Orgel P.G. de Hoeksteen

Ga in vrede

‘De moerbeitoppen ruischten;’
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;

Sprak tot mij in de stille,
De stille nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en onstelden,
Verdreef hij zacht.

Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
‘k Voelde in zijn’ vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.

De morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij

(Nicolaas Beets)

God ging voorbij.
Nee, niet voorbij, hij toefde, hij wachtte,
Hij wist wat ik behoefde, wat ik nodig had.
Zijn vrede liet hij dalen.

Het zijn maar drie verzen, die we net gelezen hebben. Woorden die klinken in de woestijn. Waar Mozes de kudde schapen weidt van zijn schoonvader. Waar Hij een stem verneemt, uit de oneindigheid. Het is God die hem roept. Hij moet gaan. Terug naar zijn broeders en zusters. Terug naar Egypte, het land van de duisternis.

Die drie verzen zitten ingeklemd tussen Mozes roeping en zijn terugtocht naar Egypte. Een heel beladen stuk. We zullen dat nog lezen met elkaar op een ander moment. Over de verharding van de Farao, en de donkere kant van God. Mozes’ leven staat onder hoogspanning. Veilig, maar in de woestijn. Geroepen om terug te gaan naar de plek waar hij vandaan gevlucht was. Geroepen tot gehoorzaamheid.

Maar tussen die roeping en het volgen, is er een pauze. Een ruimte, om op adem te komen, om vrede te ontvangen. God wist wat ik behoefde. Hij liet zijn vrede dalen.

In een sobere ontmoeting met zijn schoonvader, vraagt Mozes om een zegen, een hand op zijn hoofd, een vaderlijke bemoediging voor onderweg. Ik moet wel gaan, Jetro, om te zien of ze nog leven. Je proeft iets van de angst, hoe zullen mijn broeders en zusters er aan toe zijn? Die zorgzaamheid proef ik ook in onze gemeente. Hoe is mijn broeder, mijn zuster er aan toe.

En Jetro antwoordt Mozes: ga in vrede.

Ga in vrede.

Hij had ook kunnen zeggen, wie moet dan mijn kudde weiden? Waarom laat je mij in de steek? Maar hij zegt het niet. Ga in vrede, Mozes. Woorden met een zegende kracht, in de woestijn.

En nu zijn wij hier in het huis van de Heer. Het is als een adempauze, tussen de dagen door. Als een ruimte om op krachten te komen. Zomaar een goed uur in dit huis, met elkaar, of thuis verbonden. Zomaar een dag, ingeklemd tussen de afgelopen en de komende week, om een woord van vrede te ontvangen.

Achter je ligt een week waarin je afscheid nam van een geliefde. Of de vreugde vierde van een kleinkind. De breuk besefte in je relatie. De moed ontving om te bidden. En voor je een week waarin je opnieuw je taak als mantelzorger op je neemt, moe en uitgeput. Of je positie op je werk misbruikt om er zelf beter van te worden. Waarin je je verheugt op de mooie dingen in het verschiet. Of je angstig vooruitkijkt naar een onbekend gebied waar je voor staat, een donker land waar je de weg niet weet, maar waar je toch doorheen moet.

Zo zijn wij hier, ingeklemd tussen de dingen van het leven. Maar wij bidden en wij zingen en wij verwachten dat God ons niet voorbijgaat, maar dat Hij toeft, blijft stilstaan, en met ons is in dit moment. Brood en wijn staan klaar, tot wij straks breken en delen en ontvangen. Het is de vrede van Christus, die ons gegeven wordt.

Een woord van vrede, midden in de tijd. Waar je nog vol bent van wat geweest is. Of vreest voor wat komen gaat. Of hoopt op wat voor je ligt. Onze handen openen wij, om vrede te ontvangen. En dat plukje brood en de smaak van de wijn, laat het je doortrekken als gave van God. Zo woont Hij onder ons. Hij gaat niet voorbij. Hij wacht en geeft wat je behoeft, wat je nodig hebt.

En ik bid dat die vrede van God ons leert om als Jetro tot elkaar te spreken. Om van vrede te spreken. Tegen je schoondochter, of je kleinzoon. Tegen je oma, of je klasgenoot. Tegen je pleegvader, of je zus.

Ga in vrede, naar de plek waar je moet zijn. Bij de mens die je nodig heeft. Op de plek waar God je zendt. Ga in vrede.

En Mozes gaat. Met zijn gezin. Egypte ligt voor hem. Het land dat hem haat, dat zijn broeders en zusters vertrapt en vermoord. Hij begeeft zich in het hol van de leeuw. Er zijn in ons midden mensen die die plek kennen. Iets daarvan kennen we allemaal wel misschien, daar hoeft je niet eens veel levenservaring voor te hebben. Ook tieners weten het wel, dat je soms op een plek bent, bij mensen bent, waarvan je merkt, dit kan ook kantelen, ik ben zomaar op een spoor waar ik beter niet kan komen. Hier wordt niet van vrede gesproken.

Soms ontkom je er niet aan, moet je er door heen. Door het angstige, donkere land van de dood, of de angst, of de leegte.

Mozes gaat. Met in zijn hand de staf van God. Alledaags bezit in de woestijn. Een staf om je te verweren tegen de vijand, tegen de dieren, tegen de dreiging. Een staf om stevig te staan als de grond onvast en onbetrouwbaar is.

God geeft Mozes een staf om te gaan. De liefelijkheid van Psalm 23 is maar schijn. Het is een bittere, rauwe psalm van een donker dal en een angstig mens. Maar ook van een nabije God en een staf tot versterking.

Hoe de dag van morgen zal zijn? Wij weten het niet. Of het vreugde brengt, of droefheid, of vrede, of kwaad, wij weten het niet. Hier komen wij om vrede te ontvangen, en daar morgen van te delen. Om een staf in je hand te ontvangen, en daar straks je weg mee te vervolgen.

Moge de vrede van de Heer ons bewaren, nu en alle dagen en tot in eeuwigheid, amen.

Korte overdenking bij Exodus 4 en Psalm 23
Ds. Hanneke Ouwerkerk
PG de Hoeksteen, zondag 30 september 2018
Viering van de maaltijd