En nu staat Jezus op.

Afgelopen week was ziekenhuispredikant, of zielzorger, zoals ze zelf graag zegt, Margriet van der Kooi in gesprek met het pastoraal college. Over vragen rond het levenseinde, lijden en dood. Hoe de kerkelijke gemeente daarin van betekenis kan zijn voor elkaar.
Ze zei ook: kun je je eigen sterfelijkheid onder ogen zien? Een gewone griep, een koortsig lijf, zijn momenten die je bewust maken van je sterfelijkheid. Dat het leven een einde kent.

Marcus vertelt van een vrouw die neerligt. Geveld is ze. Door koorts. Of preciezer gezegd, door een koortsvuur. En in dat woord ligt een kracht, dat doet vermoeden dat Simons schoonmoeder geen gewone griep heeft, waardoor ze het bed moet houden. Er zit iets vurigs in, een gloed, een vurige kracht die haar geveld heeft.

Wij maken vaak een heel sterk onderscheid tussen lichamelijke ziektes, psychisch lijden, zielepijn. Dat maakt het voor ons misschien ook wel verwarrend, om te lezen over koorts, en genezing door Jezus. Maar ik denk dat we Marcus zo moeten verstaan, dat hier sprake is van een krachtenspel, dat meer is dan het menselijk lichaam, dan virussen en bacteriën, meer dan een diagnose uit de DSM.

De vrouw is gegrepen door een vuurgloed in haar binnenste, die haar neerwaait. Ze is gevloerd.
Een gloed die vanuit het Oude Testament iets weerspiegelt van een kwade gezindheid. Alsof je overweldigend bent door een kracht die groter is dan jij, je bent onmachtig, lamgeslagen. Een koortsvuur dat het krachtenspel laat zien tussen God en de machten.

Voor ons, in dit land, met goede medische zorg, therapeutische zorg, is het misschien wel moeilijker om te zien, dan voor wie leeft in een omgeving waar dat krachtenspel meer aan de oppervlakte ligt. Door oorlog, of armoede, of geweld.

Maar toch, misschien als je zelf ziek bent, dat je dat ook wel merkt. Hoe ziekte meer is dan een diagnose, dan een medicijn. Hoe je ingeklemd zit tussen pijn en onmacht, tussen boosheid en doodsangst. Tussen hoop op herstel en je gezondheid die afbrokkelt.
Hoe diep het raakt aan je leven, aan je levenskracht.

En ook als je niet ziek bent, dat krachtenspel, daar bevind je je allemaal in denk ik. Dat er dingen in je omgaan, die je niet zelf in de hand hebt. Gedachten in je opkomen die je beangstigen. En je maakt een keuze die je eigenlijk niet wilde maken, en toch gemaakt hebt.

Een mens is meer dan zijn, dan haar lichaam. Je bent meer dan je brein, dan een biologisch proces. En we doen het evangelie tekort als we de dingen teveel uit elkaar trekken. De kwetsbaarheid van je lichaam, de barsten in je ziel, de last in je hoofd, dat een arts ze onderscheidt, en zich focust op dat ene, dat is denk ik goed en nodig. Maar in het evangelie is een mens meer dan dat ene.

In dat huis, bij de schoonmoeder van Simon, wordt zichtbaar hoe God een God-met-ons is. Hij is aanspreekbaar, in zijn zoon, Jezus. Ze spreken Jezus aan over haar, schrijft Marcus. Het gaat niet goed met haar. Een dokter is niet wat we nodig hebben. Uw kracht hebben we nodig. Blijkbaar voelt die schoonzoon, Simon, dat haarfijn aan. Hier is iets anders dan een griepvirus aan de orde. Dit gaat boven onze macht.

En de vrouw, gegrepen door dat koortsvuur dat in haar woekert, ze wordt gegrepen door Jezus. Heel lijfelijk ook, Hij pakt haar hand. Heel tastbaar, ontroerend is dat ook. Niet alleen je hoofd, je ziel, maar ook je lichaam. Heel jouw wezen, beroerd door de liefde Gods.
Een Paaswonder geschiedt. De kracht van Jezus vloeit in haar over. En zij die neerlag, gevangen in een vurige kracht die haar verpletterde, zij staat daar, hand in hand met Jezus, recht op haar voeten.

Was ze niet bij machte om op te staan, om haar gasten te ontvangen en te dienen, nu heeft ze vaste grond gevonden. En ze dient hen met hart en ziel, met voedsel en gastvrijheid.

De massa
Dan valt de avond.
De sabbat loopt ten einde.
Het donker valt in.
Het lijkt alsof de duisternis iets loswrikt. Massa’s mensen komen op de been. Vele, vele mensen. Ze komen samen bij het huis waar Jezus is. Ze drommen samen voor de deur. Verbonden in een verlangen naar die ene mens. Die een kracht heeft, waar je ziel van herleeft.

In Joodse begrippen begint de dag bij de avond. Als het donker valt, dan begint de dag. En het is alsof in al die mensen iets wakker gekust is, waardoor ze hopen: laat deze dag anders dan zijn de dag van gisteren. Laat het een dag zijn die iets nieuws brengt.

Ze worden bij Jezus gebracht. Je ziet hier iets van de dragende kracht van een gemeenschap. Hoe een sterke vrouw en zwakke man ondersteund. Een blijmoedige man de hand pakt van een angstig kind. En een onbevangen kind de krukken aanreikt aan een oude vrouw. Zo komen vele, vele mensen bij Jezus.

Ze zijn er slecht aan toe. Kwalijk gesteld. Demonen huizen in hen. Dreigende krachten houden hen gevangen. En ik denk, veel van ons zouden er zo tussen gaan staan. Het gaat hier niet om een verschil tussen zieke en gezonde mensen. Maar om de gesteldheid van je hart, om dat wat op je ziel drukt. Demonen zijn die krachten die je van binnen verscheuren. Uit elkaar trekken. Ze verstoren de dingen, brengen je in verwarring, verontrusten je. Als een macht die over je komt en je meesleept. Zachtjes, voorzichtig, geleidelijk. Of woest en onontkoombaar.

We moeten geen doktertje spelen, schreef iemand over deze teksten. Demonen zijn tijdgeesten, en wie kan zeggen daar vrij van te zijn?

Als koorts ons bewust maakt van onze sterfelijkheid, zijn wij ons dan ook bewust van de kwetsbaarheid van onze ziel?

Alsof je in stukjes uit elkaar valt, als een vaas die in scherven uiteenbreekt, en overal vind je een stukje, en sommige stukjes vind je nooit meer terug. En lijmen, het gaat maar nauwelijks.

Ik denk dat jonge mensen die zich veelvuldig verliezen in drank en drugs, zich vaak juist heel sterk bewust zijn van die kwetsbaarheid. Dat is beangstigend, en overweldigend. Misschien dat je daarom dan die grens opzoekt, en die angst probeert de verdoven.

En ik weet het, er zijn mensen onder ons die gezegend zijn met een grote innerlijke kracht. Die mens uit één stuk zijn. Een helder hoofd en een helder hart. Niet zo vatbaar voor die demonische machten, voor die kwalijke onderstroom.
In die innerlijke kracht kun je vaak ook van veel betekenis zijn. Op je werk, in de gemeente, voor je gezin. Ik zie dat ook onder ons. Kostbaar is dat. Misschien ben je dan wel een van die mensen die een ander draagt, een ander bemoedigt, versterkt.

Maar voor veel van ons is het anders. Soms weet je het, soms zie je het aan hoe een mens kijkt, of praat. Alsof een blik, een oogopslag, een innerlijke onrust weerspiegelt. En je kunt elkaar daar ook in herkennen. Dat het niet zomaar goed met je gaat. Dat je er kwalijk aan toe bent.

Het is het begin van de zondag, als de massa mensen bij de deur staat, om bij Jezus te zijn. Zoals wij vandaag, 200, 300 mensen, hier gekomen zijn. Toch ook om dichtbij Jezus te zijn. Omdat je aanvoelt, ik moet hier zijn. In de nabijheid van de Heer. En al die stukjes van je leven die raap je bijeen, en hier leg je ze neer. Bij God.

En de hoop dat die nieuwe dag anders wordt, dan de dag van gisteren, die hoop houden wij overeind. Vandaag, op de dag die wij vieren als de opstandingsdag. Want de dingen zijn anders geworden. Wij, de mensen, wij zijn niet zoveel anders geworden. Maar dit wel: Jezus is er. Jezus in ons midden.

En in zijn stille nabijheid, in zijn wonderlijke kracht, maakt Hij de dingen anders. Omdat zijn bevrijdende liefde zichtbaar maakt dat jij meer bent dan wat er in je omgaat. Demonen die je kwellen, zijn krachten waar Jezus de strijd mee aangaat. En die strijd laat zien dat je er ook van bevrijdt kunt worden. Je bent meer dan je onmacht. Dan je falen. Meer dan die innerlijke verbrokkeling, waardoor je van binnen leegloopt. Moe van het denken, bang voor de leegte, verbitterd door de onmacht.

Ergens in die verbrokkeling, komt Jezus wonen. Als een laatste woord, dat de demonen het zwijgen oplegt. En langzaam iets herstelt in jou, van wat gebroken is.

Het gebed
Vroeg in de ochtend, als het nog nacht, staat Jezus op. Hoor je? Aan het slot van het evangelie lezen we dit opnieuw. Vroeg in de ochtend, als het nog nacht is, lopen vrouwen in stilte naar het graf van Jezus. Maar Hij is er niet. Hij is opgestaan.

En nu staat Jezus op. Het is nog nacht. Maar het gaat naar de morgen toe, naar het licht. Maar Jezus gaat naar de woestijn. Het is de plek waar de demonen wonen, waar ze thuis zijn. In de chaos en de wildernis. Daar wonen de demonen. En precies dat is de plek waar Jezus gaat bidden.

Midden in dat krachtenveld, waar wij maar nauwelijks staande blijven, of vooral omvallen en zo goed en zo kwaad als het gaat weer overeind krabbelen, dat krachtenveld zoekt Jezus op. Hij staat daar midden tussen de demonen. Tussen krachten die verwoesten, en ontwortelen. Die je tot vertwijfeling brengen, en tot bitter cyniscme. Tot ongeloof en wanhoop. Daar is Jezus.

En Hij knielt neer. En Hij bidt. Zo eenzaam. Zo verscheurd ook. Een man die de vragen kent, en de worsteling. Hij was in de woestijn, bij de wilde dieren, verzocht door de satan die een uiteendrijver genoemd wordt. Die je van binnen stuk maakt. Jezus is daar geweest. Hij kent dat. Jezus is geen serene, heilige, ongenaakbare godenzoon. Maar een levende Heer, met een hart dat vertwijfeling en verdriet kent. En diepe angst.

En van Hem vragen wij kracht. Het kost Hem wat, om die kracht te geven. Het raakt Hem, om onze zoekende zielen te zien, te helen. In zijn ziel draagt Hij onze zielepijn. In zijn hart draagt Hij onze verscheurdheid, de scherven van ons leven. Hij draagt het in zich om. Hj worstelt ermee.

En als wij samendrommen, zoals die vele vele mensen, dan zien wij Hem geknield in de woestijn. Hij bidt tot God, die zijn Vader is. Tot de God die wij in Jezus’ naam Vader noemen mogen. Hij richt zich op God. En wij, wij zien Hem bidden.

Hij bidt voor jou. Voor jou en mij, krachtig mens, of verscheurde ziel, moedig, of gebroken. Hij bidt voor ons. Dat je geloof niet op zal houden. Dat in je ziel zijn kracht oplicht.

Hij bidt voor ons. Geprezen zij zijn naam.

Zondag 4 februari 2018, 10.00 uur
Marcus 1: 29-39
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk