Vrijwilligersavond 2017

Een gouden beeld

Een gouden beeld

Provocerend maakt Nebukadnesar de droom die hij droomde, waar in de werkelijkheid. Hij maakt een beeld van goud dat hoog boven alles oprijst. Als om de hemel te tarten en de God van Israel uit te dagen. En tegelijk maskeert het beeld zijn eigen kleinheid en tijdelijkheid. Zijn koninkrijk is maar voor even. Angstvallig probeert Nebukadnesar dat te verhullen met een massief en reusachtig beeld.

Ergens is het heel doorzichtig vaak, hoe mensen met macht proberen hun macht te onderstrepen. Of dat nu door een beeld, een statussymbool of krachtige woorden is. Je prikt er zo door heen. En aan de andere kant kun je er toch ook enorm van onder de indruk zijn. Het heeft iets lachwekkends, en iets indrukwekkends. Dat gaat soms samen op.

Het beeld wordt opgericht in de vallei Dura, in Babel. Het Babylonische rijk besloeg in die tijd de plek tussen Bagdad, in Irak, en de Perzische Golf. Ergens in een vallei verrees dat beeld van Nebukadnesar.

Met veel ceremonie wordt het opgetuigd. Iedereen die ook maar enige functie heeft wordt bijeen geroepen. Het arsenaal aan muziekinstrumenten is overweldigend. Je kunt je er wel iets bij voorstellen denk ik. Een groot plein waar de mensen zijn samengestroomd. Een luidruchtig orkest dat al het geroezemoes overstemt. En dan dat beeld van goud waar niemand om heen kan. En de drie vrienden van Daniel die daar bij staan, als bestuurder van het gewest Babel.

Al die kleine mensen worden gereduceerd tot een massa. Eén grote massa waar elke persoonlijkheid en individualiteit in verdwijnt. De koning dwingt ze tot hetzelfde; buigen en knielen voor dat beeld.

Wij hebben een beeld-loze God. Een God die niet in een beeld kan worden gevat. Dat kinderboek waar ik net iets uit voorlas, maakt dat ook wel zichtbaar. Hier in Daniel 3 staat dat op het spel: het verbod om een beeld van God te maken. Onder drie druk staan de drie jonge mannen, Sadrach, Mesach en Abed Nego.

Het maakt ons misschien ook wel heel kwetsbaar, dat wij van God geen beeld kunnen maken. Er is geen tastbaar beeld van Hem. Dat zou je zomaar vatbaar kunnen maken voor vertwijfeling, voor ongeloof. Waar vind ik God en hoe kan ik Hem ontmoeten?

En tegelijk, in brood en wijn wordt in alle gebrokenheid zichtbaar wie Hij is. Proef je zijn goedheid, doortrekt zijn levenskracht ons hart.
En juist ook de gemeente, als lichaam van Christus, is ons gegeven als een zichtbaar teken van de levende God. Hoe hij ons aan elkaar verbindt en zijn woord in ons midden zaait, hoe we aan elkaar gegeven zijn om elkaar lief te hebben en te ondersteunen, het is in alle menselijkheid een krachtig teken van God, die op zo’n manier onder ons wil wonen.

Geen gouden beeld. Nu zijn die er in deze tijd ook niet meer zo. Niet zo zichtbaar als in Noord-Korea nog is, waar de keizer een beeld van zichzelf heeft doen oprichten. Of op sommige andere plekken waar mensen gedwongen worden een vorst of godheid te aanbidden. Zo zichtbaar is dat in onze cultuur niet meer. Misschien hebben we ons er wel van bevrijd, zijn er geen machten meer die ons overheersen, aan wie wij ons toewijden.

Of is dat naïef gedacht? Zijn er onbewust toch dingen in onze cultuur, om ons heen, waar we ons voor buigen? Voor wie we onszelf opgeven en waar we ons met hart en ziel naar voegen?

Misschien kennen we allemaal, op enig moment in ons leven wel die druk. Dat je ergens in meegezogen wordt, wat je eigenlijk niet wilt, of wel wilt, maar waar je je niet aan kunt onttrekken. Waarbij je intuïtief aanvoelt, dit is niet goed, niet heilzaam. Maar je kunt er niet los van komen. Juist ook wel als je jong bent, en je zoekt naar wie je bent, wat je wilt, bij wie je wilt horen. Je herkent het misschien wel. Dat je in een app-groep zit die niet het goede in je naar boven haalt, maar juist donkere en nare kanten. Of dat je, uit angst om buiten de boot te vallen, een beetje half meedoet met pesten, met iemand uitsluiten. Nou ja, je weet het zelf wel denk ik, hoe dat kan gaan, en wat het kan zijn.

Wanneer je een sterk Godsvertrouwen hebt, en een krachtige, zelfstandige persoonlijkheid, dan kom je hier misschien niet zo snel in terecht. Maar als het anders is, je bent onzeker, twijfelmoedig, dan kan het zomaar anders gaan. Als je er niet op bedacht bent, kan het zomaar gebeuren dat je ergens in meegaat, niet zomaar één moment, maar een proces, iets wat zich uitstrekt over langere tijd, dat ongemerkt veel invloed heeft op je leven, op je ziel, op de mensen die bij je horen.

Gisteren in dagblad Trouw (zaterdag 15 juli 2017) las ik twee dingen die mij hieraan deden denken. Een jurist aan katholieke universiteit van Leuven vertelde over de paradox in het leven, dat wij onvolmaakte mensen zijn en moeten leren om daar mee te leven. Het streven naar perfectie en volmaaktheid is onbarmhartig, zei hij. Niet alleen voor jezelf, maar ook voor anderen. We hebben God weggedaan, en zijn er zelf voor in de plaats gekomen.
Dat wij onze eigen god geworden zijn.

En het andere was van Kyteman, een muzikant die weigert om om commerciele redenen muziek te maken. Als het alleen om geld gaat, stelt het niks voor, zei hij. Dat is slavernij, als het alleen om geld gaat. Ik realiseer mij, dat is waarschijnlijk makkelijk gezegd voor iemand die niet van geld wakker hoeft te liggen. Als dat wel zo is, ligt het anders, dan ben je blij met elke euro. Maar volgens mij bedoelde hij iets aan te geven van, wat bezielt je, waar leef je voor?

Zomaar twee voorbeelden die iets weergeven van hoe een cultuur haar eigen goden kan scheppen. Ga bij jezelf eens na, hoe dat voor jou is. Herken je er iets van, of leef je in de vrijheid van het evangelie? Zonder de dwang en de druk van vreemde machten die je dwingen tot dingen die niet goed zijn.

Geen heldendom
Het beeld wordt opgericht in de vallei. Vanaf het begin is het omgeven met een enorme dreiging. Het lijkt mooi en groots en meeslepend. En wie niet verder kijkt dan de eerste blik, die ziet misschien ook wel niet meer dan dat grootse en overweldigende machtsvertoon. Geweldige muziek, roffelende trommels, een feestelijk gebeuren!

Maar als je er niet in meegaat, is het geen feest, maar wacht de dood. Misschien is dat ook wel kenmerkend voor afgoden. De dwang die zij nodig hebben, de onvrijheid die ermee gepaard gaat, de dreiging die er is wanneer je niet meedoet. Ik denk aan onze broeders en zusters in Noord-Korea en op andere plekken waar een dictatuur de vrijheid belemmert. Er zijn vandaag de dag mensen die opnieuw voor deze keus gesteld worden. De dood of het leven.

Daar staan die mensen in de vallei, doodsbang, stel ik mij voor. Bang voor die vurige oven, voor de dreigende dood. Doodsangst om ten onder te gaan. Het vuur verbeeldt iets van de afgrond waar je voor kunt staan. Waar je in kijkt en voor terugdeinst. Misschien ken je er iets van, misschien ben je er in geweest, of zit je er midden in. Zoals een mens bedreigd kan zijn door de dood, of door het leven. Wat kun je ingeklemd zitten, en dreigen verpletterd te raken.

Er wordt nog weleens gedaan alsof je als christen een held moet zijn. Alsof we elkaar in moed en vertrouwen moeten overtreffen. Maar ik weet niet of dat nou zo is. Of het van ons gevraagd wordt, om helden te zijn. Diep van binnen zijn we misschien wel veel eerder bang, of zelfs laf. Net als al die gouverneurs en bestuurders die buigen en knielen voor het beeld en alleen maar hopen dat de dood aan hen voorbij zal gaan.

Misschien dat we vooral zo leven, omzichtig de moeilijke keuzes vermijden, de offers omzeilen en zo ongeschonden mogelijk het leven proberen door te komen.

Maar ergens tussen die twee, heldendom en bangigheid, is nog wel een andere weg te gaan. Van de vreugde en de hoop. Van het vertrouwen op God. Luther noemt Hem, de sterke Held. We kunnen beter God de Held laten zijn, dan zelf proberen uit te blinken in heldendaden.

En bij de brandende oven wordt niet zozeer de dappere heldenmoed van de drie vrienden geroemd. Maar is het Gods karakter dat door alles heen zichtbaar wordt.

Wie is de God die je redden zal? vraagt Nebukadnesar woedend, als blijkt dat zij niet buigen. Het is de vraag van Psalm 42 die Hij stelt. Waar is God op wie je bouwt? En als anderen je de vraag niet stellen, dan is het een vraag die je zomaar aan je zelf kunt stellen. Waar is God om mij te redden?

Maar met de dood voor ogen klinkt hun antwoord: God is bij machte ons te redden.

God draagt de hitte

De oven wordt heter gestookt. Je ziet de veeleisendheid van een koning, van een godheid die enkel dreigt en angst aanjaagt, als hij niet krijgt wat hij wenst. Een eisende god is het, die niets geeft, maar enkel neemt. De hitte is verzengend. De mannen worden in het vuur geworpen. Alleen al door de hitte worden anderen gedood.

En dan de ontzetting van de koning. Niet alleen ziet hij de drie mannen wandelen in het vuur. Maar één is bij hen. Een vierde gestalte, gelijk aan een godenzoon. Een engel, zal Nebukadnesar later zeggen.
En hij hoort de vrienden zingen. Ze prijzen God en loven Hem. Midden in het vuur klinkt boven de vlammen uit een lied tot God. Ik zal zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht, de God van het leven.

Daarom zingen wij in de kerk. Daarom is voor veel van ons muziek en zang zo onmisbaar. Omdat het door de verschrikkingen heen iets doet oplichten van God zelf die met ons is. Je zingt het uit, en je zingt het in, om er door gesterkt en bemoedigd te worden.

In de afgelopen week hebben wij afscheid moeten nemen van twee gemeenteleden, Jannie Koodering Clemens en Annie Flipse. Het trof mij dat bij de dankdienst voor hun leven, afgelopen dinsdag voor Jannie, en donderdag voor Annie, hetzelfde lied ten gehore werd gebracht. ‘Dank sei der Herr’.
Zij hebben beiden bij leven aangegeven, dit moet klinken. Een danklied tot God. Het weerspiegelt iets van hun vertrouwen, dat door de tranen heen de lof aan God gezongen wordt om zijn goedheid.

Zo zingen wij in goede en kwade dagen van onze God, van wie wij al ons heil verwachten.
En tegenover die veeleisende en beangstigende god van Nebukadnesar, verschijnt in de hitte van het vuur God zelf. Hij komt tot ons in de nood, als een bondgenoot. Naast de drie jonge kerels wandelt God zelf, in de gedaante van een jonge man, of van een engel.
En zij blijven ongedeerd. De hitte en de verschroeiing komt niet op hen, maar op God. Hij gaat het dodelijke vuur in, om hun naaste te zijn. Zo maakt Hij zijn naam tot in de diepte waar: Ik zal er zijn.

Door het vuur hen aanschouwen wij God in zijn diepste wezen. Hij zelf draagt de vernietiging. Zoals Christus de dood inging, in het graf was, en de kilte van het dodenrijk op zich nam.

En nu, nu hoeven wij de vernietiging, het doodse einde, de afgrond, niet meer te vrezen. Omdat God er is. En Hij zelf de dood draagt. De Vader en de Zoon, zij dragen de verschroeiing. Opdat wij er niet door worden verteerd.

Zijn nabijheid is onze redding. In Christus gaan wij niet ten onder in de dood, maar is ons het leven geschonken met God. Van wie we belijden dat Hij een God van het leven is. Aan de vernietiging zal Hij ons niet prijsgeven. In Godsnaam draagt Hij ons leven door de diepte heen.

Laten we dat ook tegen elkaar zeggen, gewoon zo af en toe. Als je een mens ontmoet in nood. Als je een wanhopig jongen op je pad krijgt, of een moedeloze oude vrouw. Dat wij elkaar in Christusnaam aanzeggen: het vuur zal ons niet verteren, omdat God er zelf in onder is gegaan.

Wij hoeven geen helden te zijn. God zelf is onze Held. Dat is genoeg.

Daniel 3
Zondag 16 juli 2017, 9.30 uur
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk