Daar dringt het leven de dood terug

Aan het begin van onze evangelielezing zien we twee menigten van mensen. Die menigten zijn in beweging, maar in tegengestelde richting. Maar gaandeweg raken ze elkaar, kruisen ze elkaar.

Vers 11. Jezus ging naar een stad die Nain heet (9 km van Nazareth), en zijn leerlingen en een grote menigte gingen met hem mee.
Deze menigte is vol verwachting. Ze volgen Jezus al een tijdje. Ze horen hem spreken – wonderlijke woorden. Die raken. Die inspireren. Ze zien hem zieken genezen. Ze zien hoe hij hoeren en tollenaars tegemoet treedt en serieus neemt.  Ze ontdekken dat de ontmoeting met Jezus iets met mensen doet. Mensen die Jezus volgen leven op! De menigte die met Jezus de stad Nain intrekt…  is een stoet mensen vol leven en verwachting.

Deze menigte stuit in vers 12 op een rouwstoet. In de NBV wordt gesproken van een groot aantal mensen. Letterlijk staat er gewoon dat de rouwstoet bestaat uit een weduwe, de moeder van de overledene, en een menigte uit die stad die haar vergezelt. Nog een menigte dus, maar dit is wel een heel andere menigte. Een rouwstoet, die een jonge man  gaat begraven. Hij is de eniggeboren zoon van de weduwe.
De schrijver Frans Thomese schreef een klein boekje, Schaduwkind, over de dood van zijn dochtertje dat maar een paar maanden oud werd. Het bestaat uit heel korte hoofdstukjes. Een daarvan heet: Ontbrekend woord.

Een vrouw die haar man begraaft , wordt weduwe genoemd, een man die zonder zijn vrouw achterblijft, weduwnaar. Een kind zonder ouders is wees. Maar hoe heten vader en moeder van een gestorven kind?  Voor sommige vormen van verdriet zijn geen woorden. Een weduwe. Haar eniggeboren kind is dood. Wat heeft die vrouw nog van het leven te verwachten? Persoonlijk, emotioneel, maar ook sociaal en economisch had ze in die tijd niets meer van het leven te verwachten.

We zien twee menigten die zich in tegengestelde richting bewegen.  De menigte die Jezus volgt is op weg naar leven, toekomst. De menigte die de weduwe volgt is op weg naar een begraafplaats. Een plek waar niet zoveel  toekomst meer is. Er wordt luidkeels geklaagd. Denk aan de manier waarop we zien dat Syriërs hun slachtoffers in een doek gewikkeld en luid schreeuwend door de straten dragen en begraven. En dan kruisen ze elkaar, die twee menigten. Een confrontatie volgt. Een confrontatie tussen het leven en de dood. 

Lucas schildert ons in heel sobere woorden hoe de confrontatie plaatsvindt.
Toen de Heer de weduwe zag, werd hij door medelijden bewogen…
Dat is het eerste. Jezus ziet en heeft medelijden. Wij hebben een Heer die niet onverschillig is. En ook niet onverstoorbaar. Hij laat zich storen – door mensen. Lucas gebruikt dan een woord dat hij wel vaker gebruikt. Het heeft iets met ingewanden te maken heeft. Jezus ziet die vrouw, en haar verdriet, en hij krijgt er buikpijn van.
Toen de Heer haar zag, kreeg hij er buikpijn van, en hij zei: tegen haar: Huil maar niet meer. Hij kwam dichterbij en raakte de lijkbaar aan… 
Als wij de dood tegenkomen, of een rouwstoet, dan is onze natuurlijke neiging: wegbewegen. Wegkijken. In ieder geval niet aanraken. Het Oude Testament staat vol voorschriften waarin het zelfs verboden wordt om een dood lichaam aan te raken. Daar word je zelf onrein van. Jezus doet het toch. Hij raakte de lijkbaar aan. Dan maar onrein. En de dragers bleven stilstaan.
Wat Lucas ons dus laat zien is dit: Jezus kruist een rouwstoet. Hij raakt de rouwbaar aan. En dan komt die rouwstoet tot stilstand. Het rouwproces, de rouwprocessie wordt verstoord. En dan klinkt er een woord ten leven:
Jongeman, ik zeg je: sta op. De dode ging zitten…en begon te spreken
en Jezus gaf hem terug aan zijn moeder. 
Hier klinken trouwens letterlijk dezelfde woorden als in 1 Koningen 17:23, als de profeet Elia de zoon van de weduwe van Serafat uit de dood opwekt en aan zijn moeder teruggeeft. Alsof zowel Elia als Jezus nog meer de moeder wilden redden dan haar zoon.
En dit is dan het resultaat van de confrontatie van Jezus en de dood: de rouwprocessie wordt een feestprocessie. In plaats van een dode te begraven keert die menigte zich om, om het leven te gaan vieren.

We moeten toch even die vraag stellen: wat moeten we in hemelsnaam met zo’n opwekkingsverhaal? Elia en Elisa deden het: dode kinderen opwekken. Jezus doet het zelfs 3 keer: hij wekt het dode dochtertje van Jaïrus op, en de  dode Lazarus, en nu de zoon van een weduw uit Naïn. En Petrus en Paulus zullen het ook doen. Maar wat moeten wij ermee?

Toen die twee jongens, Ruben en Julian gevonden waren, een paar weken geleden, kwam er een of andere zelfbenoemde evangelist te voorschijn die zei dat hij ze wel weer levend kon bidden. ook als christenen willen wij niets van zo’n man weten. We krijgen buikpijn van zo’n vent.

Drie opmerkingen:
1.
Vanouds zeggen we dan in de kerk: God heeft ons geloof gegeven, maar ook ons verstand. In bijbelse tijden zijn er een paar uitzonderlijke profeten en apostelen opgestaan, onder wie Jezus zelf, en die hebben een handvol doden opgewekt, – maar dat waren toen al uitzonderingen! En laten we niet zo hoogmoedig zijn te denken dat wij dat t kunnen na-doen. Die bijbelse opwekkingswonderen zijn heel bijzondere tekenen van het Koninkrijk dat komen zal. Voorproefjes. Smaakmakers. Wegwijzers. Maar het zijn geen truuks die wij kunnen herhalen, als we maar hard genoeg ons best doen.
In onze evangelielezing zie we dat ook: dat het opwekkingswonder vooral een teken, een aanmoediging is om tot geloof te komen in Jezus als Heer over dood en leven. 
Allen werden vervuld van ontzag en loofden God met de woorden: Een groot profeet  is onder ons opgestaan, en: God heeft omgezien naar zijn volk! En het nieuws over Jezus verspreidde zich in heel Judea en in de wijde omgeving. ’
Zo heeft de kerk altijd enerzijds het wonder een wonder gelaten – maar anderzijds heeft de kerk geweigerd om haar verstand uit te schakelen en een al te onrealistisch en al te kinderachtig wondergeloof te omarmen . (Zoals die zelfbenoemde evangelist die die twee omgebrachte jongetjes wel eens even… )

2.
Maar wanneer we goed luisteren naar Lucas, is er toch nog wel wat meer te zeggen over deze opwekking van een jongeman. 
Wanneer we Lucas horen spreken over een moeder zonder man… dan denken we onwillekeurig even aan Maria, die moeder werd zonder man… En dan denken we ook aan het volk Israel dat door de profeten telkens wordt afgeschilderd als een ontrouwe vrouw die haar geliefde, de Heer,  telkens weer bedriegt door vreemd te gaan met andere goden. Met als resultaat dat zij eenzaam en zonder kind = zonder toekomst achterblijft. 
En bij die woorden: eniggeboren zoon… dan denken we aan Jezus Messias, Gods eniggeboren Zoon, die zal sterven aan het kruis, en die zal worden  weggedragen naar een graf. Zijn moedervolk zal hij eenzaam achterlaten… tenzij God zo machtig en genadig is om hem uit de dood terug te roepen en weer te verenigen met zijn moeder, dat wil zeggen met Israel. En aangezien Israel alle volkeren vertegenwoordigt: met de hele volkerenwereld. Met ons, dus. 
Wanneer we het verhaal zo lezen en beluisteren, dan is de opwekking van die jongeman uit Nain is eigenlijk een preview, een voorproefje van Pasen.  Een voorproefje dat ervoor zorgt dat wij alvast de smaak te pakken krijgen, en de moed erin houden, want soms duurt het wachten gewoon lang… 

3.
Maar genoeg verstandige exegese. Genoeg theologische verklaringen – hoe onmisbaar die ook zijn. Weet u, soms legt het leven zelf, soms legt de wereld zelf de bijbel uit. Soms begrijpen we de bijbel het beste door gewoon goed rond te kijken. Door goed de krant te lezen, goed televisie te kijken. Dan zien we opeens: kijk, daar gebeurt waar de Bijbel het ook over heeft. En dan begrijpen we opeens als vanzelf  waar het om gaat in het evangelie.

Die menigte die Jezus volgde. Die stoet vol leven, die die rouwmenigte  doorkruiste en tot stilstand bracht… die konden we van de week gewoon op de televisie. Een gemeentelid maakte er zelfs deel van uit. Die fietste mee. En andere gemeenteleden waren helemaal naar Frankrijk gereden om hem aan te moedigen.  
Afgelopen woensdag en donderdag konden we het op de televisie zien. Zo’n stijle, slingerende weg op de Alpe d’Huez, die voor de gelegenheid was omgedoopt tot Alpe d’HuZes. Besneeuwde bergtoppen rondom. Honderden Nederlanders fietsten die berg op en af zo vaak ze konden. (Onder hen Bert van der Heiden, in het Kontakt stond een  paar weken geleden een artikel over hem. Remke en Els zijn naar Frankrijk gereden om zoonlief aan te moedigen.)
Op de televisie zagen we een lange, slingerende menigte van fietsers (dik, dun, afgetraind, niet zo afgetraind) de berg op en afgaan. Ze lieten zich allemaal sponsoren om geld bijeen te brengen voor de strijd tegen kanker. De meesten mensen hadden eerder in een andere menigte meegereden. In een rouwstoet. Omdat ze een geliefde, een familielid, een vriend, vaak nog veel te jong, aan kanker hadden verloren. Daarom hadden ze ervoor gekozen om zich aan te sluiten bij een andere stoet. Bij een tegenbeweging. Bij een menigte die gaat voor het leven. Die in beweging die protesteert tegen de grote sloper die kanker heet. In de vaste overtuiging dat we instaat zijn om kanker steeds verder terug te dringen, en ooit, op een dag, tot staan te brengen. Een confrontatie was het, die Alpe d’Huzes. Een confrontatie tussen het leven en de dood.
Gebeurde daar een wonder?
Je kunt zeggen: nee hoor, er werd alleen maar heel veel gezweet en heel veel afgezien en heel veel gehuild en heel veel gelachen. 
Maar wanneer we goed naar Lucas hebben geluisterd, zeggen we iets anders. Dan zeggen we: als een menigte mensen gelooft dat ze samen op kunnen staan tegen zoiets vreselijks als kanker, daar gaat iets bijzonders gebeuren. Daar dringt het leven de dood terug. Vanuit de Bijbel (messiaans, evangelisch) spreken wij dan van een wonder-in-uitvoering.

Amen.

Ds. Frans-Willem Verbaas