Alleen als jullie vertrouwen hebben, houden jullie stand (Jesaja 7:9b)

Deze tekst heeft het over het ‘geloof’. Nu bestaat in de bijbel dat ‘geloof’ niet uit een soort religieuze belangstelling. Alsof het echt niet uitmaakt of je boeddhist of christen bent. Het idee, dat je in andere goden kunt geloven dan de God van Abraham, Izaak en Jakob, die de Vader van Jezus Christus is, is onmogelijk. De bijbel gebruikt in dat geval het woord ‘geloof’ eenvoudig niet. Er zijn goden en machten genoeg, maar je komt er vroeg of laat achter, dat het angstaanjagende demonen zijn, die niet te vertrouwen zijn en die je dus niet geloven kan. Want geloven heeft iets te maken met ‘vertrouwen’.

Zo heb je dan ineens een heel belangrijke ontdekking gedaan: geloven als ‘vertrouwen’. Uit het NT krijg je de indruk – wanneer je niet echt goed leest – dat ‘geloof’ betekent, dat je een leer aanvaart. Zeg maar: een aantal regels van Christus en zijn apostelen, die min of meer een afgesloten geheel vormen mbt. het christendom. Maar het geloof gaat in het NT niet op in de leerstelligheid, de stelligheid van de leer. Het NT heeft zijn wortels in het OT. Dat loopt rechtstreeks uit het OT weg, dat het evangelie vertelt van het geloof van de Romeinse centurio uit Kafarnaüm(Luc 7:9). En dat Jezus niet tegen een theoloog, maar tegen de zondares, die zijn voeten gezalfd heeft, zegt: Uw geloof heeft u behouden(Luc 7:50). Dat geloof was, dat ze Jezus vertrouwd hebben.

Ook in de OT tekst, die we vanochtend overdenken, gaat het om geloven als ‘vertrouwen’. De God van Israël is niet het Opperwezen, waarheen we vroeger wezen; het hoge geestelijk Wezen, waarvan we in onze wereld met zijn ruimtevaartvluchten vinden, dat die toch wel erg ver weg moet zijn. Nee, de God van Israël is zo dichtbij, dat Hij Abraham influistert dat die altijd op Hem rekenen kan. De God van Israël is zo dichtbij, dat Hij voor zijn volk in Egypte strijdt met de Farao en dat Hij het volk onder zijn hoede het land Kanaän laat binnentrekken. Dat land heeft Hij voor Zich en de zijnen gereserveerd.

Dit heeft Israël van het begin af en het Joodse volk tot op vandaag geweten: het mag partner zijn in de geschiedenis, die God laat gebeuren. In de geloofsbelijdenis van het volk Israël staat geen opsomming van Gods eigenschappen, maar van zijn bevrijdende daden. Zeker, God is eeuwig, ondoorgrondelijk, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig, volkomen wijs, rechtvaardig. Maar Israël wist vooral, dat God gezegd heeft: Ik ben uw God. En Israël heeft op deze Bondgenoot vertrouwd (en de Joden doen dat tot op vandaag nog ( in 5772). Rosh Hashanah (begin Joods jaar 5772: zonsopgang 28 September, 2011 – vallen vd nacht 30 September, 2011).

Lees meer…