God heeft twee armen

God heeft twee armen, zei Martin Luther King. God heeft twee uitgestrekte armen. Eén arm is sterk genoeg om je met gerechtigheid te omringen. De andere arm is vriendelijk genoeg om je met genade te omhelzen.

Je kunt je wel voorstellen, als Martin Luther King dit zei, dat dat niet zomaar mooie woorden waren. Ik las het in een boek met allemaal preken van King, waarvan sommigen geschreven zijn toen hij in de gevangenis zat. Hij streed voor gelijkheid. Zwarte mensen mochten in die tijd, zo’n 50 jaar terug, niet stemmen, niet met dezelfde bus als witte mensen.

King had de overtuiging dat God geen softe, zachtaardige God is. Maar een krachtige, rechtvaardige God, die opkomt voor wat goed en eerlijk is. Tegelijk is Hij een God die liefheeft, en genadig is. Het vertrouwen op die twee kanten van God gaf hem de moed om zijn strijd te strijden.

Want deze God, zei Martin Luther King, is sterk genoeg om de wereld te veranderen. En liefdevol genoeg om in de wereld te wonen. Hoor je, God woont in de wereld. Met zijn kracht en met zijn liefde. Hij laat je niet zitten waar je zit, hij zoekt je op en beschermt je met zijn beide armen.

Het is nacht. Stikdonker. De vloer is koud, waar Petrus op ligt. De bewakers zijn streng. De kettingen doen pijn aan zijn armen en benen. Petrus kent Herodes ondertussen een beetje. En hij weet dat hij dit niet zal overleven. Morgen, of overmorgen, dan zal hij gedood worden. Terwijl buiten het bevrijdingsfeest gevierd wordt, het Pesachfeest, zit Petrus opgesloten.

Wij zitten niet in de gevangenis. Je bent nu hier, of je luistert mee. Maar misschien ken je wel iets van die angst dat het nooit meer goed zal komen. Alsof er zware kettingen aan je hangen en je geen kant op kunt.

Misschien ken je wel iets van die stikdonkere nachten. Je ligt wakker, je piekert, en je komt er niet uit.

Ik denk aan Jezus, in Gethsemane. Het was nacht en Jezus was zo angstig, dat hij zweette en bloedde en tegen God zei: God, moet dit? Kan het niet anders?

Misschien ken je het niet, de angst. Of de eenzaamheid. Maar vergeet niet dat er veel zijn die het wel kennen. Ja, ook kinderen en tieners.

Jullie zijn nog jong, maar je hebt allemaal al genoeg meegemaakt. Je weet wel dat het leven niet altijd fijn en vrolijk is, maar dat het soms ook heel verdrietig is. Als je opa mist. Of als je ziek bent. Of als je niet weet hoe je toekomst er uit ziet.

Het is een spannende tijd die je doormaakt. Een mooie tijd, die veel plezier en leuke spanning geeft. Je wordt groot, je krijgt steeds meer vrijheid. Je zet een stap in de toekomst, nieuwe school, andere klasgenoten, nieuwe mogelijkheden. Heerlijk is dat! Maar het is ook ingewikkeld. Zal ik nieuwe vrienden maken, of blijf ik alleen? Kan ik wel meekomen, lukt het met leren, of is het altijd ploeteren en keihard werken? En hoe zal het thuis gaan? En met mijzelf?

Het kan zomaar gebeuren dat je vergeet dat God er is. Net alsof je in slaap valt. Tenminste, dat deed Petrus. De mensen uit zijn kerk die waren aan het bidden. Dag en nacht, ze hielden niet meer op met bidden. Ik stel me voor dat ze in ploegen aan het bidden waren. Dan konden ze afwisselend bidden, en eten, en slapen. God, vergeet ons niet, zeiden ze dan. God, denk aan Petrus.

Maar Petrus? Misschien had hij de moed allang opgegeven. Ik ga slapen. Of had hij het vertrouwen dat God hem wel helpen zou? Het geloof dat hij niet alleen was. Dat kan ook. En soms heb je het allebei. De ene keer een sterk geloof, en weet je zeker dat God er is. En een andere keer dan denk je, ik weet het niet. Ik merk er weinig van. Zou God mij wel zien?

Vandaag vertel ik jou, of het nou dag of nacht is, of het donker is in je leven, of licht, dat God weet waar je bent. En je niet vergeet. Of je nou slaapt of bidt. Of heel ergens anders mee bezig bent. God slaapt niet. Hij strekt zijn sterke armen uit en die komen verder dan een gesloten deur, en een stevige bewaking, en zware kettingen.

Ineens is daar die engel. Boodschapper van God. Hij duwt Petrus in zijn zij, hij port hem aan, sta op!

Ik merkte aan jullie vorige week hoe mooi je dat vond om te lezen. Een engel van God. Dat kan dus, dat God een engel geeft, onderweg in je leven. Dat je, op een moment dat je het nooit had verwacht, een kracht ontvangt, of een goed woord, of een helpende hand, waarvan je later merkt, dat kwam van God. Hij gaf mij een engel. God doet dingen die je niet voor mogelijk houdt.

Petrus ontvangt opstandingskracht. Hij wordt door de engel wakker geschud, overeind geduwd, komt op, haast je! En als hij wordt opgetild, dan merkt hij ineens hoe de kettingen van hem afvallen en hij zijn handen weer bewegen kan en zijn voeten kan neerzetten waar hij maar wil.

Het is de kracht van Jezus, toen hij opstond uit het graf, die kracht die ontvangt Petrus. Midden in de nacht, terwijl de slaap over hem was. En de dood dichtbij. Op dat moment kwam de kracht van God in hem wonen. Als die ene arm die Petrus omhelst en optilt. Je bent niet alleen jongen, ik heb je wel gezien in het donker, ik kom bij jou om te helpen.

Ik denk dat je in de loop van je leven wel zult merken dat de woorden van God niet altijd passen bij wat je denkt, en wat je hoort. Soms is het makkelijker om te denken dat de dingen zijn zoals ze zijn, en dat je daar niets aan kunt veranderen. Of te denken dat je alles zelf moet doen. Alsof je zelf moet zorgen dat je leven leuk en gelukkig wordt.

Daarom vertellen we elkaar in de kerk deze verhalen. Omdat die ons helpen op God te vertrouwen. Want je merkt dat niet altijd, die kracht van God. Petrus dacht zelfs dat hij droomde, hij wist niet dat het waar was.

Al die verhalen uit de bijbel, die vertellen ons dat God leeft. En dat je Hem kunt vertrouwen.

En als het dan nacht is in je leven, en het voelt alsof je opgesloten zit, en nooit meer weg komt, dan denk je aan dit verhaal. En dat lees je het nog een keer. En misschien morgen, of over een maand, of over tien jaar, dan kijk je eens terug, en dan denk je, o ja, ik wist het wel, God is te vertrouwen. Hij laat mij niet alleen.

Maar voordat Petrus de straat opgaat, spoort de engel hem aan om zich te kleden. Je riem om, je sandalen aan, en sla je mantel om. Dat is niet alleen omdat de nacht koud is, en je met je kleding daartegen beschermd bent. Het is ook omdat je kwetsbaar bent, en een bescherming nodig hebt om het leven in te gaan.

Waarmee hebben jullie je kinderen bekleed? Misschien dat de eerste twaalf jaren van hun leven de meest cruciale jaren zijn. Het vormt ze, tot wie ze zijn, en zullen worden. Je geeft ze liefde mee. Je vertelt ze van God. Je leert ze om weer op te staan als ze gevallen zijn. Weten ze dat je voor hen bidt? Hun naam noemt bij God? Zien ze aan jou dat er opstandingskracht in je huist, en dat het je moed geeft om vol te houden?

Voor sommigen van jullie is dit de eerste keer dat je kind de stap zet naar het voortgezet onderwijs. Anderen kennen het al van oudere kinderen. Wat zou je ze graag behoeden en beschermen. Straks geven jullie hen goede woorden mee. Laat het zo zijn dat je die woorden, en andere goede woorden, blijft zeggen tegen ze. Als ze verregend thuis komen uit school, of worstelen om over te gaan, of als je de eenzaamheid in hun ogen ziet, of als ze goede cijfers halen en plezier hebben in het sportteam. Zegen hen met je gebed en met goede woorden.

Dat is als een kracht waarmee ze zich kunnen omgorden. Die ze aandoen om het leven in te gaan, de nacht te doorstaan, en de dag te vieren.

Als Petrus opstaat, zijn mantel omslaat en de engel volgt, dan openen de loodzware, potdichte deuren, zich vanzelf. En het licht van de dag beschijnt Petrus. En hij wrijft zijn ogen uit en zegt: nu weet ik zeker dat God mij een engel heeft gestuurd.

En Jezus zegt: Ik ben de deur. Wie door mij binnenkomt, zal veilig zijn. En die deur staat altijd open. Bij nacht en ontij. Bij God is er altijd een opening waardoor je naar binnen kunt komen. En als je Hem niet vinden kunt, dan strekt Hij zijn armen naar jou uit. Om je op te tillen, en bij Hem te brengen.

Zegene Hij jou, vandaag, en alle dagen.

Zondag 17 juni 2018, 9.30 uur
Handelingen 12: 1-11
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk