De verankering van dat geloof ligt in het verbond

‘De zwarte met het witte hart’, schreef Arthur Japin alweer een heel aantal jaar geleden. De zwarte met het witte hart. Twee Afrikaanse prinsjes worden rond 1900 aan Willem de I geschonken als een onderpand voor de slavenhandel vanuit Nederland. Ze worden groot gebracht in Delft en zoveel mogelijk vernederlandst. Een van de jongens past zich zoveel als mogelijk aan. Het andere prinsje probeert uit alle macht zijn Afrikaanse identiteit te behouden. Heen en weer geslingerd tussen twee werelden. Een zwarte met een wit hart.

Mozes groeit op in een soortgelijke situatie. Zijn wortels liggen bij Jochebed, en Mirjam. Bij de Hebreeers, en hun verbondenheid met God. Uit hen is hij geboren, door haar is hij gedragen en gevoed. Maar zijn leven speelt zich af aan het Egyptische hof. Luxe, macht, gemak. Voor elk tekort een god beschikbaar.

Van jongsaf aan moet er een enorme verscheurdheid in hem liggen. Niet thuis te zijn op de plek waar je bent, omdat je eigenlijk ergens anders hoort. Een voortdurend gemis naar de moeder die je gedragen heeft. En niet bij haar kunnen zijn. Wonen onder vreemden, van alle gemakken voorzien, maar tegelijk zo unheimisch en vreemd. Soms legt het in een kind een voedingsbodem voor diepe drift en frustratie. Een onmacht die broeit en soms in hevige drift de kop opsteekt.

Dat gemis, dat Mozes vanaf zijn jonge jaren kent, het is iets dat een kind dat geadopteerd is, of opgroeit in een pleeggezin, soms heel vertrouwd voorkomt. Of als je afwisselend opgroeit bij je vader en je moeder, de ene week hier, de andere week daar, dan ken je daar ook wel iets van, soms. Alsof je nooit meer helemaal heel zult zijn. Soms ervaren kinderen dat ook in een gezin waarin alles op het oog normaal is. Maar waar een vader een compleet andere weg gaat dan een moeder. Ik hoor dat nog weleens van ouderen, die dat bij hun ouders zagen. Een andere geloofsweg, of een hele andere manier van leven. Waardoor je nooit helemaal zeker wist hoe het er aan toe zou gaan thuis.

Heelheid in een gezin, in een familie, is een groot goed. Iets om zuinig op te zijn, en om dankbaar voor te zijn. En van waaruit je soms ook heel eenvoudig iets kunt betekenen voor een kind dat de verscheurdheid wel kent. Als grootouder, of als oom of tante.
Ik zie ook hoe mannen en vrouwen, na een scheiding, of als pleegouder, daarin heel zorgvuldig hun weg proberen te zoeken. In de wetenschap dat je kind, je pleegkind, een zware last te dragen heeft. Die zorgvuldigheid, een trouwe liefde, kan ook iets van heelheid brengen in het leven van een kind.

Ik ken het beide. De gebrokenheid van een gezin waarin ouders niet meer samen optrekken. Waar je een weg vindt tussen de brokstukken in, maar waar ook altijd wel iets van een gemis blijft. Dat is tenminste mijn ervaring.
En de heelheid van het huwelijk. De veiligheid van een gezin. Die soms ook kwetsbaar is, omdat je weet dat de dingen ook anders kunnen gaan.

Veel van ons kennen er wel iets van, als kind, als partner, als grootouder. En soms is het ook heel pijnlijk, als je graag een relatie van liefde en trouw zou opbouwen, maar het je niet gegeven is. Het is dan pijnlijk om te zien. Dat wie het wel gegeven is om samen te zijn, het niet vol kunnen houden, of er niet samen uitkomen.
Ik hoop echt dat we daarin met elkaar begaan zijn.

Mozes wordt groot. Hij groeit op. Een kind. Een puber. Een jonge man. En hij ziet zijn broeders. Blijkbaar is hij zich er gaandeweg, of misschien van begin af aan, van bewust wie werkelijk zijn broeders zijn. Hij kiest ervoor om het hof te verlaten. Het paleis waar alles hem in de schoot geworpen wordt. Maar waar hij misschien ook gezien heeft hoeveel het kost. De macht. De luxe. Hoe het ten koste gaat van dat andere volk waar hij bij hoort. Zij betalen de prijs voor het leven dat hij leidt. Misschien heeft hij wel iets van gezien van de duistere kracht van macht. Hoe bedreigend het ook is. En hoe kwetsbaar.

Hij ziet de last die zijn broeders dragen. Zag hij het eerder niet? Nu hij groot geworden is, is dat wat hij ziet. Wie zijn broeders zijn. En wat hem te doen staat.

Waar groeit een mens voor op. Waar wordt je groot voor? Juist de tienerjaren zijn de jaren waarin je zo bezig bent met jezelf, met wie je bent. Of worden wilt. Dat maakt het ook tot een ingewikkelde tijd, van onzekerheid, en van zoeken. Tegelijk merk ik hoe die vraag zich oprekt, tot in de twintiger jaren van je leven, en vaak ook tot in je dertiger jaren. Zomaar als je vijftig bent komt die vraag weer heel sterk op je af. Wie ben ik? En wil ik zo zijn?

Er wordt ook nogal wat gevraagd van ons, denk ik. Over alles moet je denken. En elke keus heeft weer zijn eigen gevolgen. Vaak is het balanceren tussen de weg die je wilt gaan, wat voor mens je wilt zijn. En tussen vertrouwen op God die de weg wel wijzen zal.

Ik hoop dat je hier in dit huis daar iets van leert. Hoe je je weg kunt vinden in het leven, met de last en de vreugde die je gegeven is. Dat we hier wel weten wat het leven zwaar maakt, of juist licht. Wat je struggles zijn en je vragen. En dat we samen een begaanbare weg zoeken om te gaan, met God.

Waar groei je voor op? Wat is het pad om te gaan? Mozes groeit op, om zijn broeders te zien. Om zich te ontfermen. Een broeder te zijn.

Dt is al heel wat. Misschien al wel genoeg voor heel je leven. Om daar je identiteit in te vinden. Een broeder, een zuster te zijn voor wie op je pad komt. Zoals je in de gemeente broeder en zuster bent van elkaar. Daarin ligt ook een stuk van ons hart, van ons leven. Hier in de gemeente, in het huis van God. En Mozes gaat daarin ook de weg van Jezus. Die geboren werd om een ontfermen te zijn. Die de hemel verliet, om onder mensen te wonen. En die de woestijn niet schuwde.

Want om je broeder of zuster te ontmoeten, om iets van hun last te kunnen dragen, daarvoor moest Mozes wel het hof verlaten. Luxe, en welvaart, en comfort, dat zijn dingen die in zichzelf niet perse goed of slecht zijn. Maar die wel kunnen belemmeren, een hindernis kunnen zijn om je bestemming te vinden. Om het te zien als je broeder lijdt, als je zuster een te zware last moet dragen. En zeker ook een sfeer van overmacht, en van hierarchie. Als je je daarin bevindt, dan zie je heel veel dingen niet.

Zoals verzorgenden klagen dat de directeur geen weet heeft van wat het betekent om in te weinig tijd teveel mensen te moeten wassen. Hij of zij heeft misschien ook geen idee, vanwege de positie die hij heeft, druk met andere dingen die ook gedaan moeten worden, maar waardoor hij dus wel iets mist van hoe je een broeder bent, of een zuster. Gelukkig zijn er ook managers en directeuren die daar een andere koers in varen, en iets proeven van wat het betekent om werkelijk bij iemand te staan of te zitten die van alle zorg afhankelijk is en voor wie 10 minuten te weinig is.

Maar wie is mijn broeder dan? En wie is mijn zuster? Die vraag wordt ook aan Jezus gesteld, door een bijbelgetrouw mens. Maar moeten we dat echt aan elkaar vragen? Wie je broeder is, en wie je zuster?

Voor Mozes is het helder, niet de andere prinsen en prinsessen aan het hof. Maar de slaven en de vernederden. De klagende man en de roepende vrouw. Ik weet niet of we elkaar die vraag moeten stellen. Als die in je opkomt, laat het liggen in je hart, overdenk eens of het echt een vraag is, of dat je onder je ontfermende roeping uit wilt komen. 

Wat je ooit gedaan hebt voor de minste van de mensen, zegt Jezus, dat heb je aan mij gedaan. En als je dan stil wordt, en eens om je heen kijkt, dan merk je het misschien ineens. Dat ene klasgenootje, die er vaak niet is, maar als ze er is kijkt ze op een manier waardoor je wel weet dat ze het niet makkelijk heeft. En je gaat eens naast haar zitten. Vraagt haar een keer mee naar huis.
Dat nichtje die alle contact afhoudt, stuur elke maand eens een kaart met een paar lieve woorden. Die collega die de druk niet aan kan, en iedereen loopt met een boog om hem heen, je weet dat hij er zomaar uitvliegt. Vraag eens of je iets voor hem kan doen, neem hem eens iets uit handen, kom voor hem op bij je baas.

Nou goed, je weet misschien wel een mens, of 2, in je nabijheid, die op je pad komen en voor wie je van betekenis kunt zijn. Voor wie je op moet komen, omdat ze onderdrukt worden.

Mozes maakt wel zichtbaar dat onrecht niet met onrecht beantwoord worden kan. Hij doodt de Egyptenaar, die zijn broeder slaat. De drift die in hem huist, keert zich uit in moord. Een diepe agressie die in de loop van de tijd is opgebouwd, en die zich uitbetaald in geweld en doodslag. En wie zal Mozes de les lezen? Dat laten we aan de Heer.
Want wat kan een mens, een volk, getergd zijn. Ten dode toe getergd en vertrapt. Wij weten daar niet zomaar van. Maar het kind dat zijn leven lang door zijn vader geslagen is, die weet dat wel. En de man die jarenlang vernederd is door zijn vrouw, die weet daar ook wel van. Dat je dan je uiterste best moet doen om je drift in toom te houden en onrecht niet met onrecht te beantwoorden.

Maar de moord door Mozes keert als een boemerang naar hem terug. Zijn broeders binden onderling de strijd met elkaar aan, en Mozes staat machteloos. Ben jij onze rechter, jij die zelf gedood hebt? Zijn broeders keren zich tegen hem. En zijn pleegvader keert zich tegen hem, de Farao. Hij is opgejaagd wild. Niet meer thuis aan het hof. Niet thuis bij zijn broeders.
Hij vlucht de woestijn in.

Het blijkt een voorbode te zijn van wat komen gaat. De weg door de woestijn die hij zal gaan, met zijn broeders en zusters. Een moeizame tocht, waarin ze leven van wat hen gegeven wordt. Waarin ze van kracht tot kracht voortgaan, en vaak ook van klacht tot klacht. En vaak terug verlangen naar Egypte, het land dat het verdrukte en doden wilde.

En toch, in de woestijn, wordt Mozes iets van een thuis gegeven. Hij is een vreemdeling, niet thuis op de plek waar hij is. Maar in de woestijn wordt hem een vrouw gegeven, een mens om lief te hebben, om liefde van te ontvangen. En een kind om de toekomst in te gaan.

Tot God
Dan blijkt het leven wendingen te kennen. Soms ten goede, soms ten kwade. Je weet er wel iets van, stel ik mij voor. Sommige data, sommige dagen, staan in je geheugen gegrift, na die tijd is alles anders geworden.

De farao sterft. En er opent zich een nieuwe weg. Mozes kan terug, vanuit de woestijn. Want wie weet, kunnen de tijden anders worden. Soms kan zo’n wending ook een moment zijn dat je leert bidden. Alsof de woorden die verstomd waren, de klacht die in verbittering was omgeslagen, alsof daar ineens weer woorden voor komen. De hemel zich boven je opent en je ineens een gebed prevelt. Of een lied voor je uit zingt, waarvan je eigelijk niet wist dat je het uit je hoofd kende.

In die dagen, vertelt Mozes ons, zucht een man, een vrouw, een jongen tot God. Samen in een armzalige huisje, of buiten bij de rivier, of slovend in de zon bij de stenen. Ze zuchten en schreeuwen, ze roepen. Niet in het wilde weg, maar tot God. Met kracht, met klem.

Misschien vanuit de diepe angst, dat er een nog wredere koning komen zal. Of met een hartgrondige hoop dat de dingen anders zullen worden. In ieder geval met een sterk beroep op de God die die God van Jozef is, en van Jakob. Die toch de Levende is!

Was dit gebed anders dan andere gebeden? Of waren ze het vergeten, of verleerd, om te bidden? Was het al die tijd stil gebleven? Ik weet het niet. Maar ergens komen in dit dieptepunt de dingen samen. Het gebed van een mens, van honderden mensen. En het Godswonder, dat God hoort.

En ik stel mij voor, toen Mozes dit opschreef, dat zijn hart opnieuw opsprong. Dit is de wending, waar een mens zijn leven lang op hoopt. Dat er een zekerheid in je hart ligt, God hoort mij als ik tot hem roep.

Tegelijk ligt hier een van de diepste vragen die in je ziel opkomen kan. Of je nu een kind bent, of op leeftijd, of volop in het leven staat. Hoort God mij als ik tot hem roep?

Waarom wordt het ene gebed verhoort, en lijkt het bij het andere gebed, hoe hartstochtelijk en vaak ook gebeden, alsof de hemel dicht is en God niet luistert?
Ik vind dat ook zeer aangrijpend in het woord van vandaag. Hoe God, Goddank het verhaal binnenkomt, en zijn oren opent voor de klacht van een huilend mens. Hoe Hij als de levende zich voorover buigt en ziet en hoort, en gedenkt.

Maar het maakt ook zichtbaar, de ervaring van het volk Israel, hoe er daarvoor ook een tijd was van stilte, en van een ervaren afwezigheid van God. God is verborgen, en wij weten niet hoe Hij werkt, vaak weten we dat niet. Het is ons niet gegeven dat te weten.

Maar zomaar in het leven van Mozes, van Israel, van zomaar een mens, jij en ik, tekent zich iets af van God als de horende. Als een trouwe God, Hij heeft zijn belofte van trouw gegeven, en hoe, ik weet het niet, maar Hij zal zijn woord wel waarmaken. Vandaag, of morgen, of jaren later.
Wat ons gegeven is om op te bouwen, is dit. God treedt binnen in je leven, in dit menselijke, broze bestaan. Ik hoop dat het je vertrouwen is, dat we samen als gemeente dat vertrouwen leren. Hoop op God, die hoort, als wij tot Hem roepen.

De verankering van dat geloof ligt in het verbond. En in de God die zijn verbond gedenkt. En daarom zijn wij hier. En daarom bidden wij. En wachten wij op God. En doen we het goede aan hen die op ons pad komen.

Zondag 29 juli 2018
Exodus 2
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk