Heb je mij lief?

In de kleine sjoel
staat een kacheltje
en het brandt heel goed.
En de rebbe leert
lieve kindertjes
hoe je schrijven moet.

Zo zong Wende Snijders afgelopen week de woorden van Willem Wilmink, bij De Wereld Draait Door.

Met een prachtige, wat rauwe stem zong ze over de rebbe, een Joodse leraar, die de kinderen vertelt van het leven, en wat er komen gaat. Dat het geen makkelijke weg zal zijn.

En daarom, zegt de rebbe, steek ik vast
een klein lichtje aan
dat het altijd doet.

De aanspraak

Vandaag ontsteken wij een klein lichtje, dat het altijd doet. Als het water van de doop je dochters voorhoofd raakt. En haar naam in één adem genoemd wordt met de naam van God. Mag het zijn als een licht, dat hen vergezelt hun leven lang.

In de vroege morgen komt de rebbe Jezus, ons tegemoet. De dag ligt nog open, we weten niet wat het brengen zal. Maar wat het brengt is dit: de stem van Jezus die ons aanspreekt. Hij noemt je naam. En vraagt je om je hart. Heb je mij lief?

Simon, zoon van Johannes. Jezus’ stem doorbreekt de stilte van de ochtend. Hij kijkt Petrus aan. En noemt hem bij zijn familienaam. Alsof hij hem herinneren wil aan waar hij vandaan komt, waar zijn wortels liggen. Zoon van Johannes. Dochter van Maria. Zoon van Adam. Dochter van Eva.

Je afkomst is een gegeven. Je hebt er niet voor gekozen, het is het verband waar je in opgroeit, waar je het mee te doen hebt. Soms is het een last, die je nauwelijks dragen kunt. Heb je amper geleerd om lief te hebben, om te vertrouwen, om te huilen, om te hopen. Soms is het een veilig huis, een krachtbron waar je je leven lang uit putten kan. Vaker zijn het twee handen vol, heb je goede dingen meegekregen, aan trouw en liefde en zorgzaamheid. En in de andere hand moeizame dingen, van teleurstelling, en onuitgesproken emoties, en angst.

Simon, Petrus, is de zoon van Johannes. En van zijn vader leerde hij wat dat betekent, Johannes. God is genadig. We spraken er over met elkaar, bij het doopgesprek. Wat ontvang je van je ouders. Wat koester je, wat wil je overdragen aan je eigen kind.

Een jonge vrouw vertelde mij afgelopen week hoe zij God had leren kennen. Van haar vader, zei ze. En jaren later vertelde zij haar vader over diezelfde God, die hij onderweg was kwijt geraakt.

Wat leer je je kind? Wat ziet zij van jou? Natuurlijk, je zit in een fase waarin werk en gebroken nachten en mantelzorg en vrienden allemaal iets van je vragen. Aan loyaliteit, aan toewijding, aan tijd en energie. Dat je een keer chagrijnig bent, of er niet bij bent met je hoofd, dat het een keer een week chaotisch en stressvol is thuis en op je werk, ja, daar ontkomen de meesten van ons niet aan, denk ik.

Maar laat je ook iets anders zien? Van de hoop die in je leeft? Van God in je leven, naar wie je zoekt, en die je soms, zomaar, onverwacht, op het spoor komt. Van een gemeente, met mensen die je niet zelf hebt uitgekozen, maar waar je je in voegt, omdat we aan elkaar gegeven zijn. En dat we ons oefenen in eenheid en verdraagzaamheid en geloof.

Als je daar iets van kunt laten zien, dan geef je je kind daarmee goud in handen. En wie weet, zal zij later zeggen: mijn moeder, zij leerde mij dat God te vertrouwen is. Mijn vader, hij bad voor mij en dat heeft mij altijd zo getroost.

Heb je mij lief?

Vandaag verbreden wij onze blik. Kijken we verder dan onze achternaam, dan je familie, wordt je in een breder verband getrokken. Van de kerk. Van de kring rond Jezus. Hoe je ook heet, waar je mee belast bent, of waar je mee gezegend bent, Jezus nodigt je uit om Hem te volgen.

Heb je mij lief? Dat is de vraag die gesteld wordt. Er moet nog iets recht gezet worden tussen Jezus en Petrus. Zo gaat dat soms, tussen God en mens. Tussen jou en Jezus. Je kent het misschien. Soms staat er iets tussen, moet er iets uitgesproken worden.

Petrus had luidkeels gezegd dat hij Jezus zou volgen tot in de dood, ook als iedereen Jezus zou verlaten. Maar hij kon het niet waarmaken. Zijn idealen en enthousiasme en zijn liefde sneeuwden onder, en Petrus verliet Jezus en vertrok.

Toen is het Pasen geworden. Elf van de twaalf leerlingen zijn op hun schreden teruggekeerd. Maar er ligt nog iets tussen hen en Jezus. Tussen Petrus en Jezus.

Simon, noemt Jezus hem met zijn oude naam. Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief?

Ja Heer, U weet dat ik uw vriend ben.

De grote woorden zijn tot zwijgen gekomen, je merkt het wel denk ik. Petrus heeft zichzelf leren kennen. God liefhebben, hoe zou ik daar voluit op kunnen antwoorden? De agape, de grootse liefde die alles verdraagt en alles hoop en alles vergeeft, hoe zou ik God zo kunnen liefhebben?

En toch, ja Heer, er is iets in mijn hart dat uitgaat naar U. Ik houd van U, als een vriend. Filw, antwoord Petrus.

Opnieuw vraagt Jezus het. Heb je agape voor mij, liefde die tot het uiterste gaat?

Opnieuw antwoord Petrus.

De agape is te groot voor hem. Ik heb U lief Heer, als een vriend.

En dan komt Jezus Petrus tegemoet, in de meest ontroerende samenspraak die er is.

En hij gebruikt de woorden waar Petrus steeds mee antwoordde: filw.

Heb je mij lief, Petrus, als een vriend.

En Petrus antwoord: U kent mij Heer, U kent mij als uw vriend.

Zo raken die twee elkaar, in een eerlijke innigheid. De agape, die is te groot voor Petrus. Die kan God alleen geven. Zo liefhebben kan Jezus alleen. Maar de menselijke liefde, die hemelhoog kan reiken, maar soms ook zomaar afbrokkelt en door verraad wordt besmeurd of door angst wordt verkleind, dat is wat wij aan God kunnen schenken. En Jezus zegt, het is genoeg.

Jullie vertelden mij, elkaar, iets van de weg die je gaat. Hoe je God hebt leren kennen, hoe je Hem zoekt. Hoe je partner iets zichtbaar maakt van wie God is. Vandaag ben je hier, en je draagt iets mee van een diep verlangen dat je kind Jezus zal volgen. Omdat je onderweg gemerkt hebt, het is goed om bij Jezus in de buurt te zijn.

En zo heeft deze dag, dit doopmoment, ook iets van een toewijding. Voor het eerst, of opnieuw. En je biedt de Heer je vriendschap aan, en je hart. In stilte, in vreugde, in aarzelende onzekerheid.

De diepste liefde komt van God. De agape, die sterk is als de dood. Die de angst overwint. En die je hart overtuigt. Dat is de liefde die Christus schenkt. Aan jou. Aan je kind. Aan de gemeente.

En wij? Wat heb je de Heer te bieden? Wat je hebt, geef het aan Hem. Je vreugde, je krachtige vertrouwen, of je krachteloze liefde, je halve geloof. Wij zijn maar mensen, en ons hart is een onrustig ding, vol gedachten en gevoelens die met elkaar strijden.

Maar dwars door heen klinkt steeds weer vraag, van Jezus aan jou. Aan ons als gemeente. Jij, zoon van Adam, dochter van Eva, heb je mij lief?

Laat je aanspreken. En wees bereid om te antwoorden. Vandaag. Morgen. En alle dagen die komen. Leer je kind om te antwoorden. Vanuit vrijmoedigheid, van vertrouwen, dat het goed is om met God te leven.

Heb ik Hem lief? O Heer, U alleen kent mijn hart. Mijn verlangen gaat naar U uit.

Zondag 15 april 2018, 9.30 uur
Johannes 21: 15-25
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk