Doopdienst P.G. de Hoeksteen

En God zag dat het goed was

In de dienst van vanmorgen staat een kleine jongen centraal. Een prachtig kind. Hij is nog maar een paar maanden oud, zeer geliefd door zijn ouders, en hij brengt een heel belangrijk, essentieel deel van zijn leven door op een boot. Als u dat hoort, dan weet u natuurlijk dat we het hebben over…..

Ja, over wie hebben we het dan eigenlijk?

Laten we beginnen met Mozes.
Een kind dat geboren werd in een volstrekt andere tijd dan de onze.
Een onvoorstelbaar harde tijd.
Mozes’ ouders, Amram en Jochebeth, konden niet anders dan dat concluderen, als ze in de stilte van de avond of de nacht fluisterend met elkaar spraken.

In wat voor wrede wereld waren ze terecht gekomen?
Hun twee oudste kinderen moesten al meehelpen om te zorgen voor het dagelijks brood,
Amram moest dagelijks uren in de brandende zon werken voor de farao en zijn wrede knechten,
en nu was er ook nog die nieuwe regel, dat alle pasgeboren jongetjes in de Nijl moesten worden gegooid….

Een gebod om van te huiveren,
om van te walgen.
Want ieder van ons voelt aan hoezeer zo’n gebod indruist tegen onze natuurlijke neiging
om dat wat onschuldig is, en klein, te willen beschermen.
Ieder van ons voelt aan hoe ziek die farao was, door zich bedreigd te weten door weerloze kinderen.

En toch.

Toch werden er in de wereld van deze wrede farao kinderen geboren.
Prachtige kinderen, zoals Mozes.
In de tekst die we lazen vanuit Exodus staat het er zelfs expliciet bij: het was een mooi kind.
Of eigenlijk moeten we met het Hebreeuws lezen: het was een tof kind.
Het was goed.

En je hoort in die woorden de bekende woorden uit het scheppingsverhaal meeklinken: En God zag dat het goed was.
Het woord ‘goed’ werd uitgesproken bij de geboorte van de wereld, en wordt hier nu, bij de geboorte van dit kind, opnieuw uitgesproken.

Dat het kind goed is, zien zijn ouders Amram en Jochebeth ook.
En zij voelen tot in de vezels van hun bestaan dat het niet goed zou zijn om dit kind over te geven aan het water van de Nijl en haar wrede inwoners.
En dan gaat moeder Jochebeth over tot een geniale actie: namelijk één waarin ze wel lijkt te gehoorzamen aan de farao, maar dat toch niet doet.

Ja, Jochebeth geeft haar kind over aan de Nijl, maar…. ze doet dat niet zomaar.
Ze geeft hem de bescherming mee van een mandje.
Een teba zoals er in het Hebreeuws staat, een ark.
Een ark, een mandje, dat haar kindje draagt, koestert, beschermt,
Een arkje, een dunne laag van gevlochten papyrusriet,
dat het onderscheid uitmaakt tussen leven en dood.

Jochebeth moet haar zoon loslaten, haar armen dragen hem niet langer,
mogen hem op last van de farao niet langer dragen,
en ze draagt hem over aan het water, omhuld door dat kleine arkje, dat biezen mandje.
Ze zorgt ervoor dat haar kindje gedragen blijft.

En met die daad van ongehoorzame gehoorzaamheid laat Jochebeth zien dat ze dan weliswaar een slaaf is van de farao, maar geen slaaf van het lot.
Zij, als moeder, ziet Gods goede scheppingswerk, in haar eigen kind.
Ze ziet daarin een glimp van God, die schiep, die trouw blijft tot in eeuwigheid.
God die nooit loslaat wat zijn hand begon, ook niet als wij onze kinderen los moeten laten.

We weten hoe het verhaal verder gaat. De dochter van de farao vindt het kindje.
Middenin die harde, wrede wereld van toen is er iemand wiens hart niet verhard lijkt te zijn.
Ze neemt het kind aan als haar eigen kind, en noemt het ‘Mozes’.
Op zich is Mozes in het Egyptisch helemaal geen bijzondere naam. Het betekent gewoon ‘zoon van’.
Maar in het Hebreeuws klinkt die naam heel anders. Daar betekent het zoiets als: ‘uit het water getrokken’ of ‘hij die uittrekt’.

En daarin schuilt een belangrijke kern van het verhaal uit Exodus: God die uit het water trekt. God die bewaart.

Gemeente, ik zei zojuist al dat in de dienst van vanmorgen een kleine jongen centraal staat. Een prachtig kind. Hij is nog maar een paar maanden oud, zeer geliefd door zijn ouders, en hij brengt een heel belangrijk, essentieel deel van zijn leven door op een boot.

Zijn naam is Ibrahim en hij is, met vele, vele anderen aangekomen op een strand of in de haven van een land waar zijn ouders voor hem een veilige plek hopen te vinden.

Vorig jaar zond de EO de serie ‘Rot op naar je eigen land’ uit. Misschien heeft u het wel gezien op TV. Aan die serie namen zes mensen deel die een zeer uitgesproken mening over vluchtelingen hadden en dingen zeiden als: niemand is hier welkom, ga terug naar je eigen land, en ook die kinderen van jullie hoeven we hier niet!!

In deze serie namen de programmamakers de deelnemers mee op reis. Ze zagen voor het eerst een asielzoekerscentrum en een gevangenis van binnenuit. Ze hoorden de verhalen over het leven in andere landen en werelden, leven dat soms geen leven was. Ze reisden naar de vluchtelingenkampen en moesten daar verblijven, met alles wat de mensen daar ook hebben – met niets dus.

Op een bepaald moment ziet één van de deelnemers aan het programma, een al wat oudere vrouw, een paar kleine kinderen spelen in de modder, spelen met niets, en zij breekt in tranen uit.
Deze vrouw was zelf oma. En ineens dacht zij: dit hadden mijn eigen kleinkinderen kunnen zijn. Zij zag deze kinderen ineens zoals ze waren: nieuwe scheppingen, prachtige kinderen, onschuldig aan wat hen overkwam.

En ze zag misschien ook wel hoe de ouders van deze kinderen net als Jochebeth destijds, hun hoop hadden gevestigd op een gammel bootje, een paar centimeter materiaal tussen hen en het gevaarlijke water. De deelneemster zag misschien wel hoe de ouders van deze kinderen hun haast wanhopige daad van ongehoorzaamheid hadden verricht: zij gaven zich niet over aan het lot, gaven zich niet over aan een regime van terreur, aan een uitzichtloze toekomst, maar gaven hun lot in handen van iets, van Iemand, die hen zou dragen.

De deelneemster kon niet meer verder gaan met het programma, en is terug naar huis gegaan.

In de dienst van vanmorgen staat een kleine jongen centraal. Een prachtig kind. Hij is nog maar een paar maanden oud, zeer geliefd door zijn ouders, en hij brengt een heel belangrijk, essentieel deel van zijn leven door op een boot. En natuurlijk is zijn naam Hannes.

Hannes is een prachtige nieuwe schepping. En Koos en Gesine zullen u precies kunnen vertellen hoe mooi hun zoon is. Het is een tof kind, om het nog eens te zeggen met de woorden waarmee Mozes omschreven werd. Een teken van hoop.
En die tekens hebben we nodig, ook in onze tijd.

Onze tijd, die dan misschien heel anders mag zijn dan de tijd waarin Mozes leefde.
Onze wereld, die dan misschien heel anders mag zijn dan de wereld waar de vluchtelingen vandaan komen, of de wereld waarin de mensen leven waar we vandaag op zondag werelddiaconaat voor zullen collecteren en voor gaan bidden….
Onze wereld is desondanks soms net zo goed een wereld
waarin je het gevoel kunt hebben er in te verdrinken.

Wij waren vorige week een weekje weg, een weekje bijna zonder mail en zonder nieuws,
en bij thuiskomst lag er een dik pak kranten op ons te wachten. Als je die dan doorbladert, is het haast niet te bevatten wat er in één enkele week allemaal is gebeurd, en wat er allemaal over ons heen komt.
Je hebt soms dagen waarin alles wat je zelf meemaakt of hoort, haast niet in je hoofd past. En dan hebben we het nog helemaal niet over wat mensen om je heen mee moeten maken, waar zij doorheen gaan, of niet doorheen kunnen komen, mensen om wie je je zorgen maakt, om wie je geeft.

Het zijn dagen waarin je soms de neiging hebt je in je huis te verschansen, om je te beschermen tegen de vloedgolf van het dagelijks leven. Alhoewel je weet dat het niets helpt.
Dagen waarin je merkt dat je eigen levensbootje ook maar fragiel is, klein, kwetsbaar.
Je merkt dat dat bootje eigenlijk helemaal niet opgewassen is tegen het leven waarin we terecht zijn gekomen.
En ook bij de mensen om je heen kun je dat zien, ben je bang voor lekkage, ben je bang dat zij zullen wegzinken in de golven.
En tegelijk weet je ook, besef je ook, dat jij ze niet vast kunt houden – je kunt jezelf amper vasthouden…

Het zijn momenten waarin je een goed bericht kunt gebruiken. Een goed bericht, dat ons laat weten dat we ons niet klakkeloos over hoeven te geven aan het lot. Een daad van hoop, een teken van vertrouwen, vertrouwen dat we niet zomaar zullen zinken, maar dat God dat bootje van ons leven bewaart en beschermt, dat hij het zal dragen, overal doorheen, zelfs al is het door de dood heen.

Vandaag krijgen we zo’n goed bericht aangereikt.
Door de doop van een kleine jongen, Hannes, bijna 10 maanden oud.
Koos en Gesine brengen vanmorgen hun zoon in ons midden, in Gods huis, voor zijn aangezicht.
In het besef dat zij hem in zijn leven niet vast zullen kunnen houden,
maar hem ook niet zomaar los hoeven te laten.

Als Hannes groeit, sterker wordt, zelfstandiger, zal hij steeds meer zijn eigen weg gaan zoeken. Je wilt hem letterlijk beschermen voor het water,
maar hem ook de vrijheid geven om te spelen.
Op een gegeven moment zul je hem leren fietsen en sta je angstig te kijken of het wel goed gaat. En er komt een dag dat hij voor het eerst naar school gaat en je hem uren uit handen geeft. Je zult niet de eerste ouder zijn als je daarbij een traan laat.

Maar vandaag, in deze kerkdienst, laten jullie zien dat jullie dat loslaten niet zomaar doen.
Je geeft je kind niet zomaar over aan het leven, aan het lot. Nee.

Je gelooft dat er één is die jullie kindje ziet, die het vindt, die het in de armen neemt en zal dragen. Jullie geloven dat er één is, die jullie kindje vanuit de chaos van het leven opvist.
Die zijn eeuwige armen onder jullie zoon houdt en hem aanneemt als zijn eigen kind. Kind van God.

En daarom zijn jullie hier vanmorgen in de kerk en dragen jullie je zoon op aan God.
Jullie vragen aan God of hij Hannes wil dragen als jullie hem los moeten laten. Door het leven heen, door alles heen wat daar gebeurt, zelfs door de dood heen.

Dat opdragen aan God doen we met simpele aardse middelen.
Papyrusriet hebben we niet, een mandje zoals Mozes dat had kunnen we niet maken, dus jullie eigen armen symboliseren het arkje, jullie eigen armen zijn symbool voor de armen van God.
En misschien kunnen jullie je eigen schip ook wel beschouwen als zo’n symbool. Zoals de Eben Haezer jullie draagt door het leven, zo draagt God Hannes, en draagt hij jullie als gezin.

De doop is een teken van God, dat hij jullie kind wil behoeden en bewaren. Dat hij bij hem is. En nee, geeft geen garantie op een zorgeloos en foutloos leven – maar net als Jochebeth wagen jullie het er op. Gelovend in en hopend op Gods genade.

Het is niet de chaos van ons leven dat ons bepaalt, niet het noodlot. Nee.
We mogen leven in vertrouwen en in verwachting. We mogen geloven dat, hoe fragiel ons levensbootje ook is of voelt, hoe teer en kwetsbaar het allemaal ook is, dat Gods eeuwige armen onder ons zijn.

God geeft vandaag zijn belofte aan Hannes, maar hij geeft die belofte ook aan ons, als goed nieuws, als teken van hoop en van geloof dat hij ons zal blijven dragen, dat het goed is, en goed zal worden.

Amen
Doopdienst 5 februari 2017
Exodus 2:1-10
Ds. Annemarie Roding