Achter de stoomwals valt weer zaad

(Het tijdschrift Volzin kent een vaste rubriek, Dichterbij, waarin iemand wordt gevraagd naar zijn of haar favoriete gedicht. Naar aanleiding van het verschijnen van mijn boek over Karl Barth maakte journalist Bert van der Kruk – inderdaad, de broer van diaken Martin! – in augustus j.l. een kort interview met mij voor deze rubriek. Met zijn toestemming neem ik de tekst van het interview hier over. Frans-Willem Verbaas)

Lof van het onkruid

Godlof dat onkruid niet vergaat.
Het nestelt zich in spleet en steen,
breekt door beton en asfalt heen,
bevolkt de voegen van de straat.

Achter de stoomwals valt weer zaad:
de bereklauw grijpt om zich heen.
En waar een bom zijn trechter slaat
is straks de distel algemeen.

Als hebzucht alles heeft geslecht
straalt het klein hoefblad op de vaalt
en wordt door brandnetels vertaald:

‘gij die miljoenen hebt ontrecht:
 zij kòmen – uw berekening faalt.’
Het onkruid wint het laatst gevecht.

Ida Gerhardt (1907 – 1997)

“Ik begreep dit gedicht in één keer. Of misschien moet ik zeggen: ik had er meteen een interpretatie bij toen ik het voor het eerst las, aan het eind van mijn studie. Dit is een beeld van de opstanding. Dat is een centraal punt in het christelijk geloof, maar ook een gevoelig punt, niet uit te leggen. Sommige mensen haken erop af: dood is dood, opstanding kan niet. Maar in dit gedicht weet Ida Gerhardt opstanding op wonderlijke manier zo neer te zetten dat ik erin geloof. Ik word nooit overtuigd door argumenten in het geloof en probeer als predikant mensen nooit te overtuigingen waarom het goed zou
zijn om te geloven – dat vind ik een zwaktebod. Vreemd genoeg gebeurt bij lezing van dit gedicht zoiets wel met mij. Niet met argumenten, maar met beelden overtuigt de dichteres mij van de opstanding.

Ida Gerhardt zet provocerend in, en ook komisch vind ik. Ze draait het bekende – beetje cynische – gezegde om en prijst God dat onkruid niet vergaat. Ze kijkt de  wereld van beton en asfalt in het gezicht, maar weet dat die uiteindelijk het laatste gevecht verliest. Onkruid is iets wat wij niet willen in onze nette, georganiseerde samenleving, onkruid stoort. Maar het is goed dat wij gestoord worden, zegt Gerhardt. Sterker nog, die storing gaat het uiteindelijk winnen. Het onkruid breekt door beton en asfalt heen. Wat ogenschijnlijk onmogelijk is, gebeurt toch. Voor onze keurig geordende, rationele wereld is onkruid een negatief beeld. Maar voor de wereld van het geheim, het goddelijke, ligt dat anders. Wat in de wereld onkruid is, is in de ogen van God juist kruid. Wat de wereld veracht en vertrapt – het kleine, het zwakke – is in het Evangelie het hoogste.

Het mooie is dat Gerhardt geen aanloopje nodig heeft; ze begint direct bij God, Godlof. Daarmee is haar gedicht behoorlijk Barthiaans. Want dat hoort bij Karl Barth: die knal, pats boem, senkrecht von oben. In een van zijn boeken gebruikt hij het beeld van een duikplank: veel theologen staan daar maar op te wiebelen, durven niet te springen, moeten eerst nog dit uitleggen en dat verantwoorden voordat ze God erbij halen. Als ze niet oppassen, staan ze alleen nog maar op die duikplank en maken ze de sprong nooit. Jongens, meisjes, spring nou gewoon, zegt Barth, maak die geloofssprong. Hij is inmiddels een beetje vergeten figuur. Hij was, zeker voor huidige begrippen, erg breedsprakig. Hij stond heel kritisch tegenover beleving en ervaring, iets wat tegenwoordig erg in is. Barth zei: het feit dat iets goed voelt, wil nog niet zeggen dat het ook waar is. Terwijl veel mensen nu God in zichzelf zoeken, koos Barth een heel andere insteek: God is de stem die van de andere kant komt, der ganz Andere. Karl Barth is voor mij beslist niet het begin en het einde, hij is geen heilige, maar wel een zeer boeiende figuur die juist in deze tijd nuttige, kritische kanttekeningen kan plaatsen.”

Bert van der Kruk
(in gesprek met Frans Willem Verbaas)