Daar hebben we toch de gemeente of zo voor.

Met dominee Mosterd en tientallen andere mensen was ik op een doordeweekse middag in april te gast bij de burgerlijke gemeente Lopik. Mevrouw de Korte, wethouder van Lopik, had ons allemaal in het wijkcentrum uitgenodigd als vertegenwoordigers van organisaties, die zorg en ondersteuning leveren met behulp van vrijwilligers in haar gemeente. Nu, de christenen en de leden van de kerkgemeenschappen in Lopik kun je daaronder rekenen, net zoals de vrijwilligers van de Zonnebloem, het Rode Kruis en het Vluchtelingenwerk. Ze geven zorg en aandacht aan anderen in de nabije omgeving zonder dat ze daarvoor betaald krijgen of ertoe verplicht zijn. Ik voelde me als predikant van de protestantse gemeente te Willige Langerak dus wel op m’n plaats in deze bijeenkomst.

We luisterden vervolgens naar mevrouw Postma, werkzaam bij een adviesbureau sociale vraagstukken in de provincie Utrecht en tijdens deze middag onze lesgever. Zij legde ons uit dat de burgerlijke gemeente vandaag niet aan alle vraag naar individuele zorg en ondersteuning kon voldoen. En dat wij als burgers onmisbaar zijn voor de gemeentelijke overheid doordat we informele zorg aan anderen geven. Of misschien kan ik beter schrijven, dat mevrouw Postma vertelde, dat we niet verkeerd bezig zijn, als we ons eigen gezonde verstand gebruiken en als we gemeende belangstelling hebben voor mensen bij ons in de buurt, die het niet helemaal alleen redden. Het nieuwe in haar verhaal was, dat we over de aanpak van deze informele zorg wel goed moesten nadenken.

De belangrijkste vraag is: Hoe versterken we door onze zorg de eigen kracht van mensen ? Dat heet in het Engels empowerment, ‘in eigen kracht zetten’ en het woord wordt in de politiek en in de populaire psychologie tot vervelens toe gebruikt. Maar ik snap wel, wat ermee bedoeld wordt in verband met zorg. Het maakt nogal wat uit, of iemand die geen maaltijden thuis kan koken van een buurman hoort: “U kunt ook een kant-en-klare maaltijd aan huis laten bezorgen?” Of dat er gezegd wordt: “Wat vindt u ervan om in het Dienstencentrum te gaan eten ? Dan ontmoet u ook andere mensen.”

In onze zorg voor een ander kunnen we ons ook duidelijk richten op resultaat. Iemand zegt: “Ik weet het niet meer. Ik moet mijn huis uit. En hier is nog een doos met onbetaalde rekeningen.” Je kunt dan reageren met: “Hoe is dat nu allemaal gekomen ?” Maar het kan ook anders: “Oké dan. Eerst deze situatie onder controle krijgen en dan een plan maken voor de rest.” Dit en nog veel meer praktische aanwijzingen over hoe we konden werken, kregen we mee in het lesmateriaal aan het einde van de middag.

Ik moest wat wegslikken, toen ik in het lesmateriaal van mevrouw Postma een idee las dat de gemeentes een basisbedrag per wijk voor de informele zorg zouden moeten klaar leggen. En in achterstandswijken zou dit bedrag hoger moeten zijn, omdat we dan harder ons best moeten doen om er wat van te maken. Tenminste, als we informele zorg konden geven, gericht op het versterken van de eigen kracht van anderen en de sociale netwerken.

En als de gemeentes konden besparen op de kosten individuele ondersteuning van bepaalde burgers. Maar het lijkt me geen echt goed idee. Waarom zouden we bij de informele zorg niet gewoon doen wat we kunnen en daarop trots zijn, omdat we onze beste krachten gegeven hebben ? Ik weet ook wel, dat alleen de zon iedere dag gratis en voor niks opgaat. En dat het billijk is, om gemaakte onkosten vergoed te krijgen. Maar als de gemeentelijke overheid ons goede burgerwaarden wil bijbrengen, dan leert ze ons ook dat we ons kunnen inzetten voor anderen, zonder dat we een beloning ervoor terug verwachten. Maar goed – op dit puntje na, was het een heel informatieve bijeenkomst, daar in het wijkcentrum
van Lopik.

ds Chris Koole