Dreigende dromen

Dreigende dromen

Twee dreigende dromen droomt de Farao, heerser van Egypte. Net als Jozef trouwens, twee dromen met eenzelfde betekenis. Farao’s droom is een koninklijke droom, een vorstendroom. Hij staat aan de oever van de rivier de Nijl, zoals hij daadwerkelijk elke ochtend doet. Een ochtendritueel om de godheid van het land, de godin van de vruchtbaarheid, te eren.

Het land Egypte bestaat dankzij de Nijl, die de springader, de levensbron is van het land. Het economisch centrum kun je wel zeggen. Zonder de Nijl was Egypte nergens. Zonder de Nijl was Farao’s heerschappij machteloos en zonder uitwerking.

En die rivier is de locatie waar Farao’s dromen zich afspelen. Twee uitermate dreigende en angstige dromen. Ze symboliseren iets van de werkelijkheid van dat moment, en tegelijk iets van de grilligheid van de natuur. Schoonheid en bloei, wordt verzwolgen, verslonden door lelijkheid en grauwe karigheid. Gezonde koeien worden vernietigd door de lelijke. Schitterende, volle aren worden vertrapt door de magere, schrale aren. Het goede delft het onderspit, de leegte die alles verslindt, overwint.

En misschien is het altijd wel zo geweest, dat de natuur en de economie die twee kanten in zich draagt. Ze geeft leven en welvaart, maar ontneemt tegelijkertijd ook veel van het goede. Een kaal land en uitgehongerde mensen. Gebrek en leegte.

In zijn dromen wordt Farao geraakt in het hart van zijn koningschap. Als uit de Nijl dood en verderf komt, dan is hij nergens meer. De dreiging en het onheil komt op uit het water dat juist leven zou moeten geven.

Farao ontwaakt uit zijn dromen, en zijn adem stokt.

Wij leven in een tijd waarin de dreiging continu aanwezig is. De dreiging van iets dat verslindt, van machten die zo sterk aan je trekken, dat je er door verzwolgen wordt. Er in onder gaat. Dreiging van buitenaf, het wereldnieuws, de vrees voor een tweede Koude Oorlog. Of dichterbij, je relatie onder druk, je baan op de tocht. Zorg om de kerk, de gemeente. Of heel dichtbij, van binnenuit, dat het is alsof er in je ziel een uitgehongerd beest rondgaat dat alle hoop wegvreet en je koud en leeg achterlaat.

‘Dieper dan alle vertrouwen, zit bij ons de angst dat wij ten onder gaan.’ (Gerrit de Kruijf, Een goed woord) Dat we verslonden worden en ten onder gaan. Dat is de diepe angst die rondwaart en ons in de greep houdt. De angst die het leven zwaar onder druk zet en mensen doet zoeken naar een zelf voorzien einde van het leven. Zit onder die vraag naar een vrijwillig levenseinde, niet een angst om overweldigd te worden. Door diep lijden, door een angstige dood.

En Farao ontwaakt en zijn adem stokt. Dat is wat die dreiging met hem doet. Met jou doet het misschien iets heel anders. Word je cynisch en verlies je het vertrouwen. Of je trekt je terug, wordt stil en teruggetrokken. Of je overschreeuwt de dreiging met grote woorden en zoekt je heil in een streven naar perfectie, naar geluk, gezondheid.

In de dreiging wordt Farao de adem ontnomen. Alles valt weg. Hij heeft niets meer in handen. Zo breekbaar is zijn koningschap, zo fragiel is macht en zo grillig de Nijl. En niemand kan het duiden. Hoe tragisch is dat. Niemand kan het duiden. Geen mens in het land weet Farao’s dromen uit te leggen. Terwijl het zo zichtbaar is, zo voor ogen. Maar alle waarzeggers en dromenuitleggers, ze staan met lege handen en zijn sprakeloos.

Een natie in verwarring en ontzetting. Wie zal zeggen wat er gaande is? Zo heeft elk land zijn waarzeggers en uitleggers. Maar wie kan werkelijk duiden wat zich op dit moment aan ons voordoet? Is dat degene met de meest luide stem? Of met de meest overtuigende retoriek, een goed verhaal wat zo op het oog heel aannemelijk lijkt? Wees er kritisch op en laat je niet zomaar inpakken door alles wat gezegd en gedacht wordt.

‘Midden in het leven, zijn wij door de dood omgeven.’, dichtte de reformator Maarten Luther. De doodsheid komt op uit de Nijl. En omgeeft ons in deze tijd in allerlei vormen. En hoe we het moeten duiden weten we niet. Het maakt ons onzeker en angstig. Waar loopt het op uit? Is dit van alle tijden, of gaan er nu wissels om die alles anders maken?

Jozef staat op

Maar midden in de dood, staat de levenbrenger op. Jozef, die later de behouder van het leven wordt genoemd. Hij verkeert zelf in de diepte van de dood, de gevangenis die hem al jaren omsloten houdt. Vergeten door de schenker, die beloofd had aan hem te zullen denken en zijn zaak bij de Farao te bepleiten. De schenker werd vrijgelaten. Maar Jozef wordt vergeten en zit nog altijd vast. Tot die dromen van Farao bij de schenker de herinnering ophaalt aan Jozef. Wacht, er is een man die dromen uit kan leggen!

En zonder aarzelen wordt Jozef gehaald en het is als staat hij op uit het graf. Midden in de dreiging, wordt het Pasen. Jozef staat op, zijn boeien vallen af, de gevangenisdeuren worden geopend en hij betreedt het leven. Hij is als Jezus zelf, die opstond uit de dood.

Het Hebreeuwse woord dat hier gebruikt wordt, het woord bor, betekent gevangenis of put, maar ook graf. Jozef verlaat de gevangenis, verlaat het graf, om leven te brengen. Zo licht het evangelie op in de oeroude geschiedenis van het volk Israël. Zo verschijnt Jezus Christus aan ons in het leven van Jozef.

Men zegt dat jij dromen uit kan leggen. Niet ik, zegt Jozef, God alleen. En God moge antwoorden met Farao’s vrede.

Alles staat onder spanning, heel Farao’s koningschap, het leven van mens en dier, alles waar we op vertrouwden staat onder druk. Maar midden in de dood, spreekt Jozef tot Farao van vrede, omwille van God zelf. Zoals Jezus zijn leerlingen begroette na zijn opstanding: vrede zij u, vrede voor jullie. Zo begroet Jozef de Farao, die met dichtgeknepen keel, doodsangst in zijn ziel, ten einde raad een slaaf uit de gevangenis ontboden heeft. Moge God jou vrede brengen.

In die wonderlijke verhalen waar menselijk handelen en halfslachtige daden zich vermengen met de weg die God met ons gaat, in die verhalen licht het Evangelie ten volle op. Jozef, in al zijn menselijkheid, weerspiegelt hoe Christus tot ons komt. In die dreiging staat hij op. In de lege koude doodsheid die je soms zomaar ergens onder de oppervlakte aantreft. Daarin komt Christus tot ons, om de dreiging om te keren tot vrede. Tot de vrede van Christus die boven alles uit gaat.

Maar al te vaak zijn we als die schenker. We vergeten hem. Jozef. Jezus. We laten hem in het graf, alsof hij er niet is, niet langer onder ons wil wonen. Misschien verwachten we allang niets meer van Hem. Proberen we het zelf te redden. Aanvaarden we de dreiging als de werkelijkheid van ons bestaan. Proberen we het er in uit te houden en er niet in onder te gaan.

Maar Christus spreekt van vrede en van leven. Die dreigende dromen worden gekanteld richting God. Zonder Hem, ja dan zou het ons zo vergaan als in die dromen. We werden opgeslokt en verslonden. Maar in Godsnaam wordt ons gezegd: God is ín die duistere dromen om ons te bevrijden. En in die duisternis wordt ons de vrede aangezegd. Zo is God onder ons aanwezig. En we hebben Christus nodig, die ons daar op wijst, ons dat doet horen en verstaan.

Het Evangelie, levend woord van onze God, is als de woorden van Jozef, waardoor de Farao weer adem kan halen. Zijn adem stokte, maar als de dromen worden geduid tot op God, is er ruimte om op te ademen. Midden in de dood, schenkt God ons levensadem.

Wij leven in een tijd die veel van ons vraagt. Onzeker zijn we vaak. Ben ik op de goede weg? Wat moet ik doen, wat is wijsheid? Zoekend en tastend zijn we. Verlangend om het goede te doen, om te leven met God. Tegelijk vragen zoveel dingen je tijd en aandacht. Alsof je voortdurend moet schipperen. Halfslachtig voelt dat, en onvrij soms ook.

Christus zegt ons vrede aan. En dat is waar het op aan komt. Dat wij, die midden in die dreiging leven, allemaal op onze eigen manier, maar met beide benen in deze wereld, ingeklemd tussen alles wat naar je toe komt. Maar dat je midden in dat bestaan, leeft van de vrede die God ons geeft.

Dat wij geen bange, angstige mensen zijn. Dat niet de onzekerheid en de angst ons regeert. Die is er wel, natuurlijk is die er. Maar wij leven níet van de dreiging, maar van de vrede. In het aangezicht van Christus, mogen wij de angst afleggen. De band van de dreiging van ons werpen, om ons te tooien met zijn vrede. Bekering tot God, is het afleggen van de angst. Dat wij geen bange mensen zijn.

God is doende

Door de dromen heen wordt zichtbaar, hoe God onze hoop is. Wij blijven niet langer stil staan bij wat voor ogen is. Wat we dromen of wat er om ons heen gebeurt. Een ander zicht wordt ons gegeven. Het zicht op God.

Als God in het spel komt, is de Farao machteloos. Fascinerend is dat, hoe de Nijl als bron van al het leven, in één klap verandert in een doodsrivier. Een bron van verslindend geweld en ondergang. En hoe daarmee alle levenszekerheid vervliegt. Er is geen vertrouwen meer op de vruchtbaarheid die de Nijl altijd geeft, geen vertrouwen meer op welvaart en gezondheid. Omdat er machten zijn die het verslinden en vernietigen.

En door die wegen heen, van de grillige natuur, de economie met haar goede en kwade kanten, door de heerschappij van Farao heen, brengt God zichzelf ter sprake. In een context waar de Nijl als godheid werd aanbeden en vele goden waren. Maar waar de God van Israël niet gekend werd, alleen door Jozef wordt genoemd. God brengt zichzelf ter sprake. Als een God die doende is, zoals Jozef tegen Farao zegt.

In de twee dromen meldt God aan Farao: Ik ben doende. Hij zit niet stil, is niet afwezig, maar gaat zijn eigen weg en trekt zijn eigen lijnen.

Het is de hartekreet van onze tijd, de vraag naar God. Waar is Hij? Wat doet Hij? Een diep verlangen om zijn nabijheid te ervaren, zijn grootheid op te merken. Vandaag vertelt de Bijbel ons: God is doende. Op hele vreemde wijze, door die twee dromen. Door Jozef heen. Hij werkt in de verborgenheid. Brengt in de dreigende duisternis zijn diepe vrede.

Wees niet bang dat het kwaad je verslinden zou, dat je ondergaat in de dreigende dood, maar houd je ogen gericht op Jezus Christus. Hij die opstond uit de dood om vrede te brengen. Christenen zijn geen mensen van de angst, maar mensen van de hoop. Houd daaraan vast.

En wees niet als de schenker, die Jozef jarenlang vergat. Maar breng je Christus steeds weer in herinnering. Want zonder Hem verlies je de moed en regeert de angst. Maar in Christus verwachten wij het leven, nu en tot in eeuwigheid.

Amen

Zondag 30 oktober 2016, 10.00 uur
Genesis 41: 1-28
Ds. Hanneke Ouwerkerk