Een herinnering aan God

– Heb je God weleens gezien?
Nee, God kun je niet zien. Niemand heeft ooit God gezien.
– Hoe weet je dan toch dat Hij er is?
Omdat iemand jou over God heeft verteld.
Daarom weten we dat God er is. En dat Hij leeft!
– Weet je wie mij over God heeft verteld?
Mijn moeder, en mijn vader. De juf op school. En de dominee.

Simon is het zat. Ze zijn al zo lang onderweg naar het nieuwe land. Een land waar genoeg te eten en te drinken is. Waar ze veilig zijn. Maar het duurt maar en het duurt maar. Zijn broer en zijn zusje balen er ook van. Mama, hoe lang nog? Papa, zijn we er al bijna? Mozes, hun eerste leider, is gestorven. Nu is Jozua hun leider. Hij wijst hen de weg door de woestijn en luistert goed naar wat God tegen hem zegt.

Simon is een jongen uit Israël, een land dat hier vandaan zo’n vier uur vliegen is. Prachtig land, warm, aan de zee, met een grote woestijn en prachtige bergen. Simon leefde jaren en jaren geleden. In het jaar 1100 voor Christus. De oudste kinderen kunnen misschien wel bedenken hoeveel jaar dat geleden is. 1100 voor Christus.
Dat is 3000 jaar geleden.

En eindelijk, daar aan de overkant van de rivier, daar is het land waar ze moeten zijn. Maar Simon kijkt sip. Want hij ziet het land wel liggen. Maar tussen het oude en het nieuwe land, ligt een grote, brede rivier. De Jordaan.

Simon kan wel huilen. Dan zijn ze er bijna, kunnen ze niet aan de overkant komen!
Want er is geen brug, waar ze over heen zouden kunnen lopen. Er is geen hout om een vlot mee te bouwen, zodat ze kunnen varen. Er liggen geen boten. En zwemmen is veel te gevaarlijk.
Moedeloos gaat hij op de grond zitten, zijn handen voor zijn ogen.
Hij voelt een arm om zich heen. Het is zijn moeder. He, Simon, zegt ze, wat duurt het lang he? Maar weet je, God heeft beloofd dat we de Jordaan zullen oversteken. En God doet altijd wat Hij beloofd. Wacht maar.

Simon ziet de priesters naar de rivier de Jordaan toelopen. Priesters zijn mannen die bidden voor het volk, voor de mannen en vrouwen, de kinderen. Ze helpen je om dicht bij God te komen. De priesters lopen zomaar de rivier in. En dan kan Simon zijn ogen niet geloven. Alsof een sterke wind midden door de rivier waait, gaat het water naar twee kanten opzij. Als een muur van water staat het recht overeind. Mam, roept hij, kijk nou! Zijn moeder lacht. Dit is van God, zegt ze. Net zoals bij de Rode Zee, weet je nog. Toen we moesten vluchten voor de soldaten.

En midden in het water blijven de priesters staan, met de Ark van het verbond. Een prachtige gouden kist met de twee stenen platen erin, waar de tien geboden op staan. Daar staan de priesters, met de Ark. Let goed op die ark, zegt Jozua tegen de kinderen, tegen het hele volk. Die Ark laat ons zien: God is bij ons. Midden in het water, staat God zelf. Dat weten we, door die Ark.

En Simon? Hij rent door de rivier heen naar de overkant. Het nieuwe land dat God hen geeft. Hij danst met zijn broer en zus tot ze er bij neervallen.
Als iedereen aan de overkant is, worden twaalf mannen uitgekozen. Zoek een steen uit de rivier en neem die mee. Twaalf sterke mannen zoeken een steen in de rivier, tillen die op hun schouder en brengen de steen naar het nieuwe land. Simon kijkt bewonderend toe. Wat gaaf als je zo sterk bent! De stenen worden bij elkaar gezet.

Waar is dat voor mam, vraagt Simon? En mama vertelt: zo zul je nooit vergeten dat God bij ons was, midden in de rivier.

Later, als Simon groter is, een sterke man geworden, dan vragen zijn eigen kinderen hem: papa, waarom staan die stenen daar? En dan zegt Simon: luister, die stenen herinneren je eraan dat God bij ons is. Want weet je, God kun je niet zien. Maar ik kan je wel over Hem vertellen.
En jaren later stond in diezelfde rivier een man met dezelfde naam als Jozua. Joshua, Jezus, noemden de meeste mensen Hem. Jullie kennen Hem wel denk ik. Jezus stond midden in die rivier de Jordaan. Hij werd gedoopt. Het water ging over hem heen en hij stond weer op.
Jezus is net als die Ark, die gouden kist. Hij is God zelf die bij ons. Midden in de rivier, die je nooit alleen had kunnen oversteken. Maar Jezus staat in het midden, en vertelt ons van God.

Weet je, in de kerk hebben we ook een paar stenen. Geen echte stenen bedoel ik dan. Maar iets anders dat is als zo’n steen. Waardoor je weet: God is er wel, ook als ik Hem niet kan zien. Een paar dingen die ons herinneren aan God. En als we hier op zondag samen zijn, dan geloven we dat God bij ons wil zijn.
Wat ons daar bij helpt, zijn vier dingen. Denk eens na en als je het weet steek je je vinger op.
– Doopvont – als je het water voelt van de doop, dan is het net als het water van die grote rivier. Waar je zo graag overheen wilt, maar niet alleen overheen kunt. Bij de doop zegt God: ik help jou door het water heen.
Zo herinnert de doop ons aan God.
– Avondmaalsset – vlak voordat Jezus stierf, vierde Hij het avondmaal met zijn vrienden. Ze aten brood en dronken wijn. En Jezus zei: ik geef mijn leven voor jou. En daarom eten we in de kerk ook om de zoveel weken brood en drinken we wijn. Dan proef je de goedheid van God.
– Bijbel – de Bijbel is het verhaal van God en mensen. En als je er in lust, zul je ontdekken, het gaat ook over mij en over jou.
– Paaskaars – het licht van Christus, noemen we dat. Want God is als een licht, en hij heeft het licht gemaakt.

Misschien heb jij ook wel stenen verzameld. Iets waardoor je weet: God is er wel, ook als ik Hem niet kan zien. Je doopkaars misschien. Of een armbandje dat je hebt gekregen van je oma, die jou altijd over God vertelde. Misschien heeft papa of mama ook wel zoiets. Een Bijbel met een mooie tekst erin. Een foto van jou als baby.
Dat is net als die twaalf stenen. Een herinnering aan God. Zodat je niet vergeet dat Hij er is. En dat Hij leeft.

Amen

Zondag 2 oktober 2016, 10.00 uur
Kerk en schooldienst
Jozua 4
P.G. de Hoeksteen, Schoonhoven
Ds. Hanneke Ouwerkerk