Deze ene – die anders is dan je denkt

Ik zei het al ik heb er vanmorgen nog even over gedacht onze hond mee te nemen. Nou is ie nogal enthousiast, en uit vrees dat ie zomaar de kerk in zou hollen heb ik het toch maar niet gedaan.

En ook wel omdat het wat ongebruikelijk is om een hond mee te nemen naar de kerk. Wie weet wat voor reacties het had opgeroepen. Sommigen hadden misschien nog wel tegen me gezegd dat ze het ongepast vonden maar het kan ook zomaar zijn dat er thuis bij de koffie had geklonken, die Roding, dat is toch wel een beetje een aparte, die neemt zijn hond mee naar de kerk.

Hoe dan ook: het zou anders dan anders zijn geweest. En anders dan anders, dat is vreemd. En wat vreemd is – verstoort hoe de dingen ‘horen te zijn’.

En op één of andere manier weet je met elkaar hoe de dingen horen te zijn. Soms is het wel leuk als iemand net een beetje anders doet, maar het moet niet te gek worden.

Maar waar lopen die grenzen precies? En wie bepaalt eigenlijk waar die grenzen lopen?

Vreemd genoeg onttrekt zich dat proces voor een deel aan onze waarneming. We zien dingen veranderen, maar hoe dat nou precies gaat? Gaandeweg gaan we anders over dingen denken. Onder invloed van wat er in onze omgeving gebeurt onder invloed van – en dat wordt het alweer vaag – de publieke opinie.

Een voorbeeld.
Ik was nog maar kort werkzaam in het pastoraat toen ik een echtpaar ontmoette dat vertelde over hun leven samen. Zij was van Gereformeerde komaf, hij Rooms Katholiek. Zij hielden van elkaar, waren al vijftig jaar samen. Maar ze vertelden over vroeger. En de pijn was nog altijd voelbaar. Zowel zijn als haar ouders zagen er niks in dat hun zoon / hun dochter met zo’n andersdenkende, met zo’n roomse verkering zou krijgen.

Maar de liefde was sterker dan de weerstand van de ouders. Ze trouwden met elkaar. Maar zonder hun ouders er bij. Die konden het niet over hun hart verkrijgen. De brug die de liefde sloeg, leidde aan beide zijden tot een breuk met de familie.

Ik was stomverbaasd, boos en verdrietig toen ik het hoorde. Twee geloven op een kussen daar slaapt de duivel tussen. Zo werd er gedacht en er werd van alles aan gedaan om binnen de eigen kring te trouwen. Zoals je ook alleen bij de ‘eigen’ bakker’ en de ‘eigen’ slager
je brood en je vlees haalde. Twee geloven op een kussen daar is de Heilige Geest aan het klussen

Ooit kwam ik het tegen en geen gemengd huwelijk of ik zal proberen het te zeggen. Maar tegelijk kun je zeggen: het speelt het niet meer zo als vroeger. De scheidslijn tussen ‘binnen’ en ‘buiten’ de eigen kring, is in veel gevallen minder scherp geworden.

Met dit alles wil ik maar zeggen: je opvattingen worden mede gekleurd door de tijdgeest, het klimaat waarin je opgroeit, de omgeving waarin je verkeert.

Wat je voor ‘goed’ houdt, voor ‘normaal’, of wat misschien zelfs ‘heilig’ voor je is, kan doorheen je leven veranderen. Soms kunnen je opvattingen zo verschuiven dat je niet kunt geloven ooit gedacht te hebben wat eens zo vanzelfsprekend en eigen leek.

Maar kijken we naar het evangelie. Naar die toch wel wat bevreemdende ontmoeting tussen Jezus en de Kanaänitische.

Jezus is een jood. Joden gaan niet om met Samaritanen zal de evangelist Johannes schrijven als inleiding op de wonderlijke ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse bij de Jacobsbron. Dat Jezus met een Samaritaanse in gesprek gaat is hoogst ongebruikelijk laat Johannes daarmee weten. Nu is er in het evangelie van Matteüs vandaag nog iets ondenkbaarders gaande. Jezus gaat – ofschoon niet van harte – in gesprek met een Kanaänitische. Bewoners van Kanaän waren een soort oervijanden van de joden. Het zijn de bewoners van het land, dat zij in bezit namen, waardoor er altijd een moeizame verhouding bleef bestaan. Niet in het minst om hun andere, voor joden: heidense, geloof.

Kanaänieten die moet je niet in de buurt hebben, bij voorkeur ga je daar niet mee om. Dat de leerlingen Jezus vragen haar weg te sturen heeft daar waarschijnlijk mee te maken gehad, ofschoon het ook kan zijn dat ze het aanhoudende roepen van de vrouw niet konden verdragen. Hoe dan ook, voor joden gold: wees op je hoede voor Kanaänieten.

Om het wat dichterbij te halen:wees op je hoede – ‘roomsen hebben ze achter de ellebogen’ (ik hoor het nog zeggen (het was niet voor mijn oren bedoeld) enkele jaren geleden na een gezamenlijk overleg over een nieuw te bouwen kerk).

Wat gebeurt er eigenlijk als we iemand beoordelen op grond van de groep waar hij of zij toe behoort?

We zien dan niet meer deze ene – maar we leggen over die ene mens een beeld dat we hebben van de groep waartoe deze ene mens behoort. Zijn geloofsgroep, zijn volk, zijn ras.

Op twee manieren kunnen we daarbij de mist ingaan. Ons beeld van de groep kan verkeerd zijn, berustend op vooroordelen, onvoldoende kennis, de neiging de ander negatiever af te schilderen dan onszelf om het beeld van onszelf daarmee positiever te maken.

Maar zelfs als we een reëel beeld hebben van de groep, dan nog is er altijd deze ene mens, die we totaal verkeerd kunnen beoordelen.

Uit de tijd dat ik studeerde kan ik me herinneren dat één van de docenten sprak over het principium inidividuationes. Ik had toen geen idee waar hij over sprak maar het is me uiteindelijk altijd bijgebleven. Je moet kunnen zien dat iemand anders is dan de anderen.

En als je dat durft te zien – durft toe te laten, zonder meteen een oordeel te vellen, ontstaat er ruimte voor ontmoeting. En dan kantelt er mogelijk van alles in de manier waarop je naar de werkelijkheid kijkt. Voor mijn gevoel ligt daarin de sleutel voor het verstaan van het evangelie van vandaag.

Jezus en zijn leerlingen delen volop in het joodse milieu van hun dagen. Jezus verhoudt zich tot het denken en geloven in zijn tijd: gaat dikwijls in debat met Schriftgeleerden en Farizeeën, soms op het scherpst van de snede, maar passend bij de wijze waarop geloofszaken besproken worden. Hij neemt daarbinnen een heel eigen positie in, met name door zijn voortdurende toewending naar mensen die in de samenleving van toen in een marginale positie verkeerden: ofwel in sociaal opzicht b.v. doordat ziekte hen buitensloot: melaatsen buiten de poort, blinden ongezien, doven, niet gehoord, ofwel economisch (de armen, de kwetsbare landarbeiders, de weduwen), ofwel religieus (degenen die niet konden voldoen aan de hoge eisen die de Farizeeën stelden).

Telkens zoekt Jezus toenadering tot deze buitenste kring van de samenleving van zijn dagen. Niet zelden door juist deze ene te zien en te benaderen, een blinde langs de weg, een tollenaar in een boom, een bloedvloeiende vrouw die zijn mantel aanraakt. Maar dat alles binnen de kring van zijn eigen volk.

Nu is hij in zekere zin ‘in het buitenland’, te midden van niet joden. Uitgeweken is hij – uit angst – ter bezinning – we weten het niet. Maar ook daar is zijn naam bekend. En er treedt iemand op hem toe. Vanuit de verte al roepend: heb medelijden met mij – Heer, zoon van David.

Dat is nog nergens tegen hem gezegd. Dat is op zijn minst opvallend. Dat hier – buiten de eigen kring – iemand ‘ziet’ wie hij is. Ze doet een beroep op hem. Smekend, want mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.

Haar roep ‘heb medelijden met mij’ – en haar moederlijke bezorgdheid raken over al die eeuwen heen je nog, als lezer. Des te verbazingwekkender is de volgende zin: Hij keurde haar geen woord waardig.

Elke keer weer al je het leest ben je met stomheid geslagen. Dat doe je toch niet?

Zijn leerlingen hebben blijkbaar last van de vrouw want ze vragen Jezus haar weg te sturen. Ook zij wijzen de vrouw af.

Maar in plaats van een beweging bij hen vandaan, maakt de vrouw een beweging naar hen toe Ze kwam dichterbij wierp zich voor hem neer en zei: Heer, help mij. Je voelt hoe de vrouw in wanhoop een beroep doet op Jezus, omwille van haar kind. En dan komt dat antwoord van Jezus waarbij een gevoel van plaatsvervangend schaamte bij je opkomt.‘Het is niet goed de kinderen het brood af te nemen en het aan de honden te voeren.’

Het doet me denken aan die keer toen ik iemand die een lezing had gehouden over de islam terugbracht naar het station. We spraken nog wat na over de avond en stonden stil bij de vraag hoe moslims tegen christenen aankijken. Het is als met honden, zei hij, onreine dieren, maar tegelijk ook schepselen van Allah.

Ik was blij dat we bijna bij het station waren, want de adem stokte in mijn keel. Ik had vooral gehoord: christenen zijn net als honden.

Dat hoort deze vrouw ook – wij zijn als honden en dat is uiterst beledigend. Maar de vrouw stapt over die belediging heen, neemt de vergelijking van Jezus over, maar laat zien dat hij niet klopt. Natuurlijk geef je je brood aan de kinderen, maar er vallen altijd kruimels van de tafel en die zijn dan toch voor de honden. Ze wint het debat. En Jezus geeft zich gewonnen.

U hebt een groot geloof (dat kon hij van zijn leerlingen tot nu toe niet zeggen. Vorige week nog hoorden we hoe hij ze aanspreekt als ‘kleingelovigen’) U hebt een groot geloof Wat u verlangt zal ook gebeuren. Op afstand geneest Jezus haar dochter,

Of kun je het verhaal ook anders lezen? En zou je kunnen zeggen dat de vrouw met haar vasthoudendheid en haar geloof Jezus geneest?

Deze ene – deze Kanaänitische vrouw – waar je als jood geen omgang mee wil hebben, die de gesloten wereld van Jezus openbreekt.

Het is een kantelpunt in het evangelie van Matteüs. Tussen twee spijzigingsverhalen in tekent hij dit verhaal op. En het verschil tussen die twee spijzigingsverhalen maakt duidelijk wat hier is gebeurd.

Het eerste verhaal – we lazen het twee weken geleden – verhaalt van een spijziging van 5000 mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend. Er blijven dan twaalf manden over. De symboliek er van wordt vaak zo verstaan als:evenveel als voor de twaalf stammen van Israël.

Het volgende verhaal, – als we vandaag door hadden gelezen, slechts enkele verzen verder – vertelt over een spijziging waarbij zeven manden overblijven. Dat lijkt minder dan twaalf. Maar al je bedenkt dat zeven het getal van de volheid is zou je ook kunnen lezen
er is genoeg brood voor iedereen! De grenzen van de kring van het joodse volk worden hier overschreden!

De Kanaänitische vrouw – of bij Marcus de Syrofenicische – ze blijft naamloos, evenals haar dochter. Maar eigenlijk verdient ze een standbeeld. Ze breekt het zendingsbewustzijn van Jezus open. De manier waarop hij waarnam gekleurd door de hem vertrouwde wereld wordt door deze ene op zijn kop gezet. Deze ene.

Deze ene – die anders is dan je denkt, die je je vooroordelen uit handen slaat als je je er voor open wilt stellen. Ik noem het nog een keer, omdat het zo exotisch klinkt en daarom zo lekker blijft hangen het ‘principium individuationis’.

Eigenlijk moet je het altijd bij je dragen – dat principe. Als je merkt dat je iemand beoordeelt louter om de groep – het geloof – het volk waartoe hij of zij behoort.

De wereld raakt verdeeld, verscheurd door het ontkennen van die mogelijkheid. Als mensen louter als deel van een groep worden gezien, en dat gebeurd op hartverscheurende wijze door de aanhangers van Isis, het gebeurt in de beeldvorming tussen Israël en de Palestijnen, dan komen mensen tegenover elkaar te staan. Maar het gebeurt ook dichterbij bij voorbeeld in de beeldvorming over moslims in ons land.

Het beeld dat we van de ander hebben kan houvast bieden, – ik zei het al – en niet zelden een houvast omdat we onszelf dan hoger achten dan de ander. We denken onszelf omhoog door de ander omlaag te denken.

Het is valse schijn. Eerlijker is het telkens weer deze ene te durven ontmoeten. Dat is spannend. Ja, het kan er zelfs zo om spannen, dat we ons eigen denken moeten bijstellen.

Toen ik terugreed van het station nadat ik de inleider van de avond over de islam had afgezet en zijn woorden nog naklonken, de vergelijking die hij had gemaakt tussen christenen en honden: en had gezegd: ‘Honden zijn ook schepselen’, zag ik de opeens niet het scheidende, maar het verbindende: schepselen – hij en ik beiden door God gewild – en daarmee, hoe dan ook, in God verbonden.

Zijn superioriteit stak me. Misschien ook omdat ik onbewust mezelf hoger achtte? Maar nu stonden we – op grond van ‘ook schepselen’ eigenlijk naast elkaar.

Vanzelf gaat het niet – nog altijd niet – in een ontmoeting met wie je vreemd is elkaar als naasten te zien. Maar daarin ligt wel de sleutel voor een verbondenheid die heilzaam is.

Met dank aan de naamloze Kanaänitische vrouw.

Amen.

Ds J. Roding

Overweging – 17 augustus 2014 – negende zondag van de zomer – P.G. de Hoeksteen