Een wondere wereld

Een man van een jaar of vijftig stond op en zei, in prachtig Oxford-Engels: ‘In de afgelopen week heb ik God gezien.’

Dit gebeurde in de zomer van 2009. Mijn oudste zoon had eindexamen gedaan, en omdat de uitkomst tevre- den stemde, trakteerde ik hem op een weekend Londen. Samen met mij. Een vader-zoon ding noemen wij zoiets. Met de een of andere price fighter vlogen wij voor een paar tientjes naar Londen, waar vader voor het door zoonlief uitgezochte hotel overigens wel wat meer dan een paar tientjes mocht betalen.

Naast ons hotel bleek zich de hoofdvestiging van de Britse Quakers te bevinden. Toen we dat zagen, stootten we elkaar meteen aan. We zijn al jaren bevriend met een Amerikaanse familie die lid is van dit in Nederland vrij onbekende kerkgenootschap. De Quakers vormen een kerk die vooral in Engeland en in Amerika aanhang heeft. Hun kerkdiensten noemen ze meetings, wat ontmoetingen betekent. De Quakers kennen geen voorganger, geen priester of dominee. Zelfs geen liturgie. De bezoekers van een meeting gaan in een kring of een vierkant zitten en worden stil. Een uur lang wordt er gezwegen, tenzij er iemand de behoefte voelt om op te staan en iets te vertellen.

Een inzicht, een ervaring, een gedachte, iets wezenlijks dat erom vraagt met anderen gedeeld te worden. De meetings van de Quakers zijn dus tegelijk heel rustige en behoorlijk span- nende bijeenkomsten.

Dus togen wij op zondagmorgen naar zo’n meeting bij de buren van ons hotel. Tot onze verrassing, en ook wel een beetje tot onze teleurstelling, bleek de grote meetingzaal beneden verhuurd aan een Afrikaanse Pinkstergemeente die haar diensten, zo merkten we al snel, allerminst zwijgend vierde. De Afrikaanse gelovigen die zich in de grote ruimte verzamelden hadden zich stuk voor stuk aangekleed alsof ze een bruilof van een nabij familielid gingen vieren. In onze eenvoudige vakantiekleding wierpen we vanaf de drempel een snelle blik op de band die tamelijk luidruchtig aan het soundchecken was.

Een vriendelijke man verwees ons naar de derde etage, waar -zo vertelde hij- de broeders en zusters van de Quakers ergens in een zaaltje hun meeting hielden. Terwijl wij de trap beklommen, probeerde ik te doorgronden wat het betekende dat in het hoofdkwartier van de Quakers de Quakers zelf naar een bovenzaaltje waren uitgeweken.
In het bewuste zaaltje verzamelden zich die morgen zo’n vijfentwintig quakers en belangstellenden. Iemand heette ons om klokslag tien uur welkom en de meeting begon. We werden stil. Zwijgend probeerden we niet te luisteren naar de donkere bas van de band die drie verdiepingen lager speelde.

Na een klein kwartier stond één van de aanwezigen op, een man van een jaar of vijftig die ons in chic Oxford-Engels het volgende meedeelde: ‘In de afgelopen week heb ik God gezien.’ Hij wachtte even, keek de kring rond, en legde toen uit wat hij bedoelde. ‘Ik liep bij ons in de straat en toen zag ik hoe een Bobby, een van onze politieagenten, een wiel verwisselde van de auto van een zwarte vrouw. De Bobby had zijn helm afgedaan, hij zat op zijn knieën op het asfalt, en hij hielp die dame met haar lekke band.

En later die dag dacht ik: “Het is een bijzondere dag vandaag, want vandaag ik heb ik God gezien. Dat wil zeggen: de liefde van God. Zomaar. Overdag. Op straat. In twee mensen die elkaar hielpen.” De man ging zitten en het werd weer stil in het bovenzaaltje van het hoofdkwartier van de Engelse Quakers. Op het donkere geluid van de bassist van de band in de grote zaal op de begane grond na dan.

Toen we na de meeting de trap weer afliepen en even bleven stilstaan om naar het zingen van de Afrikaanse Pinkstergelovigen te luisteren, zei ik tegen mijn zoon dat we in een wondere wereld leven. ‘Dat weet ik wel,’ reageerde hij een beetje verveeld.

Ds. Frans-Willem Verbaas