God zal komen

De kamer hardt de lucht niet langer van
tabak en onververste bloemenvazen,
en in de keuken vragen whisky-glazen
of de aanslag ooit nog afgewassen kan.

Gedenkt vorige dingen niet, gij dwazen;
‘k maak alle dingen nieuw; ik zal geen man
om Jacob’s zonde uitleveren ten ban;
ik ben met u; ik ben de eerste en de laatste.

Reeds is de werkvrouw aan het werk gegaan.
De poetsmand laat ze in de open voordeur staan.
O, merk hoe luchtiger in huis het wordt!

Zij poetst, buiten, het koperen naambord.
Hoe spiegelend wordt het, hoe smetteloos!
De wildernis zal bloeien als een roos.
(Uit: Symbolen worden tot cymbalen, Martinus Nijhoff)

Gemeente van Christus onze Heer,

De woestijn zal bloeien
De wildernis zal bloeien als een roos! De profeet jubelt het uit, het is aanstekelijk.
De woestijn zal bloeien en bloeien.
Jubelen en juichen zal de steppe, de dorre vlakte.

Heel het zuiden en oosten van Israel wordt ingezet om deze poëtische woorden beeld en klank te geven. De akabah, de Negev, Eilat, al die plekken waar zoveel woestenij is, maar waar tegelijk een reservoir aan vruchtbaarheid en bloei ligt.
Als er tenminste water is. Een regenbui valt, of een bron wordt aangeboord.

Een jubel klimt op uit de aarde. De bloeiende bloemen verkondigen de grootsheid van het land, de schoonheid van Gods schepping. De rotsen zingen en de droge grond wordt een vloeiende beek van helder water. Het zingt alles van leven en hoop.

En jij? Misschien zing je zo mee. Is die vreugde jouw taal geworden. Bezing je dag en nacht de Allerhoogste Heer, omdat je je verlost weet van wat je neerdrukt. Dank je God dagelijks voor de vrijheid die je ontvangt, het leven met Hem. Juicht voor de Heer, heel de aarde, alle schepselen. Prachtig als jij je voegt in dat koor!

Maar als er geen water is, blijft alles droog, en zanderig, rotsachtig.
Chaos als van een ordeloos huis, met de afwas nog op het aanrecht, volle schalen met peuken, vazen met dorre bloemen en een schamel restje water.

Midden in de woestijn zijn de pelgrims. Het is de plek van de eenzaamheid. Waar Jezus was en verzocht werd door zijn tegenstander. Het is een beproeving, om daar te zijn. Iets van een enorme desolate verlatenheid heeft het.

Misschien las je het boek ‘Dit zijn de namen’ van Tommy Wieringa. Hij schetst de woestijn op zijn slechts. Waar mensen zijn overgeleverd aan elkaar. Geen weg terug, geen weg vooruit. Alleen maar zand, en dorst. Het haalt het donkerste in jezelf naar boven. Een wanhoop die je nooit eerder ervaarde.

Ik zie zo voor mijn oog de vele mensen, tassen in de hand, een kind op de rug, bezweet gezicht. Je ziet het beeld ook wel voor je, denk ik. Maar hun weg gaat niet naar huis, maar ver van huis vandaan. Het grijpt mij altijd enorm aan. Omdat ik merk hoezeer ik hecht aan mijn eigen huis, de sfeer, de warmte, de ruimte. Zoals we dat hebben, dat mag ook. De huiselijkheid van je eigen plek. Wat als je dat op moet geven?

En in de woestijn beland. Alleen. Zonder God en zonder mensen. Soms weet je je ineens zo sterk verwant met zo’n pelgrim. Dat het stil is in je hart, en stil om je heen. Je zingt de liederen, je hoort de evangeliewoorden, maar het is alsof het zo van je afglijdt, je niet raakt.

Maar juist voor jullie, voor jou, gemeente de Hoeksteen, voor ons wordt dit Woord gesproken. Voor jou die dit Woord niet kan verdragen, omdat je de vreugde onderweg verloren bent, en daarmee de hoop.

Tot jou met je knikkende knieën van angst.
Met je trillende handen die nergens meer grip op krijgen.
Tot jou die zo haastig, zo rusteloos onderweg is. Als een pelgrim die nergens tijd voor heeft. Geen tijd om stil te staan, achterom te kijken. Je loopt aan alles voorbij.
En tot jou, die de vreugde als een kroon op je hoofd draagt en de glorie van God hebt gezien.

Hinne, zie, Hij zal komen!

Het klinkt in het hart van de woestijn. Niet op een veilige plek, in een warm huis of een gezellig gezelschap. Maar midden in de woestijn, waar al die mensen samenzijn. De verheugden, de angstigen, de onrustige en haastige mensen. Zie, Hij zal komen en je redden!

Jesaja 34 en 35 vormen een scharnier in het Jesajaboek. Tussen verwoesting van Jeruzalem en oordeel over ongehoorzaamheid, schaamteloosheid, en tussen terugkeer naar de stad van vrede en herstel van de tempel, klinkt dit gedicht. In alle scherpte, in Jesaja 34. Vol van hoop, in Jesaja 35.

En het scharnier is de vreugde, die God geeft. Geen laffe, opgeklopte vrolijkheid, maar een duur gekocht vreugde, die uit het woestijnzand is opgegraven. Die de jaren van ballingschap, van eenzaamheid heeft moeten doorstaan. Geworteld in God zelf, is het een vreugde die duur en diepte heeft. Ik hoor het soms ook, in gesprekken. Hoe een mens daar van getuigt. De Heer is met mij, ik zal niet vrezen.
En zo is dat goddelijk woord: Zie, Hij zal komen, als een roos die bloeit in de woestijn.

De glorie van God

Dan wordt aan de woestijn de glorie gegeven van de Libanon, de grootsheid van de Karmel, de Sjaron. Bloeiende, schitterende bergen, overlopend van water en groen en frisheid. Die overvloed zal aan de woestijn gegeven worden. En zó, zo geeft God aan jou zijn glorie.

Een profetenwoord is niet zomaar een mooie droom waarvan je nooit weet of het werkelijkheid wordt. Welnee, het is een krachtig woord van de Heer, dat ons zegt: God zal komen en Hij zal alles ten goede keren. Dat is meer dan een droom. Het is de werkelijkheid van God die ons wordt aangezegd.

Afgelopen week op catechisatie, bij de jongste groep, was er zo’n profetisch moment. We lazen Lucas 2. Over keizers en koningen, over Syrie en Nederland. Over onze tijd, en waar wij op hopen. En een voor een deelden jullie iets van je hoop. En zomaar bleken het woorden te zijn die van Jezus worden gezegd. Vredebrenger, Hij die de hongerigen brood geeft en die de mensen op zijn spoor zet.

In ons gesprek deelden we ook onze angsten. En een van jullie zei: maar je hoeft niet al te bang zijn, er komt toch een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Jij moedig kind onderweg, jij zoekende vrouw, jij wanhopige man, zie, glorieus zal Hij komen. En in zijn glorie zul je Hem zien.
En dan word je zomaar een herder. In de velden bij Bethlehem. De glorie van God omschrijft hen, als de engel het evangelie uitzingt: voor jou is Hij geboren, de Christus, de redder. Het Christuskind, in de nacht gekomen, is de glorie van God.

In Hem schijnt de grootheid van God. Aan ons is meer gegeven dan zoeken en tasten en aarzelen. Ons is een kind gegeven, en het Christuskind weerspiegelt de luister van God zelf. God verschijnt in de woestijn, daar waar de chaos is, waar glazen ongewassen zijn en bloemen zijn verdord. En waar Hij verschijnt, bloeit de Roos van Sjaron, Lelie van het veld. En mijn ogen worden geopend, mijn hart wordt ontsloten en vreugde daalt neer op je hoofd. Zie, Hij komt!

Voortgaan op de weg en terugkeren naar Sion

God zal komen. En Hij opent een weg waarop wij Hem tegemoet gaan. Hij geeft grond onder de voeten. Een weg, speciaal voor pelgrims die verlangen naar de Heer. Voor pelgrims die geen woord meer weten uit te brengen, bij wie het zingen verstomd is. Voor al die mensen, opent de Heer een weg om op te wandelen. Gaandeweg Hem tegemoet. Samen met al die pelgrims van nu, en in de sporen van hen die ons voorgingen.

Eerst de kinderen, de kleinen. Zij die niet lopen kunnen, gedragen moeten worden. Zij die de weg niet zien. En vooraan de vluchtelingen, de opgejaagden en angstigen. En daar tussendoor, de verheugden, die de woestijn kennen, én de vreugde ontvangen hebben. Zij die bevrijd zijn van een slavenjuk, een zondelast. Om elkaar te dragen, te behoeden, bij de hand te nemen.

God geeft grond onder je voeren. Een weg wordt gebaand naar Sion, dwars door de woestijn. En voor je oog verrijst een stad van vrede, met in het hart de Heer, de zon der gerechtigheid. Daar woont Hij zelf. Kom, ga mee, aanschouw de glorie van God!

Want daar zijn wij thuis, daar waar God woont. Bij Hem ligt de bron van ons leven, je wortels. Op weg naar de Heer, is tegelijk een terugtocht. Naar huis, waar God woont.

Misschien dat daarom deze weken zo uitbundig gevierd worden. Dat we in ons zingen een voorschot nemen op wat ons is aangezegd, de glorie van God. Misschien dat er daarom zo volop feestelijkheid, licht en schittering is. Omdat het ons hartsverlangen is, God zien in zijn glorie. Thuis zijn bij Hem, in de huiselijkheid van het Godsgezin.

En misschien dat daarom deze tijd voor sommigen ook zo zwaar valt. Als het een woestenij is, de glans is verdoofd, de bloemen verdord. Alle verwachting is gesmoord in realiteit, alle hoop verkild.

Hoor de woorden van de profeet, want ze zijn juist ook voor jou. Voor jou in de woestijn, te moe om verder te gaan, te angstig om iets aan te pakken. Het Woord van de Heer zegt: Zie, Hij zal komen en jou redden. Een roos zal bloeien in de wildernis.

Tot slot
Ik groet u tot slot met de pelgrimszegen, waar Jesaja zijn profetie mee besluit, waar de pelgrims elkaar mee begroetten:

Voortgaan mogen verlosten,
de vrijgekochten van de Heer zullen terugkeren
en in Sion aankomen onder gejubel
en met vreugde voor eeuwig op hun hoofd;
vrolijkheid en vreugde zullen hen bereiken
en vluchten zullen verdriet en gezucht.

(Jesaja 35: 9c-10, Naardense Bijbel)

Halleluja, amen.

Zondag 17 december 2017, 3e Advent
Jesaja 35
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk