Het evangelie, dat ons kleine mensen een begaanbare weg wijst door deze grote wereld

Zo zwaar is het predikantsschap nu ook weer niet. Een half jaar geleden. Op dat ene muurtje in het zonnetje met Jeruzalem als achtergrond. Tussen twee vrolijke dames.

IsraelDe dame in het roze was onze gids, Cassandra. Een Israëlische vrouw die vloeiend Vlaams spreekt, omdat ze Vlaamse van geboorte is. Iedereen was een beetje gek op haar. Vanwege haar enthousiasme, vanwege haar accent, maar vooral omdat ze ons zoveel wist te vertellen over het oude en het huidige Israël. Want met een goede gids zie je veel meer dan zonder.

Neem de stad Jeruzalem – achter ons. Zonder gids zie je nog niet eens de helft van wat er te zien is. Nog afgezien van de kans dat je hopeloos verdwaalt in de straatjes en steegjes van de oude stad. En je loopt ook nog eens de beste pizzatent mis.
Op de andere vrolijke dame op de foto waren we trouwen ook erg gesteld. Annemarie was samen met Joep onze bezemwagen. Schaapjes tellen. Zorgen dat niemand de bus miste en verloren ging. Leek ons een mooie taak voor twee jonge dominees.

Ik heb het in de afgelopen twaalf jaar geprobeerd om zowel een behoorlijke bezemwagen als een behoorlijke gids te zijn. Als bezemwagen heb ik, samen met een geweldig pastoraal team, geprobeerd te letten op de schapen die moe waren, of afgeleid, of verdrietig, of de weg even kwijt.

Ik heb ook geprobeerd u als een gids door de bijbel te loodsen. In heb geprobeerd u van alles aan te wijzen, en te verduidelijken, en uit te leggen. Ik hoop dat ik in de buurt ben gekomen van het enthousiasme van onze Cassandra.

Ik wil u vanmiddag nog eenmaal een stukje gidsen door een Bijbelboek dat minstens zo gelaagd en ingewikkeld in elkaar zit als de stad Jeruzalem.

Ik wil u vandaag meenemen naar twee visioenen uit Openbaring, twee visioenen die beiden met een boek te maken hebben. Ik neem u allereerst mee naar een visioen dat we in hoofdstuk 5 vinden:

En toen zag ik dit: degene die op de troon zat had in zijn rechterhand een boekrol, die aan beide kanten beschreven was en met zeven zegels was verzegeld.

We zien een boek liggen in de rechterhand van God. Het is niet de Thora. Uit het voorafgaande is op te maken dat dit boek het Boek des Levens is. Het boek van de geschiedenis. De boekrol is aan beide kanten beschreven, van binnen en van buiten. Het is een uitputtende geschiedschrijving, verleden, heden, toekomst, geluk en omgeluk, zin en onzin, alles staat erin. Het boek ligt in de rechterhand van God. He has got the hole world in His hand. Wij vatten ons eigen leven vaak al niet, laat staan de hele wereld – maar we zijn tenminste in Gods hand.

We lezen ook: het is een gesloten boekrol. Zevenmaal verzegeld. De geschiedenis is een gesloten boek. Dat betekent: de wereldgeschiedenis is een ontoegankelijk raadsel. Je snapt er niets van. Als er ergens op deze wereld een crisis uitbreekt, dan komen op de televisie de deskundigen langs. Zij doen alsof zij precies weten hoe het allemaal zit. Maar niemand kan zeggen hoe het zal aflopen – met Syrië, met De Krim, met de Oekraïne, met Rusland, Europa … nu ja met die hele aardbol. Laat staan dat iemand in staat is die geschiedenis een gunstige wending te geven. Nee, het boek van de geschiedenis is een raadsel, een gesloten boek.

Een machtige engel stelt een vraag: Wie komt het toe de zegels te verbreken en de boekrol te openen? Maar er was niemand in de hemel of op de aarde of onder de aarde die de boekrol kon openen en inzien.
En dan zegt Johannes de Ziener: Het deed me veel verdriet dat blijkbaar niemand het verdiende om de boekrol te openen en haar in te zien.

Hij bedoelt: het deed me veel verdriet dat geen mens in staat is om iets te doen aan de ellende, het geweld, de armoede waaronder miljoenen aardbewoners gebukt gaan. Wie kan de terreur een halt toeroepen? Het schreeuwende onrecht? De onmenselijkheid? De vervuiling?
Maar dan klinkt er een nieuwe stem, een nieuw woord:
Toen zei een van de oudsten (een ouderling): wees niet verdrietig. Want de leeuw uit de stam van Juda, de telg van David heeft de overwinning behaald en daarom mag hij de boekrol met de zeven zegels openen
En even later zegt diezelfde ouderling: Midden voor de troon, tussen de vier wezens en de oudsten zag ik een lam staan Het zag eruit alsof het geslacht was en het had zeven hoorns en zeven ogen, dat zijn de zeven geesten van god die over de hele wereld zijn uitgestort.

Wonderlijk: een leeuw met de kwetsbaarheid van een lam. Een lam met de kracht en moed van een leeuw. Maar ook: een geslacht lam. Het heeft een rode slachtstreep onder de keel. Het is het paaslam uit Exodus! Maar het geslachte stam staat weer. Het slachtoffer is opgestaan. Het leeft. Jezus Christus… – zeggen en denken wij dan meteen.
En dan halen we een moment opgelucht adem: er is dus in ieder geval één die weet hoe het zit met dat boek van het leven. Eén die raad weet met het raadsel van goed en kwaad, haat en liefde, ellende en verlossing, dood en leven. Eén die de geschiedenis niet alleen doorziet, maar ook kan openen, en een wending kan geven. Als die ene er is – dan is er hoop.

Maar hoe zit het dan verder met ons? Is er voor ons mensen nog een rol weggelegd in de geschiedenis van deze wereld? Of zijn we in het beste geval alleen maar toeschouwers, die Stil maar wacht maar, alles wordt nieuw mogen zingen. Prachtig lied, maar als het ons enige lied is, dan is het een vreselijk lied.

Ik neem u als gids mee naar een ander visioen over een boek. We wandelen een paar hoofdstukken verder, naar hoofdstuk 10.

Ik zag een andere machtige engel uit de hemel neerdalen… en hij hield een kleine boekrol geopend in zijn handen. Hij zette zijn rechtervoet op de zee en zijn linkervoet op het land. Hij riep met luide stem, zoals een leeuw brult,
… dan volgen er allerlei fanatasy-achtige beelden die we nu even overslaan. We richten ons op met moment dat Johannes, de ziener, geroepen wordt om naar de engel toe te gaan om dat geopende boekje op te halen. De engel reikt hem het boekje aan en zegt: Eet het op. Het zal branden (letterlijk: bitter zijn) in je maag, maar in je mond zal het zo zoet zijn als honing. Ik pakte het boekje en at het op. Het smaakte zoet als honing, maar nadat ik het opgegeten had, was het bitter in mijn maag…

Het boek des levens in Openbaring 5 was een boekrol, een biblion. Nu wordt er gesproken van een biblaridon, een boekrolletje. Ik stel me het formaat van een mini-loempia voor. En nog iets: dat kleine boekje is een geopend boekje is (vers 8)! De engel hield een kleine boekrol geopend in zijn handen…

Het boek des levens / het boek van de geschiedenis is verzegeld en gesloten… voor mensen als u en ik. Het is te groot. Je denkt wel eens: ik kijk niet meer naar het journaal, lees geen kranten meer. Het is te erg, het houdt nooit op, en ik kan er toch niets aan doen.
Maar dit tweede boekje is klein. Johannes, een mens als u en ik, kan het gewoon aanpakken, en hij kan erin lezen, want het is geopend. Hij kan het zelfs opeten. Dat betekent: het is te behappen. Hij kan het in zich opnemen. Hij kan zich er zelfs mee voeden, zodat hij verder kan gaan op de weg door deze zo lastige wereld.

Het boekje is … het evangelie, dat ons kleine mensen een begaanbare weg wijst door deze grote wereld. Het boekje vertelt ons dat wij deze wereld niet kunnen redden, en dat hoeven we ook niet: – dat zal God doen. Maar ondertussen vraagt God ons wel om met hem mee te werken. Om te doen wat wij kunnen. Om zijn handen en voeten op aarde te zijn.

Johannes zegt er wel eerlijk bij dat dat boekje twee smaken heeft. Het is zoet in de mond… Het gaat over liefde en over hoop en over God die alles voor ons over heeft, zelfs zijn eigen zoon, en over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Zoeter dan zoet!

Maar eenmaal doorgeslikt … is dat boekje is ook bitter in de maag. In goed Nederlands: het ligt zwaar op de maag. Het evangelie is niet alleen maar leuk. Het vraagt ons om niet langer onze eigen eerste impulsen te volgen, maar om onze oude mens te laten sterven, zodat er een nieuwe mens op kan staan. Met Christus. Het woordje bitter komt ook in de evangeliën één keer voor, als er wordt verteld dat Petrus Jezus heeft verloochend, en als hij dan bij het kraaien van de haan bitter begint te huilen. Het evangelie heeft te maken met vreugde, maar ook met een kruis dat gedragen moet worden, ook door ons.

Maar het is te doen! Het boek van de geschiedenis is veel te groot voor ons, niet te behappen. Het evangelie is een behapbaar boekje, dat toegesneden is op de menselijke maat. Neem en eet. Maak het je eigen. Het kan. Het is te doen!

Gemeente,

12 jaar geleden, op 21 april 2002 heb ik tijdens mij intrededienst over precies dezelfde tekst gepreekt – al beperkte ik me in mijn preek toen vooral tot het kleine boekje uit Openbaring 10. Het is niet erg als u dat niet meer weet! U weet ook niet meer wat u 12 jaar geleden op brood at. Toch is het maar goed dat u toen gegeten hebt.
In 12 jaar is er veel gebeurd. In de grote wereld. In onze gemeente. In uw en in mijn persoonlijke leven. Daar hebben we het afgelopen donderdagavond uitgebreid over gehad.

Ik ben dankbaar dat ik twaalf jaar deel heb mogen uitmaken van de Hoeksteen.
Omdat u een prachtige gemeente bent!
(Hoe belangrijk een gemeente is, heb ik de afgelopen week heel persoonlijk mogen ervaren bij het afscheid nemen en de begrafenis van mijn vader. De gemeente van Almere en van Schoonhoven hebben ons erg veel houvast gegeven.)
En vooral omdat ik er telkens met u heb mogen luisteren naar het evangelie van Jezus Christus, die ons door deze grote wereld en door dit eindeloos ingewikkelde leven… een weg wijst die hoopvol én begaanbaar is.
Het laatste wat ik zeg is dit: doorgaan op deze weg. of het nu in Schoonhoven, Willige Langerak of Heusden is: gewoon doorgaan op deze weg. Het is te doen.

Amen.

Ds. Frans-Willem Verbaas