De Heer was bij ons, en we wisten het niet

Je ziet ze zo gaan, die twee mannen. Op de rug gezien, met de schouders wat gebogen, de tred wat traag. Ze laten Jeruzalem achter zich. En zijn op weg naar Emmaüs, een dorpje zo’n 2,5 uur lopen van Jeruzalem vandaan. En naast hen loopt een gestalte mee. In de schilderkunst wisselend afgebeeld. Blinkend wit. Of transparant getekend, enkel de contouren zijn zichtbaar.

Wij, ja, wij weten dat het de Heer is. Jezus heeft zich onderweg bij hen gevoegd. Maar zij, die twee mannen, ze weten het niet. Ze beschouwen hem als een vreemdeling, die ongenode gast naast hen. Ze ergeren zich aan zijn onwetendheid. Maar blijken zelf de onwetenden te zijn.
Niet veel later zullen ze zeggen: de Heer was bij ons, en wij wisten het niet. De Heer was bij ons, en we wisten het niet. Dat kan dus, dat God je zeer nabij is, maar dat je het niet beseft.

Met de rug naar het licht gekeerd

Leerlingen van Jezus zijn ze, de Emmausgangers, zoals ze in de volksmond zijn gaan heten. Hoewel je ze beter Jeruzalemgangers kunt noemen, maar dat komt straks. Ze horen bij de wijde kring van discipelen om Jezus heen. Je hebt de elf, de nabije volgelingen van Jezus. En daarom heen een groep van 72 toegewijde leerlingen, waar deze twee bij hoorden. Kleopas heet de één, de naam van de ander weten we niet.
Het is de eerste dag van de week. De dag dat de vrouwen het lege graf zien en in haast de leerlingen er over vertellen. Maar ze worden niet geloofd.
En in ieder geval twee van hen besluiten om uit de kring te stappen. Weg van die leerlingen, terug naar huis. Ze onttrekken zich aan de gemeente, zou je kunnen zeggen. Het Paaslicht is opgegaan, maar ze zien het niet. En met de rug naar het licht toegekeerd, gaan ze naar huis. Het gewone leven in, zou je kunnen zeggen.

Ze wenden zich af van Jeruzalem, de stad die lichtstad genoemd wordt, waar God huist en zich ontmoeten laat.

Hun vertrek gaat gepaard met droefheid. De tocht naar huis is een treurige tocht. Ze zijn iets kwijt geraakt. Alles zijn ze kwijt geraakt. Mijn God, waar is mijn hoop, mijn moed gebleven. Ze verzuchten het uit naar elkaar. Ze werpen elkaar woorden toe, staat er in de Griekse tekst. Ze werpen elkaar woorden toe. Alsof de een in boze teleurstelling de ander met woorden om de orden slaat. Hun droevige moedeloosheid is bijna voelbaar.

En in die droefheid voegt zich bijna ongemerkt een derde bij hen. Hij nadert tot die twee sprekende mannen en wandelt met hen mee. Zo ongemerkt voegt hij bij hen in. ‘Waarover spreken jullie samen?’

Maar ze herkennen Hem niet. Hij die hun Heer is, met wie ze maanden, misschien wel jaren zijn opgetrokken, Hij verbergt zich voor hun ogen. Ogen die bevangen zijn door ongeloof. Alsof er een waas over hun hart ligt, ze niet kunnen en niet eens willen zien dat Hij het is, die met hen wandelt. En in bittere teleurstelling spreken ze over Jezus als over een dode. Hij die hun hoop was, op wie alle verwachting gevestigd was. Maar nu is Hij in het graf. En met hem ligt de hoop begraven.

‘We hoopten dat Hij het was die ons zou verlossen!’ Zo gehoopt dat Hij werkelijk vrij zou maken. Van wat onderdrukt, van wie overheerst. Zo gehoopt dat Hij het goed zou maken tussen God en mens, tussen hemel en aarde. Maar het blijkt niet zo te zijn. Wat wij hoopten, is niet gebeurd. Wat wij dachten, blijkt niet waar te zijn. En is het eigenlijk ook niet te mooi om waar te zijn. Kun je ook maar beter niet gewoon teruggaan naar huis, de draad weer oppakken?

En zo stelt God ons teleur in onze verwachtingen. Word je hoop de grond ingeboord. Misschien herken je het wel uit duizenden. Dat bittere verdriet. Om het verlies van je hoop op God. Om die stem van binnenuit, of van buiten af, die je toeroept, waar is God op wie je bouwde?
Het bittere verdriet, dat je al je vertrouwen op Hem hebt gesteld, en Hij toch zo anders blijkt te zijn. Of zo afwezig.

Die kerels stappen niet juichend uit de discipelenkring. Bevrijd van een religieuze groepering waar ze onderdrukt en bekneld worden, in de ban van een charismatische leider waren. Integendeel. Zwaar en vol droefheid gaan ze weg. Liever hadden ze het anders gezien, maar alles is ze uit handen geslagen. Wat kun je daar vreselijk aan lijden. Als je met lege handen staat. Als je God niet meer herkent en niets anders weet dan Hem de rug toe te keren. Je kunt er aan stuk gaan. In verbittering. In een treurige berusting.

Maar het zijn alleen de weglopers, die door ongeloof gegrepen zijn. Ook de achterblijvers, in Jeruzalem, zijn met ongeloof geslagen. De vrouwen weten er niet door heen te breken met hun evangelie van een leeg graf en een God die leeft.

Tot die onvermoede derde nadert. Hij komt hen achterop. Als in Psalm 139, we zongen het net, waar de dichter het donker opzoekt om in weg te vluchten, in onder te gaan. Het licht kan hij nauwelijks meer verdragen. Maar tot aan het einde van de aarde, tot in de duisternis van het graf, zoekt God hem op om hem daar uit te trekken. God zit je soms ook op de hielen, niet bereid om je zomaar te laten gaan.

De Heer was bij ons…

Zo doet God met ons. Hij komt je achterop. Terwijl je het licht de rug toekeert, gelaten de duisternis weer opzoekt van een leven zonder God. Een leven zonder hoop. En zomaar, op kousevoeten, komt Jezus naderbij. Terwijl je je misschien allang hebt afgewend van het Paaslicht. Van de gemeente, van het evangelie dat je niet eens meer gelooft, of misschien wel nooit geloofd hebt. Dan is daar die ene man. Onzichtbaar voor onze ongelovige ogen. Maar Hij wandelt naast je. En spreekt met je.

Het trof mij diep. Dat het Pasen is geworden, in Jeruzalem. Vandaag, steeds opnieuw weer. Wij vieren dat Jezus leeft, voorgoed. Pasen zal het zijn. Maar dat je er zomaar niet van weet. Op de dag van de opstanding geven die mannen er de brui aan. Het is niet waar, het kan niet waar zijn.

En ze gaan een leven in zonder hoop. Zonder een brandend vuur van hoop op God die alles nieuw zal maken. Mijn leven, zijn schepping, heel de wereld. Alle dingen maakt Hij nieuw. Maar die hoop is verflauwt. Is uitgeblust. En hoevelen zouden niet met hen meelopen, op weg naar Emmaüs, de rug naar Jeruzalem gekeerd. Om de draad weer op te pakken. Te berusten in het oude, hopeloze bestaan.

En in de plaats van hoop komt er bitterheid. Of angst. Dat alles vergaat. En dat niets het meer houdt. Een angst die je ergens misschien wel kent. Die diep in je huist en zijn klauwen naar je uitstrekt. Wat als met Jezus’ dood ook alles is ondergegaan. Wat als ik mij vasthoud aan iets wat een fictie is, een sprookje. Een droom die allang vervlogen is. Zomaar wandel je mee met die mannen en spreek je tot elkaar over een dode Jezus en vergane glorie.

Goddank komt de Heer ons achterop. En op de een of andere manier is dat ook wel behoorlijk ontdekkend. En ontluisterend. O onverstandigen, wat zijn jullie traag van hart. Onverstandig en traag van hart. Zo spreekt Jezus tegen zijn wanhopige en ongelovige leerlingen. Hadden ze niet eerst een woord van troost en bemoediging nodig? Maar nee, eerst die kritische felle terechtwijzing. Onverstandig, en traag. Omdat ze het uit de Schriften hadden kunnen weten. Uit de boeken van Mozes en de profeten. Die we vaak zo vreselijk moeilijk vinden en liever laten liggen. Maar waarvan Jezus zegt, die boeken gaan over mij. Daarin kun je lezen wie God is en hoe Hij handelt. En dat zijn glorie en heerlijkheid door lijden heen moet gaan.

En alles legt Jezus hen uit wat zij moeten weten. En dan gaat hun hart branden en ontsteekt de Geest een vuur dat nooit meer dooft. De schriften, de Bijbel als woord van God is de bron van geloof. We hebben goud in handen met de Bijbel, omdat God zelf spreekt door zijn woord heen. Hij laat zich daardoor kennen. En maakt zich aan ons bekend. De levende stem van het evangelie.

En terwijl wij zoeken en vragen, en niet weten waar we het zoeken moeten, terwijl we tasten naar Gods nabijheid en waar Hij is en wie Hij is, blijkt Hij zomaar met je mee te lopen. Onvermoed, zonder dat je ervan weet. Zelfs zonder dat je Hem herkent. En toch, met zijn Geestkracht wakkert Hij een vuur aan in je ziel. Begint er iets te gloeien van geloof en verlangen, als je Zijn stem hoort. Als je leest uit de Bijbel en door die teksten heen het gelaat van Christus aan je verschijnt. Zijn doorboorde handen, de glans van de opstanding op zijn gezicht. En die glans over je afstraalt als zonlicht dat je verwarmt en doet opstaan in nieuw geloof en nieuwe hoop.

Op catechisatie spreken we er nog weleens over, ik vraag het jullie ook weleens: merk je iets van God in leven? En dan delen we iets met elkaar van onze ervaringen, onze zoektocht. Vaak zoeken we Gods aanwezigheid in positieve, mooie dingen die je meemaakt. Dingen waar je dankbaar voor bent. En dat is ook zo. God zegent ons met zijn goedheid en met vreugde. Maar misschien nog vaker is God juist ook daar, waar je Hem helemaal niet opmerkt. Als je als het ware met je rug naar het licht toestaat. En je in de schaduw leeft. Alles donker is en somber. Je helemaal geen hoop hebt en vooral verdrietig en bedroefd bent. Als je ongemerkt al het geloof loslaat, en eigenlijk niet eens meer weet of God er wel is.

Voor God is het dan niet voorbij. Zomaar komt Hij naast je lopen, op je levensweg. En je hebt geen idee dat Hij het is die meeloopt. En pas later, veel later, denk je terug. En merk je dat je hart werd aangeraakt. En dat er iets van licht in het donker kwam. Zo is God ongemerkt soms heel dichtbij.

Tot slot

Dat de Heer met je is, zonder dat je het beseft. Tot ze samen aan tafel zitten. Die twee uit Emmaüs, en die vreemdeling die nergens van weet. Maar als zijn doorboorde handen het brood breken en delen, wordt de onwetendheid weggenomen. De sluier voor hun ogen wordt weggedaan en zij herkennen hem. Het is de Heer! Hun eigen lieve Heer, op wie al hun hoop gevestigd was.

En het wordt Pasen in Emmaüs. Ver bij Jeruzalem vandaan. Twee ongelovige mannen vieren Pasen samen met Jezus. Het is al avond geworden. Maar het is licht als was het vroeg in de morgen.

En met dat ze Hem herkennen, wordt Hij onzichtbaar voor hun ogen. Maar hun hart brandt. Mijn Heer leeft en Hij is bij ons. De Levende is ook de Gevende. Hij die het brood zelf is en deelt van zijn goede genade voor ongelovige zielen en voor trage harten. Zo is de Heer.

Dat de Heer met je is, en je het niet weet. Zou je dan niet, juist als je ondergaat in ongeloof en vertwijfeling, juist dan de Schriften openen, de Bijbel lezen en het avondmaal vieren. Niet zozeer als een bevestiging van wat je al wist. Maar hopend dat God zich daarin vinden laat. Als de levende Heer die tot je spreekt, door zijn woord en door brood en wijn. Zodat je zeggen kunt, morgen, of volgend jaar, of misschien pas aan het eind van je leven: de Heer is bij mij, en ik wist het niet.

De Emmausgangers worden Jeruzalemgangers. Ze keren het donker de rug toe en snellen naar het Paaslicht. Jezus leeft. En wij met Hem. Halleluja!

Amen

Zondag 3 april 2016, 2e zondag van Pasen, 9.30 uur
Lucas 24: 13-35
Schoonhoven (De Hoeksteen)
Ds. Hanneke Ouwerkerk