Wij wekken de put en hij zingt…

Laatste dag van het jaar – rituelen die de overgang markeren:
jaaroverzicht – oliebollen – vuurwerk
en dan begint er een nieuw jaar.
Soms ben je blij met die afleiding,
haalt die afleiding de spanning er een beetje af.
Want het einde van een jaar heeft ook iets spannends.
Het confronteert ook met iets als vergankelijkheid,
het voorbijgaan van de dingen.

Soms kun je overvallen worden door een soort weemoed.
Herinneringen die je voor de geest komen – voorbij.
Dat kan onschuldig zijn – vakantieherinneringen – het afronden van een studie – het begin van een nieuwe baan,
maar soms grijpt het dieper – was dit het jaar waarin je je ja-woord gaf, of juist het jaar waarin je losliet met wie je jaren verbonden wist.

Of los moest laten – omdat de dood een scheidslijn trok
waarvan je de pijn nog dagelijks met je meedraagt.
Was dit het jaar dat je ouder werd,
of was dit het jaar dat alle kinderen het huis uit gingen.
Was dit het jaar dat getekend werd door diepe zorgen,
kwam ziekte nabij en worstel je met hoe daar mee om te gaan.
Dan is er niet de weemoed – maar de pijn.
Ik hoor het in het ziekenhuis deze weken dikwijls zeggen:
ik hoop dat volgend jaar beter mag zijn.
Jaarwisseling – geen dag op de liturgische kalender,
en toch – voor mijn gevoel – altijd een bijzonder moment
om ook in de kerk – voor Gods aanschijn samen te komen.

Ofschoon ik er zelf niet mee vertrouwd was leerde ik van mijn collega’s in Zwolle dat deze dag altijd psalm 90 werd gelezen. De psalm die verwoord dat een mensenleven zelfs als dat leven zeventig of tachtig jaar omvat op de eeuwigheid van God is
als een bloem op het veld
als gras dat ’s morgens opschiet en ’s avonds verdort.
Het is een wat wonderlijk beeld,
het maakt het leven van een mens zo klein,
bijna onbeduidend.

Maar de kracht van het beeld is misschien wel
de relativering – in het licht van Gods eeuwigheid
mogen we ons – in onze kleinheid – omvat weten door,
en toevertrouwen aan,
wie ons leven omvat
door wie we zijn
en in wie we geborgen mogen zijn.

We worden als het ware uitgenodigd ons leven te zien
in het perspectief van de eeuwigheid.
Ook al lukt dat lang niet elke dag.
Er is een soort bezigzijn met de dingen die aandacht vragen
of waar we soms gedachteloos aandacht aan schenken
dat ons doet opgaan in zorgen – of doet opgaan in verstrooiing.
Dan is er geen verder reikend perspectief – verglijdt soms de tijd
– raken we vermoeid – zonder het gevoel te hebben echt te leven.

Hoe om te gaan met onze tijd?

Misschien is dat een vraag die je kunt stellen op oudjaar
hoe onze dagen te leven – terugblikkend – vooruitblikkend.
En hoe daarin onze tijd van leven te beleven.
Tussen verleden en toekomst,
een spanning die er altijd is,
ook al streef je misschien naar een leven in het nu.
Tenminste – dat laatste lijkt een belangrijke stroming
in wat ons wordt aangereikt als spiritualiteit.
Mede onder invloed van uit het Boeddhisme
overgenomen gedachten.

Die toeleg op het nu doorbreekt
een voortdurend gericht zijn op wat komen gaat,
op de vrees die daarmee gepaard kan gaan.
Het is een oefenen in een soort vrijheid,
vrij te komen staan van alles wat er in je hoofd omgaat
aan zorgen en vragen,
aan onrust, verwachtingen – vrij te komen van het vele.

Tijd wordt een soort eeuwig heden,
maar het vraagt de nodige toeleg
om zo vrij te komen staan ten opzichte van
wat alledag aan zorgen brengt.

Een paar weken geleden bracht Herbert Grönemeyer een nieuwe cd uit.

Voor wie Herbert Grönemeyer niet kent:
zoals je in Nederland niet om Marco Borsato heen kunt
– en of je nu van hem houdt of niet – je kent altijd wel een liedje van hem, –
zo heeft Duitsland Herbert Grönemeyer.
Zonder moeite vult hij tijdens tournees vele uitverkochte stadions.
Ik moet zeggen: ik heb een zwak voor Herbert Grönemeyer.
Goed – hij bracht een nieuwe cd uit:
de titel er van: Dauernd Jetzt – voortdurend nu.
Hij voelt de tijdgeest feilloos aan, denk ik.
In een van de liedjes beschrijft hij het opgaan in het nu
als een heerlijk gevoel van leegte
hij zingt (in vertaling)

“ik leef op dit moment
maak me nu geen zorgen,
die zijn voor morgen
ik leef op dit moment, voel me vrij
voel een wonderbare leegte, zonder gewicht
de wereld helemaal open”

Het is een vrijheid genieten,
door helemaal op te gaan in het moment,
een vreugdevol, zorgeloos zijn.
En het is mooi als dat er is.
En ik gun het ieder – ook mezelf.
Bij tijd en wijle, zeg ik er bij.

Omdat het leven niet alleen deze lichtheid kent….

Er is een wonderlijk licht en donker in het leven,
niet tot eenheid te brengen vreugde en verdriet.
Het leven is een soort voortdurend je verhouden tot dit vele
niet tot elkaar herleidbare tweeslachtige.

Leven is die spanning telkens weer onder ogen zien,
en telkens weer zoeken naar balans in jezelf.
Om er niet door overspoeld te worden.
En zelfs dat is eigenlijk niet mogelijk.
Want er is ook een tijd dat je overspoeld wordt.
Het teveel, te onbevattelijk is.
Het afgelopen jaar kwam dat dichtbij –
ook bij mensen in onze gemeente – en dat roept
als dat van nabij gebeurt een grote machteloosheid
en een groot verdriet op.

Daarom houd ik van Prediker:
omdat hij het leven niet mooier maakt dan het is.
Er is een tijd van helen
en een tijd om af te breken
en een tijd om te bouwen
een tijd om te planten
en een tijd om te rooien
een tijd om te lachen
en een tijd om te huilen
een tijd van zoeken
en een tijd van verliezen
een tijd om te scheuren
en een tijd om te herstellen.
Er is een tijd voor oorlog
en er is een tijd voor vrede.

Sommige beschouwen het als een soort fatalisme,
ik denk eerder dat het een confronterend realisme is.

Maar hoe blijf je overeind te midden van de vele?
Het vele dat de wereld aan je toont,
het vele dat er in je nabijheid gebeurt
in jezelf.
Is er een ankerpunt?

Er is een heden – dat hoeft niet dat blije onbezorgde heden te zijn
waar Grönemeyer over zingt,
maar wel dit moment in de tijd
waar je verleden en toekomst
in je laat samenkomen en het verbindt met Gods eeuwigheid.
Er is – boven de tijd uit –
een op ons betrokken Liefde
waar je je aan toe kunt vertrouwen.
Niet als antwoord op al je vragen.

Prediker spreekt ook van iets raadselachtigs,
Toch kan de mens het werk van God niet van begin tot eind doorgronden.
Hij spreekt dan vervolgens over het genieten van het leven
als het beste dat je kunt doen.
Dat is me net iets te makkelijk,
omdat ‘genieten’ veel mensen niet gegeven is.
Tenzij ‘genieten’ gelezen zou mogen worden
als een vorm van aandachtig zijn voor het goede dat met het leven gegeven is.
En dat kan klein zijn.
Om met een zekere lichtheid te eindigen
sluit ik af met het lezen van een fragment uit
de kleine prins van Antoine de Saint Exupery.
Het is het fijnzinnige, diepzinnige verhaal
over oog hebben voor het meest wezenlijke.
Het gaat over iemand die met motorpech strandt midden in de woestijn
en daar – te midden van die eenzaamheid –
een kleine mannetje ontmoet: de kleine prins.
En die kleine prins vertelt over zijn belevenissen.
Over zijn verblijf op een kleine planeet waar slechts één roos groeit
waar hij met veel liefde voor zorgt.
Over zijn ontmoeting met een vos
die hem leert wat vriendschap is.
En over vele andere ontmoetingen, waaronder die met een koopman.

Goedendag, zei de kleine prins
Goedendag, zei de koopman.
Hij verkocht uitstekende dorstlessende pillen.
Men slikt eens in de week een pil en voelt nooit meer de behoefte aan drinken.
Waarom verkoop je die, vroeg het prinsje
Het is een grote tijdsbesparing, zei de koopman
De geleerden hebben het uitgerekend.
Je spaart drieënvijftig minuten in de week.
En wat doe je dan met die drieënvijftig minuten?
Daar doe je maar mee wat je wilt.

Als ik drieënvijftig minuten over had, dacht het prinsje bij zichzelf,
dan liep ik heel rustig naar een bron.

En zo gebeurt het – de gestrande reiziger gaat met het prinsje op zoek naar een bron.
De tocht is lang – het kleine ventje raakt verzwakt.

Toen het kleine prinsje erg slaperig werd,
nam ik hem in mijn armen en ging weer op weg.
Ik voelde me ontroerd.
Het was alsof ik een broze schat droeg.
Ik had zelfs het gevoel dat er op aarde niets brozers bestond.
Ik bekeek bij het maanlicht het bleke voorhoofd, de gesloten ogen
en de haarlokken die trilden in de wind en ik dacht:
‘Wat ik zie is maar een omhulsel.
Het belangrijkste is onzichtbaar…’
Terwijl zijn lippen zich half openden tot een glimlach, dacht ik nog:
‘Wat me zo aangrijpt bij die kleine slapende prins,
is zijn trouw aan een bloem, het beeld van een roos,
dat binnenin hem straalt, zelfs in zijn slaap – als de vlam van een lamp…’
En ik vond hem nog brozer.
Lampen moeten goed beschut worden:
één windvlaag kan ze uitwaaien…
En terwijl ik zo liep ontdekte ik de put, bij het aanbreken van de dag.

‘De mensen’, zei de kleine prins,
‘kruipen in sneltreinen, maar ze weten niet meer wat ze zoeken.
Ze maken zich druk en draaien in een kring rond.’
En hij voegde er aan toe:
‘Het is de moeite niet waard…’

De put die we bereikt hadden leek niets op een woestijnput.
De putten in de Sahara zijn gewoon in het zand gegraven gaten.
Maar deze leek op een dorpsput.
Alleen was er nergens een dorp in de buurt en ik dacht dat ik droomde.
‘Het is vreemd’, zei ik tegen het prinsje,
‘alles is in orde: de katrol, de emmer, het touw…’
Hij lachte, bevoelde het touw en liet de katrol draaien.
En die piepte als een oude windwijzer wanneer er lang geen wind geweest is.
‘Hoor je het’, zei de kleine prins, ‘wij wekken de put en hij zingt…’
Ik wilde niet dat hij zich inspande:
‘Laat mij het maar doen’, zei ik, ‘het is te zwaar voor jou.’
Langzaam hees ik de emmer tot aan de putrand
en zette hem daar stevig neer.
In mijn oren klonk nog het geluid van de katrol
en in het trillende water zag ik de zon trillen.
‘Ik heb trek in dat water’, zei de kleine prins, ‘geef me te drinken…’
Toen begreep ik wat hij gezocht had.
Ik bracht de emmer aan zijn lippen.
Hij dronk met gesloten ogen. Het was als een feest.
Dit water was heel wat meer dan voedsel.
Het sproot voort uit onze tocht onder de sterren,
uit het geluid van de katrol en de inspanning van mijn armen.
Dit water deed het hart goed, als een geschenk.
Zo deden vroeger, toen ik klein was,
het licht van de kerstboom, de muziek van de nachtmis
en het zachte glimlachen om mij heen mijn kerstcadeautjes stralen.
‘Bij jou kweken de mensen vijfduizend rozen in één tuin’, zei het prinsje,
‘en ze vinden daarin niet wat ze zoeken.’
‘Nee, dat vinden ze niet’, antwoordde ik.
‘En toch zouden ze kunnen vinden wat ze zoeken in één enkele roos
of in een beetje water.’
‘Ja, dat is zo’, antwoordde ik.
En het prinsje voegde eraan toe:
‘Maar ogen zijn blind. Met het hart moet men zoeken.’

Ds. J. Roding