Gelukkig zij die niet zien en toch geloven…

Dat zei Jezus een week na zijn Opstanding uit de dood, nadat de discipel Thomas met eigen ogen het verrezen lichaam had gezien en het met eigen handen had aangeraakt. De ongelovige Thomas veranderde toen pas in een gelovige Thomas, al is hij in de loop der eeuwen nooit meer losgekomen van zijn plagerige bijnaam. Maar Jezus zei: Gelukkig (zalig) zij die niet zien en toch geloven…
Als we zelf mochten kiezen, zouden we misschien toch liever net als Thomas eerst zien en dan geloven. Laten we eerlijk zijn: iets zeker weten of zien of voelen, is sterker dan geloven op gezag van anderen. Maar Jezus draait het om: Gelukkig (zalig) zij die niet zien en toch geloven…
Wij gaan deze zondag na Pasen nadenken over het bijbelse, gelovige zien.

En daarvoor beginnen we bij het eerste Bijbelboek. Genesis 13 is een hoofdstuk uit het reisverslag van Abra¬m (hij heet dan nog geen Abraham) en Sara, en hun neef Lot. Hun reis is geen vakantie¬reis. Hun reis is een zoektocht naar het land van de belof¬te. En Abram en Lot spelen tijdens die zoektocht de rol van twee tegenpolen. Daarbij is het de rol van Lot om des te duidelijker uit te laten komen wie Abram is.

Genesis vertelt hoe Abram wegtrok uit het heidense Haran, zoals de Heer tot Hem gespro¬ken had. En, staat er dan: Lot ging met hem mee (Gen.12:4). Wanneer Abram op een gegeven moment in Egypte terechtkomt en daar weer wegtrekt, staat er opnieuw: en Lot ging met hem mee.(Gen. 3:1). Lot volgt Abram als een schaduw – want Lot is ook Abrams schaduwzijde. Lot is Abrahams oude, heidense ik, dat als een lastig stukje plakband aan hem blijft kleven. (Zoals zoveel mensen periodes hebben van ongeloof, aanvechting…).

Op een gegeven moment, na de nodige avonturen in Egypte, komen Abram en Lot in Kanaan aan. Het gaat hen voor de wind: Abram was bijzonder rijk, hij had veel vee, zilver en goud. En ook Lot, die met Abram was meegekomen, bezat schapen en geiten en runderen en tenten. Samen bezaten ze zelfs zoveel dat er te weinig land was om bij elkaar te blijven wonen. Letterlijk staat het: het land kon niet dragen, dat zij tezamen bleven wonen. En daar¬door ont¬staat er twist tussen de herders van Abram en de herders van Lot. Ruzies zijn altijd vervelend, en fami¬lieruzies grijpen nog veel dieper. Maar Abram blijkt goed in conflictbeheersing. Abram zegt tegen Lot. Waarom zouden we ruziemaken, jij en ik, of jouw herders en de mijne? Wij zijn toch familie? Kies maar waar jij wilt wonen: als jij links gaat, ga ik rechts; als jij naar rechts gaat, ga ik links. De oplossing van het conflict begint ermee dat Abram de ander voor laat gaan. Abram wil de minste zijn – en daarin is de aartsvader groot.
En dan gaat Lot de rol spelen die hij telkens speelt: de rol van Abrahams andere, heidense, oude ik.

We lazen: Lot liet zijn blik rondgaan en zag hoe rijk aan water de hele Jordaanvallei was; voordat Sodom en Gomorra door de Heer werden verwoest, was de vallei tot aan Soar toe even waterrijk als de tuin van de Heer en als Egypte. Daarom koos Lot voor zichzelf de Jordaanvalei en trok in oostelijke richting.

Geoefende Bijbellezers voelen nu nattigheid. Maar Lot ziet alleen wat hij ziet. Alleen de mooie buitenkant: een vruchtbare en rijke streek – en op dat oppervlakkige zien vaart hij vervolgens blind. Lot gelooft, Lot vertrouwt alleen zijn ogen! Dat is het zien van de heidenen. Lot kijkt niet verder dan de buitenknat. Vraagt zich niet af: wat doen de mensen in Sodom en Gomorra met de vruchtbaarheid en de rijkdom van het land? Lot ziet alleen de ogenschijnlijke voorspoed van de streek, en handenwrijvend scheidt Lot van Abraham en trekt naar het oosten. Hij slaat zijn tenten op bij de steden in de vallei. Zijn woongebied srekte zich uit tot aan Sodom… Ogenschijnlijk heeft Lot de goede keuze gedaan.

Lees meer…