Er is Iemand die op ons wacht

Lucas 14: 12-24

PauluskerkDrie maanden geleden, in juni is de nieuwe Pauluskerk in het centrum van Rotterdam geopend. De kerk staat aan de Mauritsweg, op de plaats van de oude Pauluskerk. Als je ervoor staat zie je in de verte de enorme haaienbek van het nieuwe Centraal station. Men heeft de oude Pauluskerk afgebroken, het grootste deel van de grond verkocht,  en met de opbrengst daarvan een kleiner gebouw neergezet. ‘Budget neutraal’ zo heet dat. Slim gedaan. En het resultaat, met zijn koperen gevelbedekking, is verrassend. Ik weet niet of u de  kerk mooi vindt, maar het ontwerp is op zijn minst bijzonder, gedurfd, spannend, nieuwsgierig makend, futuristisch zelfs. Rotterdam kan niet om deze kerk heen.  Er circuleren al allerlei bijnamen van de nieuwe Pauluskerk: De Oliebol (inderdaad, in de winter, met een beetje sneeuw erop…) De Bitterbal. De Koperen Ploert (de gevelbedekking is koper). De predikant, ds. Couvee, de opvolger van Hans Visser, vindt zelf de mooiste bijnaam: De Diamant.  De nieuwe kerk is volgens hem een sierraad voor de stad. Het enige wat ik mis is een kerktoren. We kunnen de kerkklok zien hangen, maar ik mis de vinger, al is het maar een pink, die naar boven wijst. En ik mis ook een beetje het bekende citaat van Pauus dat op de gevel van de oude Pauluskerk prijkte: ‘Overwin het kwade, door het goede. – die tekst prijkt nu op een muur in de hal.  (Wie gaat mee op excursie? Kerkenraad? Gemeenteleden?)

We weten dat de Pauluskerk een bijzondere kerk is. Onder ds. Hans Visser werd de Pauluskerk een opvangplek voor drugsverslaafden. Inmiddels zijn er steeds minder drugsverslaafden, maar hun plek is in de Pauluskerk ingenomen door vluchtelingen, illegalen, daklozen, mensen die om wat voor reden dan ook rondlopen met hun ziel onder hun arm (kan iedereen overkomen!). De nieuwe Pauluskerk is zo ontworpen dat er juist voor deze mensen plaats en opvang is. En zo is de Pauluskerk als het ware een levende illustratie geworden bij de gelijkenis die we Jezus vandaag hebben oren vertellen. Over het feestmaal waar iedereen welkom is! De gemiddelde Rotterdammer gaat steeds minder naar de kerk – net als de gemiddelde Amsterdammer trouwens. Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken;  ik heb net een span ossen gekocht  en ik wil ze keuren; ik ben pas getrouwd – het meisje gaat even voor.’  De excuses van de Rotterdammers zullen wel iets moderner klinken, maar komen voor een flink deel op hetzelfde neer. Maar terwijl de gemiddelde  Rotterdammer het zo steeds meer laat afweten, heeft de Pauluskerk de deuren opengezet voor de armen, de kreupelen, de verlamden en de blinden uit de gelijkenis. Die krijgen er onderdak, een maaltijd, een menselijke behandeling. Alsof het iedere dag ziekenzondag is in de Pauluskerk, zeven dagen per week.  Want: Mijn huis moet vol zijn! zegt de gastheer uit de gelijkenis. Mijn huis moet vol zijn.

De afgelopen weken ging het in Lucas over: wie mag er binnenkomen in het Koninkrijk van God. En de teneur was steeds: je komt er niet zomaar in. Er is een deur die ook dicht kan. Want het maakt uit hoe je in het leven staat, welke keuzes je maakt, waar je in gelooft, wat je wel of niet doet…  Het blijven weerbarstige, lastige teksten: want diep in ons hart willen we en hopen we dat iedereen er welkom is. Diep in ons hart klinkt telkens dat stemmetje: God is toch liefde? Ja – God is liefde, Maar dat wil niet zeggen dat God altijd maar lief is en alles maar goed vindt.

Nu, in onze lezing van vanmorgen ligt het accent niet bij een beperkte toegang  – maar bij de onwil van mensen om er binnen te gaan. Want van de velen die wel uitgenodigd zijn, komt er een aantal gewoon niet.   Vers 15. Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit. Toen het tijd was voor het feestmaal, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen; ‘Kom, want alles is klaar.’ (We denken aan die bijzondere nieuwe Pauluskerk aan de Mauritsweg. Je zou toch verwachten dat men zich nu rijen dik voor de deur staat te verdringen op zondagmorgen om een plaatsje te bemachtigen voor de dienst. . Maar helaas… zo is het niet.)

Laten we wel zijn: de excuses die de genodigden aanvoeren, zijn zo gek nog niet. Bezit (ik heb net een akker gekocht); je werk (ik heb net een span ossen gekocht) of de liefde (ik ben net getrouwd) – dat zijn ook belangrijke dingen. Het is al heel wat als mensen hun verantwoordelijkheid nemen en een beetje verstandig omgaan met hun bezittingen, hun werk of hun bedrijf, hun vrouw (man) en kinderen. Deden ze dat maar een beetje meer, denken we soms. Sterker nog: het is Bijbels om prioriteit te geven aan de eerste levensbehoeften. In het Deuteronomium (20: 5-7; 24:5) worden een paar geldige redenen om dienst te weigeren opgesomd: een pasgebouwd huis (bezit), een pas aangelegde wijngaard (werk) of een pasgesloten huwelijk (vrouw) zijn geldige om niet mee ten strijde te trekken maar om thuis te blijven. Dat is de ene kant. De andere kant is dat onze dagelijkse besognes ons heel snel blind kunnen maken voor die aspecten van het leven die op het eerste gezicht misschien misbaar zijn – maar die toch een wezenlijk zijn voor het leven, of heilig. ‘De  mens leeft nu eenmaal niet  bij brood alleen… (Mat. 4:4)’  Mensen zijn ook geestelijke wezens, met spirituele behoeftes. Nogal wat mensen krijgen tegenwoordig te maken met een burn-out of overspannenheid, omdat ze altijd maar druk zijn met de zogenaamd belangrijker dingen van het leven (werk, auto, status, schone schijn), terwijl ze voorbijgaan aan al die kleine dingen die vaak juist toch groot zijn. Zoals: af en toe even stil worden. Aandacht hebben voor je omgeving. Aandacht hebben voor de mensen om je heen. Aandacht voor de genen die ons het leven geeft, aandacht voor God.      De gelijkenis roept ons op om niet te vergeten dat we niet zomaar op deze wereld zijn. Dat we genodigden zijn. Er is Iemand die op ons wacht. Er is Iemand die naar onze aanwezigheid verlangt. Tegen sommigen van u zou ik dat nog eens heel in het bijzonder willen zeggen: Er is een God die zich verheugt in uw, in jouw aanwezigheid, zoals je bent! Neem die uitgestoken hand toch aan! Jezus heeft ons in het Onzevader leren bidden: Uw koninkrijk kome. Maar hoe zit het et ons – willen wij wel komen in dat Koninkrijk? Willen wij er wel naar binnengaan?

De gelijkenis vertelt ons ook dat de gastheer van het messiaanse feestmaal het er niet bij laat zitten, als de genodigden het af laten weten. Hij is natuurlijk gekrenkt in zijn trots als gastheer. Maar hij blijft niet steken in zijn woede. Want belangrijker dan zijn woede is het feest dat moet doorgaan. Hij zegt tegen zijn dienaar: Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen. Dat doet die dienaar, en nu met succes, al zijn er zijn nog steeds een paar plaatsen over. Dan komt er een derde ronde. Nu mogen mensen van buiten de stad, komen (buitenlanders, illegalen, mensen zonder papieren ) – Jan en alleman zijn welkom. Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn.

Terug naar De Oliebol of de Bitterbal of de Diamant,  of hoe de bijnaam van de nieuwe Pauluskerk ook zal gaan luiden. Een opvallend gebouw, maar het is maar de vraag of de Rotterdammers in grote getale naar die nieuwe kerk gaan stromen. Goeie kans dat ze veel te druk zijn met de crisis, of met hun gezin, of met het bezoeken van de Koopgoot (ook op zondag geopend!), of met de vraag of er wel of geen nieuwe Kuip moet komen, of met de vraag of het nog wat zal worden met Feyenoord dit seizoen…

Binnen gedeelte PauluskerkHet is alsof de ontwerpers van de kerk er al rekening mee hebben gehouden dat de hardwerkende Rotterdammers de uitnodiging niet gaan aannemen.    De mooie maar bescheiden kerkzaal van de Pauluskerk is te vinden op de tweede verdieping. De begane grond en de eerste verdieping zijn vooral ingericht om daklozen en illegalen en andere gasten, kortom om de armen en kreupelen en blinden en verlamden van onze wereld op te vangen. Als dominee en liturg gaat me dat wel een beetje aan het hart: de kerkzaal moet toch de centrale, heilige plek zijn in een kerk… Maar tegelijk moet ik zeggen: het lijkt er op dat de ontwerpers niet alleen de tijdgeest goed hebben aangevoeld, maar ook Lucas 14 goed hebben gelezen. Zij hebben begrepen dat de God van de Bijbel, de Vader van Jezus… voor alles een God van mensen wil zijn. Een  God die er intens naar verlangt dat zijn huis vol is. Mijn huis moet vol zijn!’

De Pauluskerk in hartje Rotterdam is natuurlijk een bijzondere plek, een geval apart. Maar ze hebben die woorden uit de gelijkenis het wel begrepen. ‘Mijn huis moet vol zijn!’  We moeten er maar eens een kijkje gaan nemen.

Amen.

Ds. Frans-Willem Verbaas