Het gebed is een onvervreemdbaar kenmerk van de kerk

Bidden

En Jezus nam Petrus, Jakobus en Johannes mee de berg op, om te bidden.
Om te bidden.

De gemeente van Christus is een biddende gemeente. Het gebed is een onvervreemdbaar kenmerk van de kerk. (Miskotte, De weg van het gebed). Voortdurend richten we ons hart en onze gedachten op God en antwoorden op zijn Woord. Bidden om zijn koninkrijk. En dat zijn wil werkelijkheid zal worden in ons leven.

Waar een Woord is, is een Weg. Rond dat thema spraken we afgelopen dinsdagavond op de gemeente-avond over de kerk. Over het hart van de kerk. Wat behoort tot ons wezen, wat staat ons te doen. Het trof mij dat vandaag deze lezing op het rooster staat. Omdat hier iets zichtbaar wordt van wat de gemeente van Jezus Christus is, een biddende gemeenschap die hoort naar het Woord van de Heer. In het gebed richt je als het ware je hart en je handelen op God. Voegen wij ons in de weg die God gaat met zijn kerk, met zijn wereld.

Kernachtig verwoord Bonhoeffer de taak van christenen dan ook zo: bidden, wachten en het goede doen onder de mensen.

En nu ons land zo in verwarring is, om levens die bewust zijn afgebroken, om lijden dat ondragelijk bleek en eenzaamheid die niet te verduren was, om de grote vragen waar het euthanasiedebat ons voor stelt, komt het des te sterker naar ons toe. Te bidden. In bewogenheid om al die mensen die lijden aan het leven, aan ziekte en helse pijnen, psychisch of lichamelijk. En tegelijk in verbijstering, om de dood als antwoord daarop. Zou er niet een ander antwoord moeten, kunnen zijn?

Mij trof de heilige verontwaardiging van psychiater Koerselman in een nagesprek bij de aangrijpende documentaire over de Levenseindekliniek. Heilige verontwaardiging, om wat gaande is in ons land, waar hij met ontzetting naar keek.

En vandaag richten wij ons gebed tot God, om wijsheid, om moed voor wie lijdt, om verlichting van wat ondragelijk is. Bidden en wachten op God, tot Hij tot ons spreekt. En in dat alles het goede doen voor de mensen. Nabij zijn bij wie eenzaam is, zorg dragen voor wie zorg behoeft, het uithouden met wie lijdt en met wie klaagt.

Een biddende gemeente. Daar zijn we toe geroepen. En het gebed van Jezus vormt ons bidden tot een gebed of God ons regeert. Of door ons spreken en handelen zijn wil zichtbaar mag worden. We voegen ons met heel ons leven naar zijn rijk en zijn wil. Bidden en wachten op Hem.

Maar ondertussen vallen de drie discipelen op de berg in slaap, overmand door vermoeidheid. Het gebed verslapt. Het wachten wordt sluimeren en verzandt in slaperigheid. Alsof hen niets meer te wachten staat. De kaarten zijn geteld. We weten wel hoe het zit. Van Godswege hebben we niets meer te verwachten.

Of is het vertwijfeling. Halfslachtigheid. De hoop is er nog wel, dat Gods rijk komen zal. Maar de onzichtbaarheid maakt ook vermoeid, en moedeloos. De ogen dicht. Niet om te bidden, maar om te slapen. Alles valt je uit handen en het is op hoop van zegen.

Bidden en wachten veronderstelt waakzaamheid. Oog voor wat er gaande is in je leven, om je heen. En voortdurend verbonden zijn met God de Vader. Hij is de grond van ons bestaan, de schepper van alle leven. In zijn hand ligt ons lot en ons leven.
Als dat verslapt, dan verslapt misschien ook wel ons gebed. Zien we de zin er niet van in. En gaan we altijd eerst zelf aan de slag, in plaats van Gods aangezicht in gebed te zoeken.

Glans en glorie

Petrus en de beide anderen waren in een diepe slaap gevallen. (vers 32) Blijkbaar is de kring om Jezus heen niet altijd even alert en waakzaam. Ze verstonden ook niet hoe Jezus’ weg zou zijn. Pas na zijn opstanding werd dat verstaan. Jezus kondigde hen zijn lijden aan. Zo zal mijn weg gaan, zei hij. Lijden en dood. En ze begrijpen het niet of willen het niet horen.
En nu slapen ze.

Maar Jezus bidt. Als ons gebed verflauwd, wordt er nog altijd gebeden. Door de Geest, in Jezus naam. Jezus bidt en wendt zich tot God. Heel zijn leven was Hij zo nauw verbonden met zijn Vader.

En in dat bidden, vanuit dat wachten, komt de glorie van God over Jezus. Heel zichtbaar. Zijn gezicht wordt anders. Stralend wit is zijn kleding. De heerlijkheid van de Heer omscheen hem. Als in een visioen wordt hij begroet door twee getuigen uit het Oude Testament. Mozes en Elia. Zij die door God zelf tot zich genomen waren uit het leven. En nu de glans van zijn grootheid en heerlijkheid dragen.

Ze spreken samen met Jezus. En waar de discipelen maar nauwelijks verstaan wie Jezus is en hoe zijn weg zal lopen, spreekt Jezus nu met Mozes en Elia over zijn lijden. Ze zeggen hem zijn exodos aan. Zijn uittocht. Zijn levenseinde. Vanuit de Schriften, vanuit het Oude Testament, bevestigen die twee mannen dat de tijd gekomen is om zijn weg te volbrengen.

Op dat moment schrikt Petrus wakker, met de andere twee. Maakt het iets zichtbaar van het geheim van Jezus lijden en dood? Waarvan we maar nauwelijks vatten en proeven wat er komen zal, hoe God daarin zijn eigen weg gaat? Petrus en de discipelen zijn er niet bij, als Jezus daarover spreekt met Mozes en Elia. Wie zal het vatten, dat Gods glorie die Jezus omgeeft, juist zichtbaar wordt in de ondergang van Jezus?

Petrus wil er in ieder geval niet aan. Hij ziet de glans die Jezus omgeeft. Als de stralende heerlijkheid van God, die een mens maar nauwelijks kan aanzien. Laten we hier blijven, stelt hij voor. Hier in de heerlijkheid, in dat schitterende licht hoog op de berg, dicht bij de hemel.

Onbewust weerspreekt Petrus de woorden van Mozes en Elia. Alles is Jezus aangezegd wat Hij volbrengen moet. Maar Petrus wil alleen het goede, alleen de vrede en de glorie. Hoe menselijk en herkenbaar is dat niet?

Is er nog ruimte voor zwakke mensen, voor wie kwetsbaar is en pijn lijdt. Kunnen wij het uithouden met de onzekerheid van ons levenseinde, de angst voor wat mogelijk komen gaat? Durven we onder ogen te zien dat lijden met het leven verweven is. Niet als een lot, maar als een werkelijkheid.

Petrus zegt: laten we hier blijven. Alsof hij Jezus ervan wil houden om die vernederende kruisweg te lopen. Het moet de goede richting uit, naar glorie en heerlijkheid, maar toch niet via het graf.

Maar de glorie van God vertelt ons: Hij alleen is Heer. Zijn wegen zijn niet altijd onze wegen, zijn gedachten zijn niet onze gedachten. Zijn glorie is zijn lijden. Het kruis is zijn verheerlijking. En waar wij alleen de glans zouden willen, neemt God ook het kruis en het lijden in zich op. De zwakte van een mens, de grondeloze eenzaamheid.

Petrus wil er niet aan. En laten we niet al te snel zeggen dat het lijden ook zijn doel heeft, of dat het lijden je ook wat goeds kan brengen. Dat kan, ieder van ons heeft daarin zijn eigen ervaringen, zijn eigen worstelingen ook. Maar wat wordt er op een ziekbed soms ondragelijk geleden, gesnakt naar adem, gestreden om verlichting van pijn. Als je het ondergaat, of als je er machteloos naast zit, dan ken je die verschrikking.
Dat Gods glorie zichtbaar wordt in Jezus’ lijden aan het kruis, dat is iets waar wij eerst en vooral bij zwijgen. Want ook Jezus bidt, laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan. Maar niet mijn wil, maar uw wil geschiedde.

In zijn verborgenheid komt God ons tegemoet. Verhuld, als in een wolk spreekt Hij. De wolk, waardoor het volk Israël wist: de Heer is hier. Verborgen aanwezig, maar Hij ís aanwezig.

En die verborgen onthulling is genoeg. Genoeg voor Jezus die door God erkend wordt als zijn uitverkoren zoon. Ga, mijn zoon, de weg die je moet gaan.
Genoeg voor Petrus tot wie God zegt: hoor naar Hem.
Genoeg voor ons. Gemeente van Jezus Christus. God komt tot ons in het evangelie, en toont zijn wonderlijke glorie aan het kruis.

Hij spreekt nog altijd voort. En hoe zouden wij dat verstaan, als wij niet bidden en niet luisteren?

Dit is mijn Zoon, uitverkoren om mijn heerlijkheid te dragen tot op het kruis. Hoor
naar Hem!

Zwijgen (mede n.a.v. de disciplina arcani van Bonhoeffer en ‘Tegendraads en bij de tijd’ van Wim Dekker)
En Petrus? Hij zwijgt. Die drie discipelen, zo dicht bij Jezus. Ze zwijgen. En verkondigen niets van wat ze gezien hebben. Iets hebben ze gezien van de majesteit van de Allerhoogste Heer. Van zijn kloppend hart en van de innige verbondenheid met zijn eigen zoon. En ze zwijgen.

Soms is er een tijd van zwijgen nodig. Ook in de kerk. Juist ook in de kerk. Nu we allemaal, binnen en buiten de kerk, in de greep van de secularisatie zijn. Waarin we zo moeten graven en zoeken om te verstaan wat het Evangelie tot ons zegt, vandaag, anno 2016. Waarin het helemaal niet meer vanzelfsprekend is om je toe te vertrouwen aan het gezag van de Bijbel, je te voegen in het ritme van de christelijke gemeente, en de stem van de levende God zo snel ondersneeuwt temidden van al die andere stemmen die klinken. In je hart en om je heen.

Is het niet goed om dan een tijd van stil zwijgen te kennen. Niet zomaar het Evangelie te pas en te onpas proclameren. Maar eerst, in de gemeente, heel stil en lang, te luisteren naar het Woord van God. Proeven wat Hij zegt tot ons, vandaag. En oefenen om zijn stem te verstaan.

Niet om het evangelie binnen te houden, om ons op een eilandje terug te trekken. Zeker niet. Kerk en wereld moeten we niet al te zeer tegenover elkaar zetten. Maar wel dit: het geheim van het geloof, het geheim van het heil dat God ons in Christus schenkt, leren verstaan in de gemeente. Onophoudelijk vieren dat God ons in Christus tegemoet komt. Daarvan zingen en daarom bidden.

En dat alles in het besef, we verstaan niet zomaar wat het geheim is van Gods genade. De protestantse kerk heeft dat in haar nieuwe visienota ook wel aangevoeld. Kerk anno 2016 is een kerk die zich bezint op haar bron, die weet waarvan zij leeft. En voordat we er op uit gaan om anderen te werven, zullen we eerst heel goed moeten luisteren om te horen wat God tot ons zegt.

Want anders bestaat het gevaar dat je een half evangelie vertelt. Of dat de wonderlijke woorden van het evangelie alleen maar bevreemding oproepen. Komen mensen werkelijk tot Jezus door wat ze zomaar horen van een ander? Of is het veel eerder via een gemeenschap die zichtbaar leeft van het heil dat God ons schenkt. Door een langdurige ontmoeting met een mens die aan God verbonden is met hart en ziel. Levend van zijn milde genade voor gebroken zielen.

Als we zo gemeente van Christus zijn, een gemeente die het in alles van God verwacht en leeft van het heil dat Hij ons schenkt, zou daar niet een positief getuigenis van uitgaan?
Tot slot
Gods goedheid moeten we niet in de uitverkoop doen. Maar koesteren als een kostbaar geheim waar wij van leven. En in dat alles gehoorzamen aan het evangelie en het goede doen onder de mensen. Ons bidden zal ook altijd een gebed voor de wereld zijn, waar wij met elkaar wonen.

En zo staan we als gemeente rond het heilsgeheim van Christus. Die in zijn lijden Gods glorie toont. En rond dat geheim, waar wij van leven, rond dat geheim zijn wij geroepen om te bidden, en op zijn tijd te zwijgen. In stil ontzag aanbidden wij zijn grote en heilige Naam. Hem komt alle eer en glorie toe. Nu en altijd.

Amen.

Zondag 21 februari 2016, 2e zondag van de Veertigdagentijd
Schoonhoven (De Hoeksteen)
Exodus 34, Lucas 9: 28-36
Ds. Hanneke Ouwerkerk