Dan volgt de ontmoeting

In het evangelie van Lucas reist Jezus eenmaal kort naar het buitenland. In Lucas 8 vaart Jezus naar de overzijde van het Meer van Tiberias, naar het land van de Gerasenen. Buitenlands gebied is dat. Dus, voor Israëlieten: een heidense en onreine streek. Toen Jezus aan land stapte, kwam hem vanuit de stad een man tegemoet die door demonen bezeten was. Deze man droeg al geruime tijd geen kleren meer en woonde niet in een huis maar in de rotsgraven. Dus: op ene onrein stuk land (begraafplaats) in een onrein gebied komt er een man op Jezus af die bezeten is door een onreine geest.  En vlak in de buurt loopt ook nog eens een kudde onreine varkens te grazen.

Die man woont op een begraafplaats. Blijkbaar kan hij het niet meer vinden  in het land der  levenden. alsof hij al met één been in het graf staat. Lucas beschrijft hem als volg: Hij was al een heel lang bezeten door een onreine geest. De mensen probeerden hem wel voor zijn eigen veiligheid vast te binden aan handen en voeten, maar telkens trok hij de boeien kapot en werd hij door de demon naar eenzame plaatsen gedreven. Hij laat zich door niets en niemand binden. Niet door boeien, niet door dwang of geweld. Niet door familiebanden. Niet door conventies. Zo iemand die is opgegeven door alle hulpinstanties. De samenleving staat soms gewoon machteloos. (Ik was van de week twee keer in Utrecht, en beide keren zag ik dezelfde zwerver rondlopen: verwilderd, vervuild, rondlopend met een verdwaasde blik. Wat kun je doen? ) In zekere zin is die man op de begraafplaats volledig ongebonden. De man beschikt over de ultieme vrijheid, net als die zwerver. (Voor hem is maandag geen stofzuigdag, als bij ons.) Maar het is een vrijheid die ook gek maakt. Die gekte ligt vaak dichterbij dan we denken. De bekende roman Tirza van Arnon Grunberg gaat over een keurige man die op een dag zijn baan kwijtraakt en dat thuis niet durft te zeggen. Iedere dag van huis gaat met zijn koffertje, dagen rondhangt op Schiphol, en uiteindelijk zo doordraait dat hij zijn dochter vermoordt. Absurd. Maar het gebeurt. De grens tussen gek en normaal is vaak maar een stippellijn.

Dan volgt de ontmoeting. Het beslissende moment in het evangelie is bijna altijd: een ontmoeting die alles verandert.  Zodra de man Jezus ziet, stort hij in:  Hij viel schreeuwend neer en liep luidkeels: Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de hoogste God. De man is echt een vat vol tegenstrijdigheden. Hij weert Jezus af  – en belijdt hem tegelijk als zoon van de hoogste God. Hij duwt weg en tegelijk zoekt hij toenadering. We voelen de innerlijke spanning en strijd in die man. Alsof hij tegelijk wel en niet genezen en bevrijd wil worden. Ook dat zien we om ons heen gebeuren: dat mensen zozeer vergroeid zijn geraakt met hun problemen dat ze zich tegelijk heftig verzetten tegen en vastklampen aan hun eenzaamheid, of hun verslaving, of hun depressiviteit, of hun status als hulpbehoevende patiënt of slachtoffer. Gek is dat, maar het gebeurt.

Jezus draaide er niet om heen, kwam direct tot de kern van de zaak en vroeg: Hoe heet je? Dat is nu beetje slap vertaald. Er staat letterlijk: Wat is je naam? Je naam in de bijbel: dat is je identiteit. Dat is je roeping. Dat is wie je werkelijk bent. Wat is je naam? Wie ben je nu werkelijk? Het zal je maar gevraagd worden. De man antwoordde: Legioen – er woonden namelijk vele demonen in hem. Er zitten iets teveel stemmen in zijn hoofd.  Ook daar hoef je trouwens niet officieel gestoord voor te zijn, om een heel koor van innerlijke stemmen in je hoofd te hebben. De stem van je van je ouders. De stem van je vrienden. De stem van je verstand. De stem van je gevoel. De stem van je beroepsmatige ik. De stem van je collega’s. De stem van de laatste mode, van de talkshows. De stem van het kind in jezelf – meestal diep weggestopt. De stem van je ambitie. De stem van de liefde. De stem van God. Soms ook het sissende stemmetje van de duivel. Al die stemmen, door elkaar heen – daar worden we allemaal wel eens  horendol van!      Die naam, Legioen, is trouwens een Romeinse militaire term. Dus op zich al een onrein woord, een onreine naam. Een legioen was een legereenheid van 6000 soldaten. Een van die Romeinse legioenen hield in de dagen van Jezus Israël bezet. In zekere zin was Israel ook zelf bezeten door onreine machten… Het gaat in die ene man om vele, vele bezeten mensen. Zijn naam is Legioen, hij barst van de onreine stemmen. En dan is het vreemd: zodra de kwaal is benoemd, zodra de bezettingsmacht niet meer anoniem is maar een naam heeft, aanwijsbaar is… bespreekbaar… aanspreekbaar… lijkt de genezing al ingezet. De demonen smeekten Jezus om hen niet te bevelen naar de onderwereld te gaan. (Ze willen leven, net als wij!) Op de berghelling liep op dat ogenblik een kudde varkens te grazen, en de demonen smeekten Jezus om hun toe te staan hun intrek in de varkens te nemen. Hij stond hun dat toe. Toen ze uit de man waren weggegaan, trokken ze in de varkens, waarop de kudde de steile heling afstormde, het meer in, en verdronk.

De schrijver Maarten ’t Hart mag graag zijn scherpe pijlen richten op de bijbel en het geloof. In een van zijn kritische stukken spreekt hij er schande van dat in het Nieuwe Testament zomaar een kudde onschuldige zwijnen wordt opgeofferd voor het welzijn van een gestoorde man. Het evangelie is dieronvriendelijk, volgens bioloog en ex-gereformeerde ’t Hart. Bovendien zijn varkens heel intelligente leuke dieren, voegt hij er nog aan toe. Maarten ‘t Hart mag zich zo graag blindstaren op de buitenkant van een bijbelverhaal. Maar het gaat natuurlijk om de binnenkant, er zit een diepe bijbelse symboliek in die scene waarin een aantal demonen in een kudde  varkens trekt om vervolgens ten onder te gaan in het water.

Varkens gelden, tot op de dag van vandaag, voor joden als onreine dieren. Voor moslims trouwens ook. Dus wat er gebeurt is: soort zoekt soort. Voor de onreine geesten die in de varkens trekken geldt: eindelijk thuis. En vervolgens maakt het evangelie duidelijk hoe destructief, zelfdestructief die onreine geesten zijn als ze ergens thuis zijn en totaal de vrije hand krijgen. Ook dat mogen wij ons ook zelf aantrekken. Er zijn legio geesten en stemmen en sferen die op zichzelf helemaal niet slecht of onrein zijn: geld, of seks, succes, macht, ambitie. Zolang wij ze maar ‘hebben’ Maar zodra het omdraait en geld of seks of ambitie of macht ons ‘hebben’, bezitten, of zelfs totaal de vrije hand krijgen, dan gaat het dus echt mis. Zoals het geval was bij die Diederik Stapel, die psychologieprofessor die maar onderzoeken bleef verzinnen om te kunnen scoren, Dan gaat onze ziel eraan. Dan raken we onszelf kwijt. Dan richten we onszelf te gronde. Zie die kudde zwijnen maar springen.

Ondertussen loopt op het droge, op het land, een bevrijd mens rond. Jezus heeft hem herschapen, heeft zijn orde hersteld. In die ene mens, in die ene Adam (laten we hem zo maar noemen) (een buitenlander, ook dat nog) is de schepping hersteld. Gered. Wat een ontmoeting met Jezus teweeg kan brengen.

Goed. Er wordt natuurlijk druk getwitterd door de boze varkenshoeders, waarschijnlijk waren dat van die ex-gereformeerden net als Maarten t’ Hart, die hun kudde kwijt zijn. Iedereen komt kijken: sensatiezoekers en ramptoeristen.  Beste begrijpelijk. En dan zien ze de man die ze al die jaren kenden als de dorpsgek zitten: gekleed, bij zijn volle verstand, naast Jezus. Ze vertellen het door. Ze vertellen, staat er, van de redding, de sooteria, het heil dat ze gezien hebben!  Ongewild worden ze allemaal evangelisten, daar in het land van de Gerasenen.

De camera zoemt nog eenmaal in op die ene man die Jezus heeft genezen. Die man drong er bij Jezus op bij hem te mogen blijven. Maar Jezus stuurde hem weg met de woorden: Ga terug naar huis en vertel alles wat God voor jou heeft gedaan. Die man moet weer naar huis. Genezen worden, gered worden, herschapen worden, heeft in de bijbel heeft ontzettend vaak te maken met: weer thuis komen bij God, maar ook bij jezelf en bij je eigen familie, bij je eigen kerk, je eigen omgeving. Ophouden met zwerven en zoeken.   Die man moet maar blijven waar hij hoort: buiten Israel, in heidens gebied, om juist dáár te vertellen wat God van Israël voor hem heeft gedaan.  En tenslotte lezen we: De man ging weg en maakte overal in de stad bekend (hij verkondigde!) wat Jezus voor hem had gedaan.  Jezus zegt: Ga vertellen wat God voor je heeft gedaan. Hij gaat vertellen wat Jezus voor hem heeft gedaan. God en Jezus – dat is hetzelfde voor die man. En voor ons ook, zeggen wij in de kerk.

Die man had een groot voordeel als verkondiger van het evangelie. Al voordat hij één woord had gezegd, zagen de mensen al aan hem wat er met hem was gebeurd. Ze kenden de mens die hij was geweest, ze zagen de mens die hij geworden was: een werkelijk vrij, bevrijd mens. Is dat niet het sterkste en meest geloofwaardige getuigenis dat ook wij kunnen geven, als mens, als christen, als diaken, als ouderling, als pastoraal medewerker: dat we in onze levenshouding, in ons gewone doen en laten, uitstralen dat we Christus hebben ontmoet, dat we geraakt zijn en bevrijd door zijn liefde?

Amen.

Ds. Frans-Willem Verbaas

(Ik kwam trouwens nog een uitleg tegen van die varkens. In het boek Leviticus (16: 20-22) wordt verteld hoe de hogepriester eenmaal per jaar, op Grote Verzoendag, in een symbolisch gebaar alle zonden van het volk op een bok legt, en die bok (de zondebok!) wordt vervolgens de woestijn ingestuurd. Gebied van de dood. Weg ermee. Nu zien we hoe Jezus alle onreine geesten van die ene man op een kudde zwijnen legt en hoe die kudde vervolgens zichzelf de zee injaagt. Ook de zee geldt in de Bijbel als gebied van chaos en dood. )