De priester Ezechiël wordt profeet

Een priester had een vastomlijnd bestaan. Vast werk in de tempel van Jeruzalem, het centrum van het godsdienstige leven. Heel zijn werk was nauwkeurig omschreven in de Thora! Met uitstekende arbeidsvoorwaarden. Comfort zone. Dan: ballingschap. De joodse ballingen zijn in de indrukwekkende Babylonische cultuur niet meer dan een groepje allochtonen. En Ezechiel moet een carrièreswitch maken: de priester wordt eerst boer, dan profeet. Een zeker bestaan wordt een onzeker bestaan.
Het lijkt wat op onze kerkelijke situatie. Eeuwenlang was de kerk in Europa een instituut. Een machtig instituut waar niemand omheen kon. Wilde je een bestaan met zekerheid, dan ging je in de kerk werken, als priester, of je kocht jezelf in in een klooster.

Maar nu, anno 2012: het insitituut kerk is meer en meer in de marge van de samenleving geraakt. Geloof en religie en spiritualiteit is er genoeg. Maar als christenen vormen we zo langzamerhand een minderheidscultuur Kijk naar de grote steden, de vinexwijken. De kerksluitingen! Alsof de kerk in ballingschap is in het eigen land. Ver voorbij de comfort-zone zijn we. De kerk wordt steeds minder priesterlijk, steeds minder een eerbiedwaardig instituut , meer een zoekende, een profetische beweging…

Als de balling Ezechiël het moeilijk heeft, – maakt hij hetzelfde mee wat ook de vluchtende Mozes in de woestijn meemaakte, en de ziener Johannes op zijn eiland Patsmos. Als Mozes en Ezechiel en Johannes van Patmos het moeilijk hebben, dan krijgen ze een visioen, met vuur en licht en onweer en on-aardse taferelen. Dan ervaren ze dat de Almachtige God daar is waar men hem het allerminste verwacht. Dan ervaren ze dat de Almachtige nog altijd troont boven zijn schepping en regeert.

Wat dat is wat Ezechiël in zijn visioen vooral ziet: de stormwind en het vuur zijn tekenen van de grootheid van God. En die vier wezens, met elk vier gezichten en vier vleugels – zij vertegenwoordigen de hemelse hofhouding rondom de Almachtige. Hun gezichten leken van voren op het gezicht van een mens, en van rechts op de muil van een leeuw, en van links op de kop van een stier, en van achteren op de bek van een adelaar. Met zijn vieren beslaan zij alle windrichtingen, overzien zij heel de schepping

lees meer…