1 Korinthe 2: 6-16

Al een tijd lang is Voetbal International een populair programma op de Nederlandse televisie. U weet wel, dat programma met Johan Derksen (met zijn snor en zijn voetbalpreken), Rene van der Gijp (met die schaterlach en zijn voetbalverhalen), en met gespreksleider Wilfred Genee (met dat keurige kapsel en die sneue glimlach omdat hij altijd in de maling wordt genomen). Een paar keer per week kletsen die heren anderhalf uur vol over voetbal. Ik moet u bekennen dat ik het erg amusant vind, en als ik ’s avonds niet zo vaak voor u op pad zou gaan, zou ik er veel vaker naar kijken. 

Het fascinerende van dat programma is dat die mannen, meestal met een gast erbij, altijd maar door kunnen praten. Anderhalf uur achter elkaar. En dan zeggen ze dat wij dominees lang preken! Of er nu belangrijke wedstrijden zijn of niet, of er een WK aan de gang is of dat we midden inde winterstop zitten, maakt niet uit, ze praten maar door. Altijd enthousiast, altijd, vol geestdrift. Als je niet van voetbal houdt, dan zeg je: dit gaat helemaal nergens over. Als je er wel van houdt, dan kan het je eigenlijk niet lang genoeg duren. (Een van onze ouderlingen is ook een liefhebber, weet ik. En ze is geen man.)

Wat voor Derksen, van der Gijp en Genee voetbal is, dat is voor de apostel Paulus het evangelie. Paulus doet eigenlijk hetzelfde: doorgaan met praten en praten over datgene waar zijn hart vol van is, en waar zijn mond dus van overstroomt: het evangelie.

In de eerste hoofdstukken van de Korinthebrief praat Paulus zo maar door over de wijsheid van God, die zo anders is dan de wijsheid van de wereld.

Die wonderlijke wijsheid van het evangelie die een schandaal is voor joden en een dwaasheid voor de Grieken. Die wonderlijke wijsheid die geen oog heeft gezien, die geen oor heeft gehoord, die in geen mensenhart is opgekomen, maar die God heeft bestemd voor wie hem liefheef (vers 9). Lees meer…