Eenvoudig leven: Meeleven met vervolgde christenen

Vandaag schrijven we zeven juni: er is ruim een maand voorbij sinds de gewelddadige dood van Al Qaida-oprichter
Osama bin Laden. Hij bewoonde, zoals intussen bekend, een versterkt huis even buiten Abbotabad en Kakul, in de noord-westelijke grensprovincie van Pakistan. Wie www.maplandia.com raadpleegt, ontdekt dat de sjeik hemelsbreed niet ver af woonde van een militaire academie en een doorsnee-provinciestad met moskee, ziekenhuis en kazerne. Dat er heel wat kazernes en militaire installaties in die regio van Pakistan zijn, is niet vreemd. In dit gebied bestrijden 160.000 militairen de Tehrik-e-Taliban en hun aanhang.

Het doden en wegnemen van Osama bin Laden door de Amerikanen op Pakistaans grondgebied is -schrijft Suzanna Koster in de krant van vandaag- een klap in het gezicht van het oppermachtige leger van Pakistan. Maar het is niet het enige schandaal; er zijn er in dit jaar meer incidenten geweest. Ze vertelt hoe journalisten en parlementariërs openlijk kritiek uiten op de taakopvatting van de militairen. Die zouden zichzelf verrijken en bezig zijn met heel wat andere zaken dan waarvoor ze militair zijn: het beschermen van de nationale veiligheid tegen vijanden van buiten of bedreigingen van binnenuit. Maar de legerleiding hoeft zich niets van de kritiek aan te trekken; die heeft niet de plicht om zich te verantwoorden tegenover de burgerlijke overheid. Het leger is een bijna oppermachtige organisatie. Aan het eind van het krantenartikel citeert Koster Fasih Bukhari, admiraal b.d. Hij is een militair met veertig dienstjaren, en geeft een meerduidig antwoord op de vraag, wat Pakistan tot Pakistan maakt. “We hebben
gekozen voor een islamitische identiteit, waardoor religieuze minderheden worden buitengesloten.” Als ik het artikel van Suzanna Koster op me laat inwerken, dan bedenk ik een paar dingen. Wie zijn die ‘wij’ geweest, waarover de oud-admiraal spreekt ? Het wordt pas duidelijk, wanneer je je verdiept in de geschiedenis van Pakistan. De staat is in de jaren ’40 na de souvereiniteitsoverdracht door de Britten zelfstandig geworden, van meet af gewantrouwd door het buurland India. Pakistan als islamitische republiek is geboren in de hoofden van dichters en denkers, zoals Muhammad Iqbal en feitelijk gerealiseerd door begaafde staatslieden als Muhammad Ali Jinnah. Het moest de verwezenlijking worden van de droom van een onafhankelijke staat voor 100 miljoen moslims in het na-oorlogse Brits-Indië, onder leiding van de Moslim Liga (Jinnah in een brief aan Churchill, juni 1946).

Het streven naar een -zoals Paul Cliteur bij ons- moderne, seculiere staat heeft weinig kans van slagen in Pakistan. Zou de regering of de krijgsmacht of wie ook maar dit voor elkaar krijgen, dan nam men daarmee tegelijk de bestaansreden van het onafhankelijke Pakistan weg.

Dat de Pakistaanse overheid en eigenlijk dus de Pakistaanse krijgsmacht de nationale veiligheid verdedigt -maar dit doet zonder de mensenrechten te handhaven- wordt wel goed duidelijk uit de berichten van Amnesty international. Ook de christenen als minderheid (een kleine drie miljoen mensen op een totale bevolking van intussen 187 miljoen zielen) hebben niet veel goeds te verwachten van de overheid. Die handhaaft aan de hand van de wetgeving op de godslastering de nationale, islamitische identiteit. Wie geen moslim is, is eigenlijk een godslasteraar. De stichting Open Doors heeft Pakistan dan ook op nummer elf in de ranglijst van landen gezet, waar christenen vervolgd worden.

Nog een opmerking tot slot. Abbotabad en Kakul in de noord-westelijke grensprovincie van Pakistan liggen op
nog geen zestig kiloneter verwijderd van de stad Rawalpindi. Daar aan de Murree Road 126 B bevindt zich het Christelijke Studie Centrum, dat deels met kerkengeld uit Nederland gesteund wordt. Mehboob Francis Sada was daar de inspirerende directeur, totdat hij overleed op 14 januari van dit jaar, betreurd door zijn kinderen en studenten. Dat Mehboob Francis Sada in aanzien stond als bruggenbouwer tussen christenen en moslims werd duidelijk, toen de Pakistaanse regering hem in 2003 de National Cultural Award verleende. Maar dat voorrecht valt bepaald niet alle christenen in Pakistan te beurt. Op 19 januari van dit jaar kwam Parvez Iqbal in het mensenrechtencomié van het Europese Parlement in Brussel de nood van de christenen klagen. Als gevolg van de wetgeving op de godslastering zijn onze zusters en broeders in Pakistan de dupe geworden van restrictieve maatregelen en pesterijen. Parvez Iqbal, de woordvoerder en voorzitter van het Pakistaans Christelijk Congres, afdeling Holland, woont intussen in ons land en voelt zich daarom misschien vrij om te zeggen wat hij denkt.
Volgens mij bestaat het eenvoudige leven als christenen hierin, dat wij zullen meeleven met vervolgden en ons
voor hen inzetten.