Doopdienst P.G. de Hoeksteen 18 juni 2017

God onthult een geheim.

Er is een God in de hemel die geheimen onthult.

Zo staat Daniel voor de koning. Die met al zijn macht en geld en invloed, doodsbang geworden is. Door een droom, die al zijn angsten en obsessies naar boven haalt. Dromen kun je afdoen als vreemde kronkels van je onderbewuste, en dat zijn het vaak misschien ook wel. Maar niet allemaal. Er zijn ook dromen waarin iets zichtbaar wordt van een verborgen verlangen dat in je leeft, van een dodelijke angst waar je van in de greep bent, van dat wat je ten diepste vreest, maar nog nooit hebt uitgesproken.

De koning is bang. En hij zet zijn dienaren onder druk. Alle wijzen en tovenaars en tekenuitleggers worden met de dood bedreigd. Ze moeten niet alleen de droom duiden, maar ook de droom zelf vertellen. Of de koning zijn droom vergeten is, of dat hij die onredelijke eis willekeurig doet, dat wordt uit de tekst niet helemaal duidelijk. In ieder geval is het onrustige gevoel dat je na een droom kunt hebben, blijven hangen. De koning kan de slaap niet meer vatten.

Maar niemand kan de droom navertellen. Alleen de goden, zeggen ze tegen de koning, alleen de goden, maar hun verblijf is niet bij vlees en bloed, staat er dan in de tekst. Zij wonen niet onder de mensen. En hun zwijgen is koud en hard. Ze zijn er niet, die goden. Ze hebben niets te zeggen op het moment dat er iets gaande is wat geduid moet worden. Het zwijgen van die mannen die ‘wijs’ genoemd worden, weerspiegelt het zwijgen van de goden, die god genoemd worden, maar niet meer zijn dan een bedenksel van mensen zelf. Een verlengstuk van hun eigen onvermogen. Maar ze geven niet thuis. De wijzen niet. En hun goden niet.

En alle wijzen en mannen die de koning zo nodig heeft om zijn land te besturen, ze worden bedreigd met de dood en zijn hun leven niet meer zeker. Daniel en zijn vrienden zijn ook onder hen. Ze merken de paniek aan het hof. Het bevel is uitgevaardigd en iedereen zal gedood worden.

Daniel en zijn vrienden trekken zich terug. Niet om te vluchten, maar om te bidden. Opvallend is dat. In het aangezicht van de dood, alles staat op spanning, heffen zij hun handen op naar God, slaan hun ogen op naar de hemel: O God, blijft nu niet zwijgen. Zo zijn er altijd mannen en vrouwen, kinderen, die door de tijd heen, doen wat gedaan moet worden. Gods aangezicht zoeken en bidden om zijn ontferming.

En de God van Israel laat van zich horen op dit moment. Daniel krijgt zicht op de droom van de koning. En dat betekent dat niet alleen Daniel en zijn vrienden blijven leven, maar dat het leven van al die wijzen, al die tovenaars met hun wonderlijke kunsten en halve duidingen, gespaard worden. Gods goedheid strekt zich verder uit dan wij maar kunnen bedenken.

God onthult geheimen
En zo staat Daniel voor de koning.

Het is God die geheimen onthult. God is een geheim. Wie Hij is en hoe Hij heet, veel is voor ons verborgen. Maar iets daarvan onthult Hij. Alsof er iets oplicht rondom God zelf, waar we aan ons vast kunnen houden. Dit is wat ons onthuld wordt, hieraan hebben wij genoeg voor ons leven. Als God alleen maar een geheim is, dan is het enkel duisternis en onzekerheid. Onwetendheid. Maar er is meer dan dat. Door mensen heen maakt God zichzelf zichtbaar. Opent zich iets van zijn Naam, van zijn wezen, wie Hij is. Zomaar, door gewone mensen heen. Daniel. Of Jozef. Maria. Of Ruth. En die vreemde droom van die goddeloze koning, die zet God in om iets van zijn geheimen te onthullen.

We verwachten misschien trompetgeschal, grootse woorden en vurige toespraken waarin we God in al zijn glorie en grootheid en waarheid zien. Maar hier, midden in de tijd, op een plek waar God alleen nog gediend werd door vier jonge mannen, daar onthult God iets van zichzelf. Door die droom heen, bij monde van Daniel, hoort de koning wat er geschieden zal. Hoe God ingrijpt in de tijd.

Wij zijn niet overgeleverd aan mensen, maar aan God die de dingen in zijn hand houdt. Dit is heel cruciaal. Er zijn ontzettend veel dingen in je leven, om je heen, die onzeker zijn. Waarvan je niet weet hoe het loopt. Je gezondheid, je relatie, een vriendschap, maar ook in de politiek, hoe lang er vrede zal zijn, of je lang te leven hebt. We weten het niet. Wij zijn als adem, zingen we straks. Vluchtig en klein.

En toch klinken dan vandaag die woorden: God onthult geheimen. In die onzekere, onstabiele onwetendheid, schenkt God ons zijn woord om aan vast te houden. Onthult Hij iets van zichzelf en doet ons weten: God grijpt in in de tijd. In het laatste van de dagen, zegt Daniel. Dat is geen verre toekomstdroom, maar het zijn die momenten waarop God daadkrachtig en overtuigend ingrijpt.

Wij hoeven niet in dreigende onzekerheid te leven, waardoor je hijgerig achter alles en iedereen aanloopt. Je uiterste best doet om het leven volop te leven en alles er uit te halen, want ‘wat is het zonde van je tijd als je iets mist’. Als je je talenten niet ten volle benut en niet volop meedoet in de vaart van het leven.
Nee, door deze droom van de koning maakt God ons zichtbaar: wij leven van de hoop.

Zien en geloven

De droom van de koning is angstaanjagend. Een reusachtig beeld dat vreselijk is om te zien. Een gouden kop, zilveren armen en borst, een buik van brons, net als de heupen. De dijen van de ijzer en de voeten van ijzer en klei. Je hoort het, zo massief als het hoofd is, van goed goud, zo breekbaar zijn de voeten, klei en ijzer, bros en wankel.

Dan raakt er een steen los. Er is geen mens aan te pas gekomen. Maar dan is daar die steen en die ontwricht dat reusachtige, weerzinwekkende beeld. Het breekt in stukken, verpulvert en er blijft niets van over. Stof is het. As. Vergaan en door de wind uiteengedreven.
Maar die kleine steen groeit uit tot een rots en vult heel de aarde.

Wat wij zien, is dat beeld. Die droom. Van machtige koninkrijken. Sterke heersers. Van opkomst en ondergang. Grootmachten, wereldrijken die, als ze eenmaal barsten vertonen, langzaamaan instorten en verdwijnen. Het eerste rijk, van goud, is het Babylonische rijk, wordt wel gezegd. Het rijk van zilver is het koninkrijk van de Meden en Persen, waarna het Griekse Rijk en tot slot het Romeinse Rijk volgt. Koninkrijken die gekenmerkt worden door een levenshouding die lijnrecht ingaat tegen het goede leven van de Tora, de leefregels die God aan Israel gaf. Waarin zorg en trouw, dienst aan God en aan elkaar, een centrale plaats innemen. Heersers komen en gaan. Soms lijkt het nog glans te hebben, als dat gouden hoofd. Is het massief en ijzersterk. Maar altijd gaat het weer aan zichzelf ten onder, zoals toen ook al.

En nu maakt God ons opmerkzaam op die steen. Je zou hem bijna over het hoofd zien. Het is als die steen die door de bouwers aan de kant gegooid werd, nutteloos was. Maar die later een hoeksteen bleek te worden, krachtig genoeg om een heel gebouw te dragen. Van de steen wordt gezegd: het is Jezus Christus.

Zo onthult God zijn diepste geheim. Hij onthult zichzelf. In zijn zoon Jezus Christus, die in alle verborgenheid en kleinheid, als een kind tot ons kwam. Als een steen die zomaar tegen dat overweldigd beeld aanbotst. Het is de hoeksteen Jezus Christus. Het geheim van God. In alle kleinheid, onogelijk en onaanzienlijk, ontwricht het wereldrijken. Breekt het wrede machten aan stukken en harde harten worden verweekt.

Heel de aarde wordt vol van wat als een kleine steen begon, van die kwetsbare majesteit die zichtbaar wordt in Jezus Christus. Heel de aarde zal ermee gevuld zijn.

En door de droom van die koning, bij monde van Daniel, worden wij opmerkzaam gemaakt op die kleine steen. De kerk heeft het nodig dat wij bidden. Misschien wel doodsbang, ingeklemd tussen de overmacht van het leven, tussen dat wat we zien, een harde en wrede wereld. En aan de andere kant die zachte stem van hoop, die we misschien wel veel te weinig horen, maar die we zo nodig hebben. Om te horen dat God spreekt. En ons gebed is veel meer een luisteren, dan een praten. Luisteren, of wij iets vernemen van dat rijk van God. Als een kleine steen begonnen, maar het zal uitgroeien tot een koninkrijk dat er niet eerder was. Het is eeuwig, het zal er altijd zijn, zoals God eeuwig is. En het is goed, zoals God goed is.

De droom maakt iets zichtbaar van de strijd die er gaande is, tussen goden die geen goden zijn, en de God van Israel. Tussen grootheid en kwetsbaarheid, tussen blinkend goud en een klein steentje. Wij moeten leren dat niet alles wat wij zien, de hele werkelijkheid is. En ook dat blinkend goud niet altijd blijkt te zijn, wat het op het eerste oog is.

Door Gods genade leren wij om achter de dingen te kijken. Om verder te zien dan alleen dat wat voor ogen is. Dat is niet gemakkelijk. Het is veel eenvoudiger om het daarbij te houden. Maar ga daar niet al te snel in mee. Want God onthult ons zijn geheim. Hij doet on iets zien van zichzelf en wekt daarmee hoop in ons hart, in ons leven. Hoop op God, hoop op zijn koninkrijk, waar God alles zal zijn, in allen.

P.G. de Hoeksteen
9 juli 2017
ds. Hanneke Ouwerkerk