De tranen van Jezus

Dit huis, De Hoeksteen, is een huis van God. Een huis van gebed, van geloof. Het is ook een huis van tranen. Wat wordt er veel gehuild in dit huis. Als er een steentje in de gedenkschaal wordt bijgelegd. Als de naam klinkt van een broeder of zuster die, soms heel plotseling, overleed. Om een lied, dat je zo vertrouwd is, en zo dierbaar. Een woord, dat je raakt. Om je leven, het goede, het mooie, of met rafels en scheuren.

Je merkt het misschien wel aan de tranen, dat er een verbondenheid is onder ons, die je niet altijd voelt, misschien, maar wel weet. En soms heel sterk ervaart.
De zondag na het plotselinge overlijden van een oud en vertrouwd gemeentelid.
Bij een begrafenis, waar we gezamenlijk treuren om de dood van iemand uit ons midden.
Of door de week bij een open kerk, bijeen in ontzetting.

Dit is een huis van tranen.

Vandaag heel zichtbaar. We zijn hier samen, als gemeente, als familie. Ik denk dat we bijna allemaal bij een graf gestaan hebben, in het afgelopen jaar. Veel van ons komen er regelmatig, op de begraafplaats, of bij een herdenkingsplek.

Schaam je niet, voor je tranen. Het is een taal die we allemaal spreken, de taal van de tranen. We huilen om de dood. Om elkaar. Om je opa, je vriend, om je kind, je vader, je broer.

Het is de taal die Jezus spreekt. En midden in dit huis van tranen, is Hij, Jezus Christus. Hij die de Levende is, (Ik ben het Leven, zegt Hij), Hij die de Levende is, Hij huilt om de dood. Hij staat bij het graf van zijn vriend, Lazarus. En diep van binnen wordt Hij uit elkaar getrokken, in hem trekt een kracht zijn ziel open. In tranen breekt Hij uit. Om Marta, die stuk gaat van verdriet. Om Maria, die zo verlangt naar zijn nabijheid. Om Lazarus, in de doodsheid van het graf.

Jezus huilt. En zijn huilen is meer dan een verdriet. Het is alsof alles in Hem in beweging komt, door elkaar geschud wordt Hij. Heen en weer geslingerd. Er woedt een woede in Hem, bijna alsof Hij getergd wordt. Getergd door de macht van de dood.
En misschien, misschien herken je er wel iets van. Dat je daar staat, op die koude grond, bij die koude stenen en je voelt de macht van de dood. De kracht van de dood die je kind van je afnam, je man, je liefste. De dood is een vijand, zegt Paulus. De dood is een vijand die tekeergaat en stuk maakt. Een slag in je gezicht.
Dat is de pijn die Jezus in tranen doet uitbreken.

Het zijn de tranen die Hij huilt als Hij dichtbij zijn eigen dood is. Hij is doodsbang. Doodsbang om wat komen gaat. O God laat het aan mij voorgaan. Maar het gaat niet aan Hem voorbij. Het is de diepe droefheid om het leven dat bedreigd wordt.

En terwijl Hij huilt, zegt de een: wat huilt die man? Hij opende de ogen van blinden, kan Hij niet een dode uit het graf opwekken? Terwijl Hij huilt, zegt Marta, waarom was je er niet? Als U er was Heer, dan was Lazarus niet dood geweest.

Je voelt die spanning wel, denk ik. En die vragen, die zomaar in je eigen hart klinken.

Jongens en meiden, je bent hier vandaag. De dood heeft diep ingegrepen in jullie leven. (…)

Misschien snap je Maria wel, met haar vraag aan Jezus. Als U er was geweest, dan leefde hij nog! Misschien snap je Jezus zelf wel, met zijn woede om de dood. En merk je dat er zoveel in je hart ligt, dat je er onrustig van bent, en bang, misschien. En soms zo verdrietig. Je merkt dat ook aan mij wel, denk ik.

Schaam je daar niet voor. Jezus kent het zelf, Hij is menselijker dan je vaak denkt. Vertel het als je bidt, of zeg het eens tegen je vader of moeder.
Schrik er niet teveel van, als je kind hiermee worstelt. Misschien kun je iets laten zien van je eigen pijn, je eigen verdriet. Kun je samen huilen?

In de tranen van Jezus is zichtbaar hoe God in ons midden is. Juist in de tranen van Jezus. Ik zoek het vaak in de kracht, in het geluk, in het nieuwe. Maar in de tranen van Jezus is God onder ons. Misschien heb je het gemerkt, in de afgelopen tijd. Iets van die aanwezigheid van God. In de kracht die je kreeg, of in de moed. Of veel meer in de tranen? Van je kind, je moeder, je geliefde. Of in je eigen tranen. Ergens daar door heen loopt iets van God, en van zijn bewogenheid, en van het gebroken hart van Jezus.

Ik heb het gemerkt, hier in dit huis, soms bij het graf, en in de gedeelde tranen met jullie, een verdrietige omhelzing met een troostend woord. Hoe God in ons midden was, en is.

Laten onze tranen elkaar herinneren aan God, die ons zijn huilende zoon gegeven heeft. Als een taal die je met elkaar spreekt, zonder woorden, maar met de woordeloze zichtbaarheid van tranen over je wangen. Een teken van God, en zijn levende aanwezigheid.

Ik ben de opstanding en het leven
De huilende man bij het graf, Jezus, is dezelfde man die zegt: Ik ben de opstanding en het leven. Terwijl zijn eigen dood heel dichtbij is, en hij bedroefd is om wat komen gaat.

Hoe sta je bij het graf? Hoe stond je daar? In de aula van het crematorium, op de begraafplaats. Hoe sta je daar? Soms is er weinig meer te zeggen, soms een woord van berusting, een verzuchting. Soms een schreeuw uit je binnenste, om de harde, koude waarheid van het graf. Wat zeg je dan, wat doe je dan?

Jezus zegt: Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft, zal leven, ook als is Hij gestorven. En als je nog leeft, dan zul je leven tot in eeuwigheid.

Vergeet niet, de man die dit zegt, is de huilende man bij het graf. Hij overschreeuwt zichzelf niet, Hij maakt het niet mooi, strijkt het niet glad. Leven en dood, daar staat Hij midden in. En zijn eigen dood ligt Hem heel dichtbij. Door zijn tranen en zijn woede, loopt de angst om zijn eigen einde. Maar Hij zegt: Jezus zegt: Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft, zal leven, ook als is Hij gestorven. En als je nog leeft, dan zul je leven tot in eeuwigheid.

Dit gaat niet zomaar over een leven na de dood. Ook wel, maar het gaat verder. Probeer het te begrijpen, ook jullie jongens en meiden. Luister.

In de doop ben je gedoopt in Jezus’ dood en opstanding. Met het water over je voorhoofd, en de naam van God in je hart, heb je deel gekregen aan het leven. Aan het eeuwige leven. En dat is hier en nu al begonnen. In de doop begint het eeuwige leven met God. Je ontvangt het van God, het is jou gegeven.

En daarom zegt Jezus: als je in mij gelooft, dan leef je, ook als je dood bent.

De dood, je laatste adem, is een breuk. Je aardse leven hier, wordt afgebroken. Maar wat ín jou is, wat van God komt, dat blijft. Dat blijft bewaard. De eeuwigheid heeft God in jou gelegd.

En weet je, op een hele aparte manier zijn we daardoor ook altijd verbonden met de mensen die al gestorven zijn. Zij zijn over de dood heen getild, voor de troon van God. Wij zijn hier, nog wachtend op God tot Hij ons bij zich neemt. De dood is een grens, maar Jezus is de brug. Tussen jou en God, tussen jou en de heiligen die ons zijn voorgegaan.

Lazarus wordt opgewekt uit de dood. Jezus roept hem uit het graf. Maar toch is dat maar een teken, een machtig teken, maar het is nog niet alles wat Jezus bedoelt. Lazarus staat op en komt uit het graf. Maar Hij staat op in het aardse, gewone leven. Eenmaal zal Lazarus opnieuw sterven.
Maar Jezus laat hiermee iets zien van zijn levenskracht. Als Hij je roept, dan zul je leven. Als Jezus in jou woont, dan is er eeuwig leven voor jou, ook als je bent gestorven.

Tot slot

Dit is een huis van tranen. Dit is ook een huis van hoop. Want in onze tranen, zijn wij niet zonder hoop. Juist vandaag belijden wij die woorden van Jezus, de man die huilde bij het graf: Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven. In de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, amen.

Zondag 25 november 2018, 10.00 uur
Eeuwigheidszondag
PG De Hoeksteen te Schoonhoven en Willige Langerak
Ds. Hanneke Ouwerkerk