Dat Hij ons zal onderrichten

Mintijteer

‘Ik wil bidden.’, zegt Esther op een dag tijdens de afwas. ‘Ik ook’, antwoordt haar zusje Steffi. En broertje Johannes sluit zich aan.

Waar?
Op de vliering.
Het is koud.

De drie kinderen zitten op een krukje, of een oud ingezakt matras. Te zwijgen. Een drang om te bidden, maar geen woorden om er taal aan te geven. Tot Esther begint en mompelt: In de naam van de Vader… De anderen vallen bij. Zo begint hun kinderlijk gebed. Dat vooral bestaat uit zwijgen.

Tot het zwijgen omkeert in stilte.

Een stilte waarin ze God horen. En ze eindelijk durven zeggen wat op hun hart ligt.

Jezus, maakt U papa alstublieft weer beter.

(Uit: Mintijteer, Esther Maria Magnis)

Esther Maria Magnis vertelt hierover in haar persoonlijke boek ‘Mintijteer’. Over de drang tot bidden. Avond aan avond baden de kinderen voor hun vader.

Zij hadden bidden geleerd. Hoorden, zagen hoe papa en mama gebeden uitspraken. En de kinderen deden het hen weer na. Wat een zegen als je bidden leert. Niet zozeer in woorden, in volzinnen of mooie taal. Maar als die innerlijke drang die je bemerkt, dat je niet anders kunt. Je moet wel bidden, zo vertelt Esther.

Wat leer je je kind

Wat leer je aan je kinderen? Noah en Thom zijn nog klein. Maar toch, wat leren wij onze kinderen? Wat krijgen ze mee vanaf hun jonge jaren, waarmee ze hun leven ingaan? Probeer je ze op te voeden tot een zelfbewuste, sterke persoonlijkheid, of tot een lief, zorgzaam mens. Tot een weerbaar, assertief kind.

Opvoedtrainingen zijn er volop. Blijkbaar is opvoeden niet meer iets wat je overneemt, wat van generatie op generatie overgaat, maar zoeken we in deze tijd naar nieuwe vormen, andere methodes. Op Facebook zie ik hoeveel er wordt geschreven over opvoeding, door psychologen, coaches, mensen met kennis van zaken. Zelf ga ik vaak te rade bij een oudere zus, of bij een vriendin.

Ik denk dat wij ons er wel van bewust zijn hoezeer onze kinderen gevormd worden door de keuzes die je maakt. En tegelijk, veel hangt ook af van de omgeving waar je opgroeit, het karakter van je kind, de omstandigheden in het gezin. 

Het valt mij op dat kinderen heel serieus worden genomen, soms bijna als volwassenen worden aangesproken op hun gedrag, op de consequenties daarvan. We verwachten misschien wel erg veel van ze. Oudere mensen hoor ik ook vaak zeggen dat ze jonge kinderen zo wijs vinden, zo bijdehand voor hun leeftijd.

Iemand vertelde mij pas dat ze in hun kerkelijke gemeente een opvoed kring hebben, waar jong en oud samen zit. En hoe goed en leerzaam dat is, zei hij. Het relativeert de dingen waar jonge ouders zich heel druk om maken. En het helpt om te onderscheiden wat wezenlijke dingen zijn, waar je opmerkzaam moet zijn.

Zo hoor ik diezelfde oudere mensen zeggen, vaak vaders, ik heb wel erg veel gewerkt. Had ik maar meer tijd doorgebracht met mijn gezin. Het is mooi als je zo met elkaar onderweg kunt zijn in het leven, van elkaar leert.

En het is goed ook als je je ervan bewust bent, bij hoeveel ouders de droom in de kiem gesmoord is. Niet elk kind kan even goed meekomen. Niet elk kind groeit op tot een zelfstandig volwassen mens. Omdat een leven wordt afgebroken, of een kind verstandelijk, of lichamelijk, niet mee kan komen met de rest. Of hele andere wegen gaat dan je als ouders hebt bedacht.

Nog even terug naar dat leren. Een kernwoord uit Jesaja 2. Leren, onderricht krijgen. Esther leerde bidden van haar ouders. En toen het er op aan kwam, wist zij ook hoe ze dat kon doen. Ze wist de weg naar God te vinden. Maar juist zij kwam in een hevige geloofscrisis. Haar vader overleed, terwijl zij, een 17jarig meisje, er vast van overtuigd was dat haar gebeden verhoord zouden worden.

Het werd ijzingwekkend stil. Er werd weinig meer gebeden. Maar in die lege stilte, zonder God, die jaren duurde, kwam zij God weer op het spoor. En Hij haar. Aan het bed van haar grootmoeder, terwijl ze samen een lied zongen. Zij begreep Hem niet. Hij is wreed, schrijft ze. Maar Hij is ook goed. Hij is onbegrijpelijk, maar ook liefde.

Dat Hij ons zal onderrichten

En wij zeggen tegen elkaar: Ga mee, klim op naar de berg van God, naar het huis van de God van Jakob! Dat Hij ons zal leren hoe wij leven met Hem. (naar Jesaja 2: 3)

Dat Híj ons zal onderrichten, zal leren, aangaande zijn wegen. Vandaag zijn wij hier, zijn jullie hier, doopouders, om je te voegen naar de Heer en op zijn wegen te gaan. Om op te klimmen tot God, zoals Jesaja zegt. Dat herken je denk ik wel. Ergens gaat het boven je macht. Geloof in God, leven met Hem. Alsof je moet uitstrekken, opklimmen om nabij God te zijn. Jullie vertelden daar ook iets over, hoe je geloofsweg gaat, van zoeken en vinden en blijven vragen. En misschien herken je ook wel iets van Esther, van de stilte en de verbijstering, om de dood van een mens die je lief is.

In Christus naam gedoopt, is meer dan een familiefeestje, dan een vrolijke viering van het leven. Heel je leven geef je over in de handen van God. Mij geschiede naar uw woord, in de woorden van Maria. Hoe kan een mens dat zeggen? En toch, steeds opnieuw zeggen jonge en oude mensen het: ik wil gedoopt worden. Mijn kind moet worden gedoopt. Zonder God is er geen leven. Maar dat het onrust brengt, en tweestrijd, daar kun je denk ik niet omheen. Want leven met God, is luisteren naar Hem. En je op zijn wegen laten zetten.

Dat Hij ons zal onderrichten, zal leren. Daarom ben je hier! Maar het heeft hoe dan ook iets in zich van een pelgrimstocht. Van opklimmen. De tempel lag op de berg Sion, een kleine berg, stelde niet veel voor, heuvelachtig bijna. Maar machtig door de Heer die daar woont. En zich ontmoeten laat. Hij is aan te spreken, je kunt tot Hem bidden, zijn naam noemen.

Zo zijn wij stap voor stap onderweg, en staan we ook steeds weer stil. Om te luisteren. Te wachten op een woord van de Heer, waarmee je verder kunt.

Zoals Esther met haar zusje en broertje in zwijgen verviel. En stil werd. Heel lang stil. Tot in die stilte een ‘Ja’ klonk. Zij hoorde het als een ‘Ja’ van God. Een bevestiging van zijn nabijheid. Ik zal er zijn.

Van God willen wij leren, over Zijn weg met mensen.

En dan te bedenken dat dit lied dat Jesaja zingt, het is bijna poezie, dichtregels die klinken in een kale woestenij, het klinkt voor een volk dat er geen oren naar heeft. De voortdurende oorlogsdreiging vanuit Egypte, Iran en Irak, maakt de kleine landjes zoals Israel en Juda bang en onzeker. De koningen doen er alles aan om hun hachie veilig te stellen. Met het grootste gemak verkopen ze hun ziel aan Egypte, of aan Assyrie, of welk land hen ook maar vrede en veiligheid belooft.

En ondertussen wordt de samenleving tot een survival of the fittest. Het recht van de sterkste, van wie zich goed kan aanpassen, dát recht geldt. En God is er moe van geworden. Doodvermoeid. En woedend om het onrecht. Om wat stukgaat.

En dan zegt Jesaja: God baant een ander pad. Hij leert ons een nieuwe weg te gaan.

Niemand zit er op te wachten. Geen idee of mensen wel hoorden wat Jesaja. Of ze zich er ook maar iets aan gelegen laten liggen. Maar blijkbaar maakt het niet uit. Want het komt niet op uit een mensenhart. Maar het komt van God.

Vanuit Sion gaat onderricht uit, vertelt Jesaja. Vanuit Jeruzalem klinkt het spreken van God. 

Jeruzalem is het centrum, het hart van de dienst aan God. Daar staat de tempel, daar woont de Heer. En juist deze week wordt dat weer zo zichtbaar. Hoe die stad, Jeruzalem, al eeuwenlang een bron van verdeeldheid en strijd is. De plek waar het zwaard en de ploegschaar samen opgaan. Waar wordt afgebroken en vernietigd, waar wordt opgebouwd en gehoopt.

Afgelopen week verklaarde de Amerikaanse president de stad Jeruzalem tot hoofdstad van Israel. Olie op het vuur, zegt de een. Erkenning van wat waar is, zegt een ander. En wat ik vooral hoor is hoe nodig een profetenwoord is zoals Jesaja dat spreekt. Laat al die strijd niet ook iets zien van een diep verlangen naar vrede en naar eenheid? En dat dat juist vanuit Jeruzalem verwacht wordt? Is die stad niet ook een symbool van ons wachten op God? Dat Hij aan ons verschijnt.

En nu stromen mensen toe, al zo lang, stromen vele vele mensen uit alle werelddelen toe naar deze stad, om daar iets te vinden van God. In de Heilige Grafkerk, bij de graftuin, op de Olijfberg. O God, wij wachten op U. Wij hopen op U.

Vanuit Jeruzalem gaat een woord van God uit. Het is het Woord dat botten kreeg, waar huid overheen kwam, en een kloppend hart in ontstond. Het is Christus, kind van Bethlehem. Zoon van God en Zoon van mensen. Hij is het spreken van God dat uitgaat vanuit Jeruzalem. Die stad die iets verbeeldt van de woonplaats van God, de hemel. Het aardse Jeruzalem onderstreept dat God de aarde niet schuwt. Vanuit de hemel spreekt Hij een woord, geeft Hij zichzelf.

Wat God ons leert, is Jezus Christus. De ware mens. In Hem zien wij God zelf.

Dat opklimmen van ons, dat is ook maar relatief. Want veel eerder is het God die naar ons toe komt. Vanuit Jeruzalem, vanuit de hemel, spreekt Hij ons aan. Schenkt Hij ons Zijn Zoon. God blijkt een raakbare God te zijn. Hij is aan te raken, heeft een lichaam gekregen. En Hij woont zelf onder ons. In het water van de doop. In zijn gemeente, die we lichaam van Christus noemen, waar vandaag een nieuwe gemeentelid aan wordt toegevoegd, kleine Noah.

Zo brengt Jesaja ons op adem, in deze tijd van Advent. Advent is een adempauze in de onrust van het leven. Met Jesaja zingen wij mee van God die leeft en spreekt. Wij wachten op U, o God, leer ons uw wegen te gaan.

Jesaja 2: 1-5
Zondag 10 december 2017, 10.00 uur
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk