God is niet vooringenomen

God is niet vooringenomen. Hij trekt zich het lot aan van iedereen, uit welk volk dan ook, die ontzag voor Hem heeft en rechtvaardig handelt. (Hand. 10: 34, 35)

God is niet vooringenomen. Hij kijkt niet naar ons zoals wij naar elkaar kijken. Huidskleur, kleding, achtergrond, taal, leeftijd. God is niet vooringenomen. Zo klinkt het evangelie vandaag, in een bange, verscheurde wereld. God is zo heel anders dan wij zijn.

Afgelopen weken ontstond er in de media (dagblad Trouw) ophef rond Lied 737 uit het Nieuwe Liedboek, ‘Jeruzalem, mijn vaderstad, mijn moederhuis, wanneer zal ik u zien…’.
Een van de 21 strofes zingt over ‘de neger met zijn loftrompet’ en de ‘joden met hun ster’. Dichter Willem Barnard probeerde mijns inziens iets weer te geven van de laatsten die de eersten zullen zijn in Gods koninkrijk.

In het licht van racisme dat nog altijd springlevend blijkt te zijn, van uitsluiting en achterstelling, dat nog altijd voorkomt op grond van huidskleur, is het wel moeizaam geworden om dit lied zo mee te zingen. De stereotype beelden en benamingen kunnen iets heel badinerends en denigrerends hebben.

En los van goede bedoelingen en oprechte intenties, maakt de discussie rond deze strofe uit lied 737 zichtbaar hoeveel verdeeldheid en racisme er nog altijd is. De laatste tijd vertellen steeds meer mensen erover, Nederlanders met een donkere huidskleur, die stelselmatig moeten opboksen tegen vooroordelen, waar witte Westerse mensen vaak geen idee hebben.

Een beladen verleden dat Nederland en veel andere landen met zich meedragen. Kolonialisme, slavernij (Nederland was een van de laatste landen waar dit werd afgeschaft). Wanneer je je daar niet bewust van bent, begrijp je misschien ook niet waar de ophef rond zo’n kerklied vandaan komt.

Maar als je de emotionele en indrukwekkende woorden hoort van president Obama, afgelopen week in de Memorial Service in Dallas, midden in de rassenrellen, dan proef je iets van die spanning. Dat blank en zwart in diverse omstandigheden lijnrecht tegenover elkaar staan en dat de zwarte mensen nog altijd het onderspit moeten delven.

Ik weet niet of jullie zo’n toespraak ook zien, jongens en meiden. Maar ik zou het je zeker aanraden. Jullie Engels is volgens mij prima, dan kun je dat denk ik wel goed volgen. Of je kijkt het samen met je vader of moeder, die het je vast uit kan leggen. Jullie groeien op in een samenleving waarin zoveel verdeeldheid is, zo’n kloof tussen verschillende mensen. In dat licht is de toespraak van Obama zeer de moeite waard, hij spreekt vanuit de Bijbel woorden van hoop.

Waar mensen vaak zo vooringenomen zijn, vertelt de Bijbellezing van vanmorgen ons: God is niet vooringenomen. Het was een les die Petrus moest leren. Die we steeds opnieuw weer moeten horen. God is niet vooringenomen. Elk mens leeft dankzij de genade van God. Niemand kan zich laten voorstaan op afkomst of achtergrond.

Eens begon God met het volk dat nog altijd zo verguisd wordt, het Joodse volk. Zij zijn de eerstelingen, de oudste broer, om het zo te zeggen. Wij, niet-joodse mensen, waren heidenen, van huis uit niet bekend met het evangelie van Jezus Christus. Maar door Gods genade werd de kring steeds wijder getrokken, al vanaf het begin, bij Abram, als God zegt: in jou zullen alle volken gezegend worden.

En hier in Handelingen 10 wordt dat zichtbaar. Een heidense man wordt ingelijfd bij het volk van God. Als dat niet was gebeurd, dan stonden wij ook nog altijd buiten. Dit verhaal is cruciaal in de geschiedenis van de kerk. Petrus en de andere leerlingen van Jezus moeten uit hun vooringenomenheid getrokken worden. Om te zien dat God niet alleen Joden, maar ook heidenen, ongelovigen op het oog heeft.

Als Gods blik niet zo breed was, waren wij nog altijd onder de macht van Germaanse goden en in de ban van de natuur en de willekeur van grillige afgoden.
Het is iets om dankbaar voor te zijn, voor de ruimte van Gods liefde. En tegelijk ook heel bescheiden. We moeten het hebben van zijn genade, alleen van zijn genade.

Tegen Israël werd gezegd: gedenk dat je vreemdeling was in Egypte en herberg daarom de vreemdeling die op je pad komt. Nou zoiets wordt vanmorgen zichtbaar. Gedenk dat je door God bent aangenomen als zijn kind. Beschouw daarom geen mens als minder of minderwaardig, maar bezie hem of haar met ogen van God, zoals je zelf door God gezien wordt.

Cornelius
In de schitterende havenstad Caesarea woont Cornelius. Een publiek figuur, hoofdman over honderd, in dienst van de Romeinse overheid. Opvallend genoeg wordt van hem gezegd dat hij Godvrezend was, een diep-gelovige man die de God van Israël diende. Samen met heel zijn huis, al zijn kinderen, zijn werknemers en zijn slaven. Hij leefde rechtvaardig en had oog voor de gemeenschap, voor het volk.

Jodengenoten, werden zulke mensen genoemd. Heidense mensen die sympathie hadden voor de God van de Joden. Ze hielden zich vaak aan de gebedstijden, twee tot drie keer op een dag. Ze gaven aalmoezen, hielden zich soms ook aan de spijswetten. Geen gemakkelijke positie trouwens. Door de Romeinen werd er neerbuigend op hen neergekeken. Argwanend ook. De Romeinse keizer had het hoogste gezag, niet God, zo lag het voor de Romeinen.

Maar van de andere kant, door de Joden, werden Jodengenoten ook kritisch bekeken. Ze hielden zich wel aan de wetten, maar waren niet besneden en hoorden ook niet echt bij het Joodse volk.
Zulke mensen zijn er nog altijd in de samenleving. Mensen die sympathiseren met het christendom, die van God onder de indruk zijn. En vanuit een publieke functie, of meer vanachter de schermen, God van harte dienen. Rechtvaardig zijn, oog hebben voor de gemeenschap waar ze wonen.

Dat moeten we zeker niet onderschatten. God werkt op plekken en in mensen, waar wij geen idee van hebben. Door de Geest kan dan zomaar iets gaan groeien van geloof en van liefde voor God.

En God merkt het op. God merkt Cornelius op. Zijn gebeden worden verhoord, zijn goede daden worden aangezien. Prachtig is dat. God heeft er oog voor. Een afgezant van de Heer, een engel van God, begroet Cornelius en bemoedigt hem. Petrus zal tot jou komen, laat hem maar halen. En zo gaan een paar mannen vanuit Caesarea op weg naar Joppe, zo’n 50 km. verderop.

Rein en onrein

Ondertussen krijgt Petrus in Joppe een visioen te zijn. Het is rond lunchtijd. En terwijl Petrus op het dak van het huis is, opent zich de hemel en verschijnt voor zijn oog een laken met daarop allerlei kruipende en lopende dieren, reine en onreine dieren. Petrus wordt tot het uiterste op de proef gesteld.

De spijswetten, voor de Joden een heilig voorschrift waar ze zich strikt aan hielden, die spijswetten worden op de proef gesteld. Wetten die voorschrijven welke dieren je wel en niet mag eten. Varkensvlees bijvoorbeeld was verboden en in de koosjere keuken, de Joodse keuken, zul je dat nog altijd niet aantreffen.

De achtergrond en de noodzaak van de spijswetten kennen wij niet meer zo. Het bevreemdt ons ook vaak denk ik. Maar het waren juist de spijswetten, net als het houden van de sabbat, het doen van de gebeden, die het volk Israël bewaarde bij God. Als een kader waarbinnen God hen hielp om in vrijheid te leven. Om dicht bij God te blijven.

Juist ook in een samenleving waarin alles mogelijk was, waarin de afgoden en offers zo’n grote rol speelden, hielpen de wetten om je te richten op God en bij Hem bewaard te blijven. Daar dienen bijvoorbeeld de Tien Geboden en de leefregels van God nog altijd voor. Niet om het je te moeilijk te maken, maar juist om je te helpen om dicht bij God te leven.

Maar nu zegt een stem tot Petrus: slacht en eet! Slacht en eet. Petrus is met stomheid geslagen. Onmogelijk. Nooit zal hij onreine dieren slachten en eten. Juist het strikt houden aan de voorschriften onderscheidde de Joden van de heidenen. Het was hun alles. Hun eigen leefwijze om God te dienen.

Petrus staat versteld. Hij protesteert en weigert. Nooit zal ik dat doen!

Maar God wijst soms hele verrassende wegen. En Hij zegt: Ik ben degene die heilig maakt en die rein verklaart. Wat ik rein verklaard heb, mag jij niet onrein noemen.
God geeft de grenzen aan. En blijkbaar zijn de grenzen van rein en onrein niet meer. Jezus heeft de wet vervuld, vertelt het Nieuwe Testament. In zijn dood en opstanding heeft Jezus het onreine rein gemaakt. In Christus naam mag elk mens zuiver zijn voor Gods aangezicht.

Er wordt van alles aangeboden dat een mens kan zuiveren. Wellness-baden, bijzondere thee-soorten of sap-kuren die je lichaam reinigen. Blijkbaar krijgen we van alles binnen, door onze mond of via onze ogen, dat ons een gevoel van verontreiniging geeft. Weerzin en afkeer van beelden die je ziet, indrukken die je opdoet, slechte eetgewoontes.

Maar de Heer zegt: ik maak rein. Wat ik reinig, zal niet meer onrein zijn. Door geloof ontvang je een rein en heilig hart. Omdat je leeft onder de macht van Jezus Christus. En je niet meer hoeft te vrezen verontreinigd te worden door voedsel of door afgoden. Omdat je geheiligd bent door God zelf. Hij zuivert je hart en je gedachten door Christus Jezus.

God is niet vooringenomen

Het voedsel is echter maar een beeld. Het gaat om mensen van vlees en bloed. Om Cornelius. Om ons. Geen mens mag onrein of onheilig worden verklaard.

Diezelfde Willem Barnard van het gewraakte kerklied, schrijft in een uitleg bij Handelingen 10: God geeft een generaal pardon af. Hier gaat het niet om exclusiviteit, om uitsluiting en om een enkeling die uitverkoren wordt. Integendeel. Hier is er sprake van een generaal pardon. Allen die er niet zomaar bij hoorden, worden met open armen binnengehaald en ingelijfd. Volk van God, ze worden bijgeschreven op de rol alsof ze altijd al bij Gods kinderen hoorden.

In de eerder genoemde toespraak van Obama haalt hij de profeet Ezechiel aan die spreekt over God die ons stenen hart zal wegnemen en ons een vlesen hart zal geven. Een kloppend hart dat vol is van Gods goedheid. We bidden dat God ons zo’n hart geeft. En dat we van daaruit bevrijd worden van angst. Angst voor wie anders is en doet, angst voor de vreemdeling.

Omdat God niet vooringenomen is, daarom mogen wij Hem toebehoren. Mensen uit alle huizen afkomstig, met andere achtergronden, andere kleuren
Zo klinkt het evangelie als een bevrijdend woord in een wereld die stuk gaat aan haat en geweld. Waar mensen worden neergemaaid alsof ze stof zijn, alsof hun leven geen waarde heeft.

Het Evangelie zegt ons vandaag: God is niet vooringenomen. En tussen al die geweldenaars door, heeft God oog voor wie een oprecht hart heeft en Hem dient. Uit welk volk of met welke huidskleur ook, Jood of heiden of christen, God is niet vooringenomen. Dát is de vrede van Christus.

Een vrede die boven alles uitgaat. Deze God is onze God. En Hij is onze hoop. Mag de vrede van Christus ons bij Hem bewaren. Mag de vrede van Christus deze wereld reinigen en vernieuwen.

Amen

Handelingen 10
Zondag 17 juli 2016
P.G. De Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk