De trap van Karl Barth (1886 – 1968)

Sinds anderhalf jaar ben ik bezig met het bestuderen van het leven en het werk van een eens bekende theoloog: Karl Barth. Barth was een Zwitserse theoloog die met name voor en tijdens de donkere jaren van de Tweede Wereldoorlog voor velen de fakkel van de hoop brandend heeft gehouden.

Op mijn manier wil ik zijn werk weer doorgeven aan anderen door er iets over hem te gaan schrijven. In de herfst ben ik een paar dagen met mijn vrouw naar Bazel geweest, de stad waar hij in 1886 ter wereld kwam en waarheen hij, na de nodige omzwervingen, in 1935 terugkeerde en in 1968 stierf. Zijn laatste woonhuis is in stand gehouden en fungeert nu als het Karl Barth-archief. Het is zoveel mogelijk intact gelaten. Meubels, boekenkasten, schilderijen, het staat of hangt er nog allemaal.

De beheerder van het archief heeft ons een uitgebreide rondleiding gegeven. Op de trap naar de eerste verdieping vertelde hij ons het volgende verhaal. Barth kreeg vaak studenten op bezoek die examen kwamen doen of iets wilden bespreken. Dan ging Barth ze voor, de trap op naar boven waar zijn studeerkamer was. Langs de trap hingen (en hangen tot de dag van vandaag) afbeeldingen van bekende filosofen, theologen en predikanten die Barth als zijn leermeesters beschouwde.

Op de trap bleef Barth telkens even stilstaan om die studenten iets over die mensen te vertellen. ‘Ik mag hun werk voortzetten’, zo rondde Barth zijn verhaal op de trap af. Als ze dan vlak voor Barths studeerkamer stonden, liet Barth die studenten in een laatste lijst kijken, waarin geen afbeelding van de een of andere beroemde theoloog hing, maar een spiegel. ‘Kijk maar goed,’ zei de hoogleraar tegen de student, ‘want nu ben jij aan de beurt om de fakkel over te nemen van onze voorgangers, en om op jouw manier de traditie voort te zetten.’

Als die studenten dan dachten dat ze inmiddels al half geslaagd waren, viel dat tegen, want Barth maakt het zijn studenten vaak niet makkelijk. Zo serieus nam hij hen, én de theologie, én het geloof in Christus. En vooral Christus zelf.

Er gaat zelden een dag voorbij dat we niet even in een spiegel kijken: in de badkamer, in de hal, in een paskamer, bij de kapper. Soms is het goed om niet alleen te kijken of ons haar een beetje aardig zit en ons kraagje recht, maar om onszelf eens in de ogen te kijken, en dan te zeggen: ‘Eens kreeg jij van anderen een fakkel van het geloof aangereikt. Weet dat jij nu aan de beurt bent om die fakkel op jouw manier door de wereld te dragen en om het licht van Christus door te geven aan anderen.’