Toen Jezus de grote menigte zag, raakte Hij diep bewogen over hen

Geven jullie hen te eten! Met die vraag zendt zijn Jezus zijn leerlingen uit om voedsel te verzamelen en uit te delen. Vijf broden en twee vissen. En dat voor een groep van 5000 man. Vandaag, op deze zondag waar het wereldwijde diaconale werk bijzondere aandacht krijgt, komt deze vraag sterk naar ons toe. Geven jullie hen te eten!

Het evangelie van Marcus wijst ons daarin een weg, een weg uit de machteloosheid naar God als de bron van al het goede.

Ontferming

5000 man. Een onvoorstelbaar grote groep mensen. Ze zijn Jezus op de voet gevolgd en met grote haast naar Hem toe gekomen. Denk je eens in. Een menigte van mensen, overal vandaan. Mannen, kinderen, vrouwen. Iets minder dan de helft van Schoonhoven en Willige Langerak.

Wij schrikken vaak terug voor grote groepen. Een mensenmassa van jonge en oude mensen, onderweg, dicht opeengepakt, het heeft iets dreigends in zich. De sfeer kan zomaar omslaan, denk je dan. Een mens alleen is heel iemand anders dan in een geheel van zoveel anderen. Hoe staan we daar tegenover?

Het roept iets van angst in je op, je bent wel erg kwetsbaar tegenover een grote menigte. Ze zijn met veel, als ze kwaad in de zin hebben, dan ben je nergens. Je wordt zomaar onder de voet gelopen. Is het iets van die angst?

Grootschalig is ook al snel onpersoonlijk. Niet meer dat ene gezicht, die ene naam. Maar ze vormen als het ware één gezicht, alsof ze allemaal hetzelfde zijn. Zo anders, onbekend, fundamentalistisch.

Opvanglocaties voor asielzoekers moeten kleiner, is het plan. Niet zo grootschalig, 1500, 2000 bedden, meer soms. Veel te groot, wordt nu gezegd. 300, 500, dat benadert het al beter. Heel terecht, lijkt me zo.

Wat zien wij als we een ander zien, een groep van anderen? Het doet iets met je. Dat stenengooien naar azc’s of het ophangen van dode varkens daar in de buurt, dat komt niet zomaar ergens vandaan. Ergens huist een diepe angst dat alles wat je hebt, in gevaar komt door die ander. Of dat al je verworvenheden, je vrijheden, bedreigd worden door iedere vreemdeling.

En hoe groter de stroom wordt, hoe sterker die angst misschien wel is. De getallen doen ons duizelen. Maatregelen worden versoberd en andere oplossingen worden gezocht. Dan maar geen noodopvang, geen extra bedden. En ergens zijn we daardoor misschien vooral wel opgelucht.

Toen Jezus de grote menigte zag, raakte Hij diep bewogen over hen.

Jezus raakt diep bewogen. Over die duizenden gezichten die Hem verwachtingsvol aankijken. Zijn hart wordt er door ontroerd, als in de moederschoot wordt Hij getroffen door die schare mensen. Het is die innige ontferming waar Zacharias over zong, nadat zijn zoon Johannes geboren was. Ontferming die zo eigen is aan God. Vlees en bloed gekregen heeft in zijn zoon Jezus Christus.

Die menigte van mensen, met hun sores en hun beslommeringen, ze gaan Hem diep aan het hart. Dicht bij Jezus staan zijn leerlingen, de discipelen, geroepen tot bijzondere navolging. En om hen heen die mensen uit de armoedige huizen, van het land of vanuit de vissersboten, die hongerig van hart naar Jezus toerennen. En Jezus hart is groot genoeg voor hen allen. Van de trouwste volgeling tot die jonge man daar achteraan de groep, die oude vrouw aan de rand en dat kind dat nog amper weet wie Jezus is. We kunnen er zomaar tussen gaan staan.

En Jezus ziet ons aan. Hij ziet een mensenmenigte die innerlijk verdwaald is. Stuurloos, zonder richting. Ze zijn als schapen zonder herder. Hij kijkt tot op je ziel. Wat niemand kan zien, doorziet Hij met een ontfermende oogopslag. Je bent je er zelf misschien niet eens bewust van. Maar wat Jezus ziet is mensen die niet weten waar het naar toe moet, waar het op uit loopt.

Bedreigd door het leven, of door de dood. Wanhoop om een wereld die aan zichzelf ten onder dreigt te gaan. Om het enorme contrast tussen je eigen leven, met de dagelijkse druktes en de lichte en zware dingen daaromheen. En aan de andere kant generatiegenoten die dit achter lieten en nu opeengepakt zitten in een evenementenhal vol stapelbedden.
Die verwarring is nauwelijks uit te houden.

Schapen zonder herder zijn we. Zomaar wat dwalend, hier wat te grazen en daar wat te eten. Overal vandaan je bevrediging halen, maar zonder een herder die je bij het water des levens brengt. Het treft Jezus diep.

Hij gaat hen onderwijzen, leren. Is dat nu nodig, vraag je je af? Moeten niet eerst de noden gelenigd worden en de magen gevuld? Jezus houdt een andere volgorde aan. Eerst onderwijzen. Evangeliseren. Verkondigen. Het hart van God wordt geopend en Hij ontvouwt iets van het geheim van het evangelie. Jezus als de goede herder. Kom bij mij, allen die vermoeid en belast zijn. En ik zal je rust geven.

Daar kun je overigens geen programma van maken, laat dat duidelijk zijn. De tijd dat mensen pas diaconale zorg kregen als ze ook in de kerk waren, die is voorbij en daar gaan we ook niet naar terug. De menigte waar Marcus over vertelt, kwam doelbewust naar Jezus toe, verlangend om zijn woorden te horen en bij Hem te zijn.

Maar er zijn ook genoeg situaties waarin alleen medische zorg, brood of andere ondersteuning geboden wordt. Elke situatie, elke vraag van een mens in nood, heeft een eigenheid.

Maar hier, eerst onderwijs. En dan, na een lange dag, is er vermoeidheid en honger. Het hart van de discipelen is niet zo gesteld als het hart van Jezus. Stuur ze weg Heer, het is al laat.

Geven jullie hen te eten
Geven jullie hen te eten.

Enige ontzetting lijkt zich van hen meester te maken. Van de discipelen, die kort daarvoor door Jezus met een speciale roeping waren uitgezonden. Ga op weg, verkondig het goede nieuws, maar neem niks mee voor onderweg. Zorg dat je last zo licht mogelijk is, zei Jezus als het ware.

Na hun ‘zendingsreis’, om het zo maar te zeggen, komen ze terug bij Jezus. En het lijkt wel, alsof ze steeds opnieuw weer in dienst genomen moeten worden. Elke dag opnieuw door Jezus erbij gehaald om in zijn dienst te staan.

Stuur ze weg Heer, het is al laat.

Nee, niet onze tijd en ons moment, niet onze overtuigingen. Maar heel stellig wijst Jezus ze als het ware terecht. Geven jullie hen te eten.
Blijkbaar moeten volgelingen van Jezus daar toe bereid gemaakt worden. Om de weg van Jezus te gaan. Hem te gehoorzamen. We weten niet zomaar wat goed is om te doen. De nood van een ander gaat ons niet zomaar aan het hart. Zoals Jezus daardoor getroffen wordt, zo is dat bij ons vaak niet.

De bron van waaruit wij het goede doen, ligt in God zelf. In zijn hart dat als een moederschoot is, met een innige tederheid aanschouwt hij zijn schepselen. Als wij God belijden als de Schepper van alle leven, als de Vader van onze Heer en Verlosser Jezus Christus, erkennen wij: de wereld is van God. Niet van de mensen. Maar het is Gods wereld.
Die Hij beschouwt door de ogen van Jezus; met diepe ontferming. En van daaruit bezien, is alles anders. Daar ligt het wezenlijke verschil. Bekijk ik de wereld door mijn eigen ogen, zie ik haar zoals ze mij voor ogen verschijnt, of belijden wij als kerk een andere werkelijkheid. De werkelijkheid van God die de wereld in Christus zo innig liefheeft, en haar met zichzelf heeft verzoend.

Want dan gaat het niet langer om de vraag: hoe word ik een goed mens, of, hoe doe ik het goede? Maar dan gaat het er veel eerder om, zeg ik Dietrich Bonhoeffer na, dat de goedheid van God aan het licht komt.

En zo wijst Jezus de discipelen niet terecht, door hen te zeggen: geven jullie hen te eten. Alsof hij ze een standje geeft en ze bekritiseert. Nee, hij trekt ze in zijn werkelijkheid. Ze worden in dienst genomen om Jezus als de goede herder te laten oplichten. Al het handelen in deze geschiedenis, komt bij Jezus vandaan. Zijn leerlingen geeft Hij opdracht om te delen, om te verzamelen. Maar Jezus is het die zich ontfermt, die het brood breekt, die zegent.

Proef je iets van wat hier zichtbaar wordt? Je kunt jezelf kwellen met die vraag. Hoe leef ik zoals God dat wil, welke keuzes moet ik maken, wat is haalbaar in de zorg die ik geef aan anderen, waar moet ik mijn geld aan doneren en noem maar op. Terechte vragen die we ons stellen. Maar als het goede een doel op zich wordt, om te beantwoorden aan het ideaalbeeld van een volmaakte christen die alles opgeeft, dan, zegt Bonhoeffer weer, dan wordt het iets van zo voorbeeldig mogelijk willen zijn. Misschien dat we daar allemaal wel iets van herkennen.

Het goede is niet iets dat op zichzelf staat. Het hoort toe aan God en aan zijn werkelijkheid. En van daaruit komt tot ons de vraag: wil ik de wereld verbeteren met mijn doen en laten? Of leg ik het in de handen van God en doe ik wat op mijn weg komt, zonder oogmerk, zonder doel, alleen hierom, opdat Gods goedheid wordt beleden en erkend.

Jezus in het midden

Stelt dat je niet in een enorme vrijheid? God de Schepper is de oorsprong van het goede. Belichaamd in Jezus Christus, die mijn ogen er voor opent: de wereld is Gods wereld. Hij heeft haar lief en Hij zal het goed maken.

Er komt veel naar je toe aan hulpvragen, van mensen in nood. Dichtbij, verder weg. In de gemeente, in je wijk, wereldwijd is er veel nodig aan middelen, aan gezondheidszorg, financiële bijdragen. Het maakt ons snel machteloos en moedeloos. Het is te veel, te groot.

Mag daarin het evangelie een weg wijzen. Wat er op je weg komt, wat er je hart wordt gelegd, mogen wij dat doen zonder oogmerk, zonder doel. Maar enkel en alleen omdat deze wereld van God zelf is. En alles wat wij doen, brengen wij voor Gods aangezicht en wij bidden, mag het Gods goedheid zichtbaar maken.

Als de discipelen hebben verzameld wat er aan eten is, vijf broden en twee vissen, neemt Jezus het in handen, dankt God voor zijn goede gaven en breekt het brood.
Zo is Jezus onder ons aanwezig. Hij staat daar op het gras, bij die zoekende, hongerige mensen die neerzitten bij elkaar. Weinig woorden spreekt Hij nu. Er is al veel gezegd. Er wordt in stilte gegeten. Het goede wordt genoten. Het brood is overvloedig en alle monden worden verzadigd.

Zo zegent God door Jezus hongerige mensen en zij worden verzadigd. Naar lichaam en naar ziel.

En zo begint deze wereld bij God, en eindigt zij in God. Dat belijden wij hier in de kerk. En het hart van dat alles is Jezus Christus, die zichzelf gebroken heeft als brood des levens. Omdat God de wereld zo innig liefheeft.

Aan die God bevelen wij ons en onze wereld.
In Christus naam, amen.

Zondag 7 februari 2016, 10.00 uur
Zondag werelddiakonaat
Schoonhoven (De Hoeksteen)
Genesis 1: 26-31, Marcus 6: 34-44
Ds. Hanneke Ouwerkerk