rijdt op een ezel.
Dat is een koning die lijkt op die twee broers uit de legende…

En het lijkt wel alsof de evangelisten ook hardop droomden, als ze vertellen hoe Jezus Jeruzalem is binnengetrokken … om de oude tempel af te breken en in drie dagen een nieuwe op te bouwen. Jezus kwam niet met kruisridders of met de een of andere bezettingsmacht nar Jeruzalem. Hij probeerde de stad niet te overweldigen zoals de Russen de Krim hebben overweldigd in de afgelopen week. Of zoals de Amerikanen dat in het recente verleden hebben gedaan met andere landen. Hij kwam als de broers uit dat Rabbijnse verhaal, en als de koning van Zacharia: nederig en rijdend op een ezel.

Nico ter Linden noemde zijn kinderbijbel naar deze bijzondere scène: Een koning op een ezel. Dat is het type koning dat Jezus wil zijn. En mijn favoriete kerstlied, Gezang 139, is mede naar aanleiding van dit intochtsverhaal geschreven –

Ziet, die ’t Woord is zonder spreken,
Ziet die vorst is zonder pracht
Ziet die’t al is in gebreken
Ziet die’t licht is in de nacht.

Wanneer Jezus Jeruzalem nadert is het druk in de stad vanwege het joodse Pesach. En dan verspreidt zich het bericht dat die Jezus van Nazareth eraan komt, iemand heeft hem gezien op de Olijfberg net buiten de stad. Een stad is dan een snelkookpan: in korte tijd verzamelt zich een menigte die Jezus tegemoet trekt. En zo’n stadse menigte is niet stil en ingetogen: die maakt zoveel mogelijk geluid: ‘Hosanna, gezegend Hij die komt in de naam de Heer, de koning van Israël.’ Die woorden komen uit psalm 118 – een van de psalmen die worden gezongen in de liturgie van de Pesachviering. Die woorden hingen dus al in de lucht. En dan plukken mensen ook takken van de bomen, olijftakken – die hingen ook in de lucht want we bevinden ons nog steeds op de Olijfberg. En opeens is Jezus omringd door een schreeuwende en zwaaiende menigte.

Zo’n menigte heeft iets bedwelmends, en ook iets beangstigends. In een menigte kunnen mensen elkaar zomaar meeslepen, en gek maken. Massa-hysterie. En de sfeer in een menigte kan zomaar omslaan. Daarom voelen veel mensen een zekere argwaan als ze een menigte zien. Een menigte mensen is vaak niet erg betrouwbaar. De ene dag roepen ze Hosanna! De volgende dag kan dat zomaar veranderen in: Kruisigt hem!

Jezus wist dat natuurlijk. Hij had zich af kunnen wenden van de menigte. En van de stad Jeruzalem. En van de wereld. Hij had zich kunnen terugtrekken, kunnen kiezen voor de stilte. Voor de rust en vrede van de afzondering. Hij heeft dat niet gedaan. Hij is doorgereden, op die ezel, de stad in. Hij voelde zich niet te goed voor al die stadsmensen met hun grote monden en hun kleine hartjes, met hun glorie en hun misère. Hij heeft zich in die menigte begeven, zich aan die menigte overgegeven. Met alle risico van dien. Hij moet enorm veel van die mensen hebben gehouden. Hij moet de liefde in zich hebben gehad die ook die twee broers uit dat Rabbijnse verhaal in zich hadden.

Dat is om stil van te worden. Of om met een brok in de keel van te zingen, zoals wij straks zullen doen. NLB 632:3

Nu zend uw Geest als een vuur,
als een stem in ons midden.
Dat wij van harte
elkander verstaan en beminnen,
en zo voortaan
eren uw heilige naam,
en U in waarheid aanbidden.

Amen

Ds. Frans-Willem Verbaas

Tweet and like

Deze kaars herinnert ons eraan dat we niet vergeefs op God hopen

Als je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden. Dan zal ik de Vader vragen jullie een andere pleitbezorger te geven, die altijd bij je zal zijn: de Geest van de waarheid. De wereld kan hem niet ontvangen, want ze ziet hem niet en kent hem niet. Jullie kennen hem wel, want hij woont in jullie en zal in jullie blijven. Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug. (Johannes 14: 15-18)

Die Unsichtbarkeit Gottes macht uns kaputt. Wij gaan kapot aan de onzichtbaarheid van God, schreef Dietrich Bonhoeffer ergens. Dat klopt met de ervaring, die we in bepaalde momenten van ons leven opdoen. En de ongelovige Thomas, de leerling die Christus wilde zien? Die dient als voorbeeld voor heel wat mensen. Thomas mocht het meemaken, dat hij de Opgestane kon zien en de kruiswonden voelen, wanneer hij wilde. Maar wij horen bij de mensen, die niet gezien hebben. Is Christus dan wel aanwezig in de wereld? Zijn wij echt niet als wezen achtergebleven? We voelen deze vraag soms bij ons boven komen. En zeker wanneer we hevig verlan- gen naar een teken van Gods liefde.

God heeft ons lief – maar hoe ervaren wij zijn liefde? Dit is geen vraag, die wij mogen stellen. Wij mogen zoeken naar, bidden en vragen om troost, bemoediging en hulp, als ons ‘een pleitbezorger’ beloofd wordt. Jezus belooft aan zijn leerlingen, wanneer Hij spreekt over zijn naderend afscheid, dat de Vader een andere pleitbezorger zal geven. Dat betekent: Jezus is er een. En na zijn vertrek zullen de leerlingen het niet zonder een pleitbezorger hoeven te stellen. Deze zal altijd bij hen zijn.

Het woord, dat de werkers aan de Nieuwe Bijbelverta- ling weergeven met ‘pleitbezorger’, kennen we uit een oudere vertaling als ‘trooster’. In beide gevallen maken vertalers ons duidelijk, dat het gaat over een functiona- ris; over iemand met de taak, om voor een ander te pleiten en voor iemand anders in de bres te springen. De pleitbezorger of de trooster is de helper in een moeilijke situatie, die troost, vermaant, bemoedigt en inspireert.
Op hetzelfde moment dat Jezus aan zijn leerlingen een andere pleitbezorger belooft, verkeren zij in een situatie van verdachtmaking en uitsluiting door de Joodse en Romeinse bestuurders . In de wereld van toen, waarin ze leven, vormen ze een wel heel klein groepje. En vallen er klappen, dan vangt Jezus als hun meester die voor hen op. Hij is trooster, helper, pleitbezorger, die hen bemoedigt en kracht geeft.

Maar hoe moet het verder zonder Hem? Met de belofte van een andere pleitbezorger wil Jezus de wanhopig- heid en het niet weten wat te doen bij de leerlingen wegnemen. Een andere pleitbezorger dan Jezus is de Heilige Geest, gegeven door God de Vader. Zelfs Jezus moet er om vragen. Je denkt dan: we kunnen de Geest niet snel opvragen. We kunnen niet zoals bij ons banksaldo vlug zorgen, dat we toegang krijgen tot de Geest en Hem opnemen of niet. De Vader zal de andere pleitbezorger geven, wanneer Jezus erom vraagt. Herhaald vragen en telkens weer bidden om de Geest , dat is de houding die wij misschien wel het beste kunnen innemen.

Maar wat, als we te druk of te moe zijn, om te bidden om de Geest? In de paaswake wordt een grote, bewerk- te kaars aangestoken en de kerkzaal van onze Hoek- steen binnengedragen: de paaskaars. Bekijk je deze kaars van dichtbij, dat zie je een kruis in Keltische vorm met daarin verwerkt de driehoekige symbolen van de heilige drie-eenheid. In de cirkel zijn oneindigheidste- kens aangebracht. Langzaam en gelijkmatig brandend herinnert deze kaars ons eraan, dat we niet vergeefs op God hopen. Hem hebben we door Jezus leren kennen als de Vader, die de Geest als pleitbezorger wil geven aan allen, die Hem erom vragen.

Ds. Chris Koole

Tweet and like

Kerkmuziek

Kerkmuziek kan je in vervoering brengen. Deze muziek zal altijd blijven boven drijven. Je voelt je deel van een groter geheel. Opgenomen in de liturgie die al eeuwen stroomt en ontspringt aan een goddelijk bron.

Tweet and like