De oude maar altijd weer nieuwe Bijbel

Aan het eind van de zomer is er opnieuw een groep gemeenteleden gestart met het lezen van de hele Bijbel, van de eerste tot en met de laatste bladzijde. Waarom? Omdat de Bijbel de belangrijkste bron is van ons geloof, en dan moet je als volwassen gelovige dat boek eigenlijk toch eens helemaal gelezen hebben. In de kerk, op school en thuis komen de belangrijkste Bijbelgedeelten regelmatig voorbij, maar veel stukken worden vaak overgeslagen. Omdat ze moeilijk zijn, of vreemd, of weerbarstig, of niet meer zo passen bij ons moderne geloofsbeleving. Bij het lezen van de hele Bijbel komen we die vergeten stukken weer tegen. Soms leren ze ons iets. Soms zetten we ze hoofdschuddend terug in de kast. En soms krijgen juist de lastigste stukken een nieuwe betekenis, omdat we ze lezen in het grote verband van de hele Bijbel. Ik wil daarvan twee voorbeelden geven.

Een van de zaken die opvalt bij het lezen van het Oude Testament, is dat er zo verschrikkelijk veel dieren geofferd worden. Inderdaad: verschrikkelijk veel. Zolang de tempel in Jeruzalem bestond, stond de tempelcultus centraal in de godsdienst van Israël. In die cultus speelde het offeren van geiten, schapen en runderen een belangrijke rol. Via het bloed van die dieren werd verzoening tot stand gebracht tussen God en zijn volk. Maar af en toe word je als lezer helemaal wee bij de stromen bloed die alsmaar vloeien. Dan is het opeens een enorme opluchting om het evangelie te lezen, waarin nauwelijks offerbloed vloeit. Nu ja, éénmaal vloeit nog bloed, het bloed van het lam Gods, het bloed van Christus. Maar dan is het ook goed voorbij. Daarna hoeft er niet meer worden geofferd, geen dieren en geen mensen, want het definitieve offer is door God zelf gebracht. Voor eens en altijd is er verzoening tot stand gebracht. Ik ben nooit zo’n liefhebber geweest van het bezingen van het bloed van Christus, en dat zal ik waarschijnlijk ook nooit worden. Maar ik heb wel ontdekt: wie eerst maandenlang door het Oude Testament kruipt, hoort in het evangelie van het verzoenende bloed van Christus een ongelooflijk bevrijdende klank. Heerlijk, halleluja, het is volbracht, eindelijk zijn we bevrijd van die bloedrode stroom!

Nog iets wat me opviel bij het lezen van de hele Bijbel. Het Oude Testament heeft een hele realistische mensvisie. Die mensvisie komt ongeveer hier op neer: de mens is tot heel veel goeds in staat, maar uiteindelijk draait het er altijd weer op uit dat de ‘kroon van de schepping’ God en zijn medemens in de steek laat. Bladzijde na bladzijde krijgt de lezer dat te horen, onderden bladzijden lang. Een realistische maar ook moedeloos stemmende mensvisie is dat. En je realiseert je: in feite is de morele en godsdienstige crisis de normale zijnstoestand van ons mensen. Aan het eind van het Oude Testament snak je dan werkelijk naar een uitweg, een ontsnapping, snak je naar … een wonder. En dan begrijp je waarom het Nieuwe Testament begint met een wonder ‘uit de hemel’, met een meisje dat zwanger wordt uit de Heilige Geest, met een kind in wie God en mens éénworden als nooit tevoren. Met andere woorden: juist wie eerst dat door en door realistische Oude Testament heeft gelezen, is ntvankelijk voor de noodzaak van het hemelse ingrijpen waarvan het Nieuwe Testament getuigt.

Toen ik de eerste maal de Bijbel met een groep gemeenteleden begon te lezen vanaf Genesis 1:1, verwachtte ik niet dat het Oude Testament zo’n fascinerend maar ook zo’n taai en weerbarstig boek zou zijn. Maar toen ik na het lezen van het Oude Testament bij het Nieuwe uitkwam, klonk het evangelie, hoe door en door bekend ook, als ongelooflijk nieuw in mijn oren. En ongelooflijk verfrissend. Maar voor die herontdekking van het Nieuwe Testament had ik dus wel het Oude nodig. Wonderlijk! Ja, hoe beter je de Bijbel kent, hoe wonderlijker dat aloude maar steeds weer nieuwe boek wordt.

Ds. Frans Willem Verbaas