God heeft ons ontmoet

God heeft ons ontmoet

In het boek ‘De ondergrondse spoorweg’ vertelt de schrijver het verhaal van Cora en Caesar. Ze zijn twee jonge slaven op een katoenplantage in Amerika, bij een plantagehouder die genadeloos wreed is. Het boek vertelt de geschiedenis van de slavenhouderij in Amerika. En van de wegen van vrijheid die gezocht werden. De ondergrondse spoorweg was er daar een van, een spoorweg onder de grond uitgegraven, als een vluchtroute voor slaven die de vrijheid zochten.

We kennen de geschiedenis van slavernij. Maar als je dan leest van de kleine levens, van Cora en Caesar, dan besef ik toch weer sterker wat een afschuwelijke realiteit dat was. En hoe het ergens altijd weer de kop opsteekt. Dat een mens met macht, en honger naar geld, een ander mens tot zijn bezit maakt. Een heel volk tot zijn bezit maakt. En inlijft als zijn eigendom. Dat gebeurt in Noord-Korea. Het gebeurt in Amerika bij grote bedrijven die hun werknemers uitputten. Het gebeurt in Nederland in de kas met buitenlandse werknemers. En in een gezin waar een moeder haar dochter prostitueert.

Exodus 5 vertelt het verhaal van Israel. Afgelopen week met catechisatie zagen we het eerste deel van de film The prince of Egypt, over het leven van Mozes. Zelf vond ik de scene zo aangrijpend, waarin Mozes ziet hoe zijn broeders moeten sloven en zwoegen, worden geslagen en opgejaagd tot ze er bij neervallen. Het ligt in de wortels van de geschiedenis van Israel. Onvrijheid. Opgeeist door een ander. Gehaat om wie ze zijn. De recente aanslag in Pittsburgh, op de synagoge, door een man die zo vol haat tegen het Joodse volk is, maakt zichtbaar hoe dat nog altijd leeft.

Het leven in Egypte is voor Israel als de woestijn. De zon brandt. Water is er weinig. Er is alleen arbeid. Slavenarbeid. En op dat punt komen Mozes en Aaron. Twee bange mannen. Op audiëntie bij de koning.

Als profeten spreken ze tot hem: Zo heeft gezegd, de God van Israel, zo heeft Hij gezegd, laat mijn volk gaan.

De spot waarmee Farao hen onthaalt, is zo vernederend, zo hard. ‘Ik ken die God niet. Ik luister niet naar Hem. Zijn volk is van mij.’

En dan antwoorden Mozes en Aaron, met het zweet in hun handen, de doodsangst in hun hart: Maar God heeft ons ontmoet. Wij kennen Hem wèl.

God heeft ons ontmoet. En Hij roept ons tot de vrijheid.

Uit die ene ontmoeting, tussen God en Mozes, is iets gegroeid dat zich wijd vertakt. Om die ontmoeting, van God aan een mens, weten wij dat God de levende is. Mozes getuigt ervan tot de farao. Het trekt mee door de tijd, die ervaring, van een ontmoeting met God.

Soms heel tastbaar, zoals Mozes dat kende. Soms heel overdrachtelijk, omdat je het van iemand anders hebt gehoord. En nu wij hier bij elkaar zijn, in dit Godshuis, is het ergens ook heel zichtbaar. Want zijn wij daarom hier niet gekomen, om die ontmoeting met de Allerhoogste?

Omdat er een moment in de tijd was, waarop God tot ons gekomen is. En wij ons daaraan vasthouden. Aan de hoop dat God er is, en je opzoekt om jou te ontmoeten. En soms ben je hier, omdat je het vergeten bent, dat God de levende is. Je hoopt het hier te horen, en te ervaren. Soms ben je hier, omdat Hij je behoud is, God, je redding. En je wilt dat vieren. Soms ben je hier, omdat je het anders kwijt raakt. De moed, het vertrouwen, de hoop.
En voordat wij onze mond openen om te zingen, voordat wij onze gebeden tot God richten, is God er al. Hij is de eerste, in die ontmoeting.

En het is die daad van God, die alles anders maakt. Het geeft Mozes moed om tot de farao te spreken, al is het met bibberende stem en knikkende knieën. Het wekt vertrouwen, dat de dingen anders kunnen worden. Als je onderweg in je leven de Heer op je pad aantrof, dan merk je denk ik wel, hoe dat je leven op een ander spoor zet.

Feest in de woestijn

Het is geen vreemd verhaal, van Israel in Egypte. Het is niet zo’n vreemd verhaal. Het vertelt over lasten en drijvers. Over zwaar dienstwerk en verplichtingen. Over een slavendrijver die opjaagt tot meer en meer. Over een dubbele last op de last van gisteren en eergisteren.

Er zit iets kwaadaardigs in, in het moordende tempo waarin veel van ons leven. Er zit een angel in. Wij zijn vrij, we kunnen ervoor kiezen om in een ander tempo te leven, en een andere levenswijze te zoeken. En tegelijk, maar weinig van ons kunnen die keuze echt maken. Alsof er een onzichtbare grens getrokken is waar je niet meer achter terug kunt. Alsof er een onrust in je zit die je voortdurend opjaagt, en voortstuwt.

Ben je het zelf, die zoveel van je vraagt? Is het je werkgever, de samenleving, de honger naar uitdaging en dynamiek? Vast een combinatie van al die dingen. Soms ben je je eigen farao, soms is een ander dat. Het mat je af, het sloopt je. En van de weeromstuit belemmert het je om te zien dat er ook een andere weg is.

Twee dingen moet je alert op zijn, denk ik. Het ene is dit; farao bestempelt de woorden van God tot leugens. God? Die ken ik niet. Zijn woorden, ik hoor ze niet, ze zijn niet waar. Soms ben je zo volop bezig met werken, geld genereren, uren maken, dat er een sluier over je heen komt. Waardoor je minder ontvankelijk bent, voor wat de Heer van je vraagt. Waardoor je de neiging hebt om jezelf tot centrum van alles te maken. Wat jij wilt, dat is waarheid. En als het Evangelie een andere weg wijst, daar heb je dan misschien geen boodschap meer aan. Waarmee je, bewust of onbewust, God tot leugenaar bestempelt.

Het tweede is dit; het is nooit genoeg. Voor de farao is het nooit genoeg. Er moet altijd meer bij. Meer arbeid, meer slaven, meer werk in een uur. Nooit genoeg. Als je dat merkt, bij je werkgever, of in je eigen hart, of om je heen, wees daar alert op. Want het kan je opjagen tot ongekende prestaties, maar het put je uit en maakt je leeg van binnen.

Ergens vind ik dat een heel pijnlijk stuk in dit verhaal. Van een volk dat de slavernij kent, en niet de vrijheid uit om daar uit weg te komen. En hoe wij onszelf soms uitputten en opjagen, terwijl we in vrijheid leven en de mogelijkheid hebben om anders te doen. Het is bijna alsof we kiezen, soms, voor de slavenarbeid. Alsof we niet weten hoe het moet, leven in de vrije ruimte van de Heer.

En dat het voorspoed brengt, en welvaart, en toekomst, dat is zo. Maar de keerzijde daarvan zien we ondertussen natuurlijk ook allemaal. Eerst konden we ons nog verschuilen achter onwetendheid.

Maar nu, als je nadenkt over de kleding die je koopt en waar die vandaan komt, dan weet je wel hoe laat het is als er Made in Bangladesh in het label staat. Het kan zomaar zijn dat een jongen zo oud als je eigen zoontje die trui gemaakt heeft, en er die dag al 10 uur arbeid op had zitten voor een paar euro.

Het kan zomaar zijn dat de smartphone waar je zo veel plezier van hebt, gemaakt is met grondstoffen die door slaven bij elkaar gesprokkeld zijn en afgestaan aan de beheerder van de mijn, die het grote geld opstrijkt. Nou goed, dat weten we allemaal wel ondertussen.

Zo zijn we de opgejaagden, maar jagen we ook elkaar op, en medemensen uit een ander land, een andere cultuur, met minder kansen dan wij.

Stilte…

Goddank is God gekomen, en heeft Hij ons ontmoet. Goddank is er een andere weg om te gaan. Feest in de woestijn. Dat is de roeping van God voor Israel. Om feest te vieren in de woestijn. En wij horen dit vandaag, en scharen ons bij Israel, met aarzeling, met schroom, maar het mag. En wij horen dit Woord vandaag. Feest vieren in de woestijn.

Farao jaagt op, eist meer, neemt je in een klem. Maar God? Hij vraagt je om feest te vieren in de woestijn. Hij roept je tot de rust. Om van ophouden te weten. Om sabbat te vieren. Zoals de sabbat helemaal verweven is met de schepping, het is het eerste wat God de mens geeft, een dag om te rusten. Om op adem te komen.

In de Godsontmoeting wordt dit ons gezegd: niet om te sloven ben je geroepen, maar om te rusten, en om te vieren dat de God van Israel onze God is.
De strijd die gevoerd wordt tussen Mozes en farao, is een strijd tussen God en de machten. Tussen de God van de vrijheid, en de macht van de dwang. Tussen de rust, en de uitputting. Tussen de sabbat en de lasten. En wij? Wij zitten middenin die strijd. Dat voel je wel aan denk ik. Wij zitten midden in die strijd. Vrijheid en rust wordt niet gemakkelijk verworven. Het vraagt wat van je, om je zo toe te vertrouwen aan God, dat je kunt zitten, en wachten, en rusten. Kun je je zo aan God overgeven?

Het vraagt wat van je, om die innerlijke opgejaagdheid onder ogen te zien. Om te erkennen dat hoe ik leef, een aanslag is op de levens van anderen die sloven om mijn voedsel, mijn kleding, mijn overvloed te produceren. Om op je schreden terug te keren tot God. Met schaamte, uitgeput, met weerstand, of vol verlangen. Om die roep van God te horen. Om in de hectiek van deze rusteloze tijd, regelmatig op te houden. Gewoon op te houden. Met werken, met piekeren, met kopen, met sporten. Op te houden, om in de woestijn van het leven de sabbat te vieren. De dag die ons er aan herinnert dat God ons gemaakt heeft en dat alles van Hem komt. Tot aan elke ademteug toe.

Feest vieren in de woestijn. De vreugde uitzingen, om God die tot ons komt. De diepe dankbaarheid, om wat Hij schenkt. De stilte blijdschap, om Jezus Christus, de Zoon. Daarom ook zijn wij hier. Is de zondag als een feestdag, midden in de woestijn van het leven. Waar je een week achter de rug hebt waar je liever niet aan terug denkt. Of er een week voor je ligt, waar je gespannen tegenop ziet. Of waar je hoopt op water in de woestijn, om het vol te houden.

En dit, deze zondag, dit is de dag die de Heer heeft gemaakt en aan ons heeft gegeven. Het is een ruimte om feest te vieren. Om op adem te komen, en kracht te verzamelen voor onderweg in de woestijn. Als je water opraakt en je vermoeid wordt. Als het stil is en eenzaam. Hier in dit huis, schenkt God je zijn Woord. Zingen we ons de goede woorden in, en bidden we om moed.

Iemand vertelde het mij nog van de week. Voor wie het leven al jarenlang een woestijn is. Hoe ze hier komt, in dit huis, met de hoop om iets te ontvangen, om het vol te houden. Wij kunnen niet in elkaars hart kijken, maar wat weten we van de strijd die we soms voeren? Van de diepe pijn waar je door gekweld wordt. Hoe uitgeput je bent, en eindeloos vermoeid.
Of ken je de woestijn niet? Is er vooral vreugde, en rust? Misschien kun je dan iets delen van je kracht, aan wie dat nodig heeft.

En wij, die God belijden als een Bevrijder, laat het onze eer zijn om ons bewust te zijn van wat wij kopen, wat wij eten, wat wij doen en laten. Dat onze vrijheid niet de slavernij van een ander zal zijn, maar een dienst aan elkaar. Laat dat ons streven zijn.

Tot slot
God heeft ons ontmoet.

En nu neemt mijn leven een andere wending. Eerst de rust, aan de voeten van de Heer te zitten, en bij Hem op adem te komen. En daarna? Doen wat je hand vindt om te doen. Dat is genoeg. Want God is genoeg.

Zondag 4 november 2018
Exodus 5: 1-17
Ds. Hanneke Ouwerkerk
P.G. de Hoeksteen