Het geloof is een gave, een werk van de Geest

Marcus 3: 29 is een klassieke tekst die voor veel vragen, zelfs angst heeft gezorgd. Dan gaat het over de zonde tegen de Heilige Geest, die onvergeeflijk is. Maar wat is die zonde dan? Heel wat mensen die dit vers hoorden of lazen, werden bang dat ze die zonde misschien zonder het te weten geplaagd hadden, door te twijfelen aan God, of boos te zijn op God, of omdat ze gevloekt hadden.

Soms komt iemand met een originele interpretatie:
De grote theoloog Karl Barth zei in de jaren 30, toen in nazi-Duitsland de jodenvervolgingen begonnen: anti-Semitisme is een zonde tegen de heilige geest. Dwz: de Bijbel is een joods getuigenis, de Bijbel is doordesemd van een joodse geest, bovendien was Jezus zelf een joodse man. Wanneer wij geloven dat deze Bijbel door de h. Geest is geïnspireerd, dan gaat jodenhaat  tégen de geest van de Bijbel in, en dus ook tegen de heilige Geest in. Vandaar de uitspraak: antisemitisme een zonde tegen de heilige Geest.
Maar wat staat er nu eigenlijk? We leggen vanavond een vergrootglas op Marcus 3: 20-30.

Vers 20.
Na een aantal genezingen, en nadat Jezus een aantal mensen heeft bevrijd van een onreine geest, gaat Jezus naar huis in Kafarnaüm (hij woonde bij Petrus in).
En weer verzamelde zich een menigte, zodat hij niet de kans kreeg te gaan eten.
Drukte. Stress! Gedwongen vasten. Een beetje een gekkenhuis is het wel.

Vers 21.
Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om hem desnoods met dwang mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren. (Letterlijk: hij was buiten zichzelf). ‘Het gaat niet zo goed met onze Jezus.’

Zijn broers, moeder, neven… willen hem meenemen met dwang/geweld.
Later, in Markus 14(vers 1, 44, 46, 49, 51.), zal ons verteld worden hoe Jezus opnieuw en nu werkelijk met dwang wordt meegenomen. Bij de arrestatie van Jezus zal hetzelfde woord worden gebruikt. Maar het begon al in eigen kring, bij zijn verwanten, die behoefte om ‘die rare Jezus’ mee te nemen. Uit goede bedoelingen gebeuren soms de ergste dingen. Blijkbaar vindt de familie van Jezus dat hij zich als een bezetene gedraagt. Van wie is Jezus dan bezeten?

Vers 22.
De schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, die weten dat wel: Hij is bezeten door Beëlzebul. En: dankzij de vorst der demonen kan hij demonen uitdrijven.

Kijk eens: Jeruzalem heeft een onderzoekscommissie op Jezus afgestuurd. Net als de commissie Deetman die het seksschandaal in de RK moest onderzoeken, net als de commissie Cohen die moet onderzoeken wat er mis ging in Haren. En wat doet de commissie van farizeeën: ze halen er direct Beëlzebul bij, de overste der demonen. Tegenwoordig zouden we zeggen: ze beginnen er direct maar mee Jezus te demoniseren! Dat is karaktermoord, en dat is ook een vorm van moord, of althans een voorschotje daarop.

Beëlzebul is niet zomaar een naam voor de vorst der demonen, het is een rabbijnse scheldnaam die volgens sommige commentatoren betekent: De god van strontvliegen. Nu weten we direct welke wapens de brave farizeeën hebben gekozen. Ze schieten met grof geschut. Ze ontkennen de tekenen van Jezus (genezingen, bevrijdingen van onreine geesten) niet. Dat proberen ze niet eens. Dat kunnen ze blijkbaar niet. Daarom kiezen ze ervoor zijn woorden en daden te verdraaien en ze als duivelswerk te bestempelen.

Nogmaals: met woorden kun je iemand aardig vermoorden. Ee zien het in de politiek tegenwoordig nog al eens gebeuren…

Vers 23
Jezus roept dan zijn verwanten en de commissie van farizeeën bij zich. Hij blijft het gesprek zoeken. En hij gaat op hun verwijten in.  Als Jezus zich richting buitenstaanders moet verdedigen, kiest hij meestal voor gelijkenissen. Door middel van drie heel korte gelijkenissen  ontzenuwt hij de beschuldiging dat het werk dat hij doet niet het werk van God is, maar van de duivel.

A. Hoe kan Satan Satan uitdrijven? Tja, wat is daarvan de logica? En wat is het … en probleem?

B. Vers 24-26.  Als een Koninkrijk innerlijk verdeel is, kan het niet standhouden… En als Satan tegen zichzelf  in opstand is gekomen en verdeeld is, kan hij ook niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet.

Daarmee verwijst Jezus naar het koninkrijk van de Satan dat hij dus van binnenuit zou ondermijnen. Stel dat dat zo is, waarom laten de farizeeën hem niet gewoon zijn gang gaan? Laat dat duivelshuis toch mooi afbranden. Laat de satan zichzelf te gronde richten. Opgeruimd staat toch netjes?

(Misschien verwijst Jezus ook naar het Koninkrijk van David dat al sinds Salomo intern volstrekt verdeeld is: politiek opgesplitst in een noord- en zuidrijk, verdeeld in regio’s die elkaar verachten: Galilea, Judea, Samaria… Verdeeld in stromingen en secten: Farizeeën, Saduceeën, Zeloten…  Daarmee stelt Jezus de farizeeën indirect de vraag: En wat doen jullie zelf om het Koningschap van David te herstellen, heel te maken? Waarom verzetten jullie je zo tegen mij, als ik met de komst van het Koninkrijk van God het herstel van het Davidische Koningshuis aankondig in woord en daad?)

C.  Vers 27. (Tenslotte:) Bovendien kan niemand het huis van een sterkere binnengaan om zijn inboedel te roven, als hij die sterkere niet eerst vastgebonden heeft…

Met de suggestie dat Jezus sterker is dan Beëlzebul, de Heer des huizes, erkennen zelfs de farizeeën dat Jezus sterker is dan de duivel. (En inderdaad, tijdens de verzoeking in de woestijn heeft Jezus de duivel al in het zand laten bijten.) Dus: wat willen de farizeeën nu eigenlijk zeggen? Dat Jezus sterker is? Laten ze dat dan erkennen!

Zo weerlegt Jezus drievoudig de verwijten van de farizeeën zijn.

En dan volgt dat beroemde, beruchte vers 28 en 29.

Amen, ik zeg jullie… alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, maar wie lastertaal  spreekt tegen de heilige geest krijgt in alle eeuwigheid geen vergeving, want zo iemand is schuldig aan een onuitwisbaar vergrijp. Vers 30. Dit, omdat ze gezegd hadden: Hij is bezeten door een onreine Geest.

Dus: wie willens en wetens de h. Geest lastert, die plaatst zichzelf op een doodlopende weg. Wie de verkondiging van het Koninkrijk van God en de tekenen van het Koninkrijk van God bewust loochent en verdraait en demoniseert, die zit goed fout. Wie bewust van de heilige Geest een onreine geest maakt, en van de waarheid een leugen, en van goede werken iets slechts, en van geloof cynisme, en van liefde haat… dan maak je je eigen leven en dat van anderen uitzichtloos.

De zonde tegen de heilige Geest, letterlijk: het lasteren (Grieks: blasfemie!) tegen de h. Geest,  komt dus heel dicht in de buurt van wat wij tegenwoordig propaganda zouden noemen. Met propaganda kun je recht praten wat krom is, en krom wat recht is. Met propaganda kun je hele menigtes voorliegen, op het verkeerde been zetten, de verkeerde kant uitsturen. Dan wordt jodenhaat, of christenhaat, of ook islamhaat iets bewonderenswaardigs. Dan wordt onrecht iets heel rechtvaardigs. Dan wordt wreedheid een deugd. Jezus wordt dan heel duidelijk. Dat is onvergeeflijk. Dan is het einde echt zoek.

De zonde tegen de heilige geest is dus niet iets vaags, geheimzinnigs wat een mens ooit, misschien wel per ongeluk doet of heeft gedaan. Een vloek die je ontvalt, een daad van ongehoorzaamheid. Zo ging dat vroeger vaak met kinderen, als ze op school of in de kerk hoorden over de onvergeeflijke zonde tegen de h. Geest… Als ik u zeg: denk niet aan een olifant, dan denkt u geheid aan een olifant. Als die kinderen hoorden, je mag niet zondigen tegen de H Geest dan gingen ze daarover nadenken, en voor ze het wisten hadden ze het gevoel dat ze het al gedaan hadden: de zonde tegen de h. Geest. En ze zagen zichzelf als eeuwig branden…

Goed na-lezend, en goed na-denkend over wat Marcus ons vertelt,  is de zonde tegen de h. Geest, dat wil zeggen: lastertaal spreken tegen de heilige Geest , dus geen losse daad, maar een bewust gekozen houding die stelselmatig het werk van Jezus duivelswerk noemt. Die goed noemt wat fout is, en fout wat goed is. Het gaat om weloverwogen propaganda tegen het evangelie van geloof, hoop en liefde.

Tegen deze achtergrond kunnen wij de uitspraak van Karl Barth: anti-semitisme is een zonde tegen de heilige Geest misschien nog beter verstaan.

Dat zei Barth tegen mensen die zichzelf veelal als brave christenen beschouwden en toch bewust de joden de dood in joegen!

Alsof er geen verschil zou zijn tussen goed en kwaad. Tussen waarheid en leugen. Er is wél verschil tussen goed en kwaad en er is wel verschil tussen waarheid en leugen. Daar gaat het om inde zonde tegen de H. geest.

Tot slot: we hebben de zonde tegen de h. Geest nu heel exegetisch benaderd, vanuit de ons vanavond gegeven tekst uit Marcus 3.

Toch wil ik nog iets algemeens aan toevoegen.

De kerk heeft altijd gezegd: het geloof is een gave, een werk van de Geest.

Door de werking van de Geest (de komst, de doorwerking) wordt Jezus (zijn verzoenende en verlossende werk, zijn vergeving ) werkelijkheid in ons leven. Komt Jezus ‘in ons hart’. Zonder de Geest blijft het verhaal van Jezus een oud verhaal. Met de Geest wordt het verhaal van Jezus een actueel verhaal, werkelijkheid, actuele geschiedenis. (Daarom altijd dat bidden van ons voor het openen van de Schriften.) Wie zich afsluit voor de h. Geest, die maakt van een actueel verhaal dus weer en oud verhaal.

Vergelijk het met een duiker die zelf zijn zuurstofslang doorsnijdt. Die krijgt geen zuurstof meer, die brengt zijn eigen leven in gevaar. Wie zelf de slang van de h. Geest doorsnijdt, die krijgt geen evangelische zuurstof meer, bij hem of haar kan de verkondiging van het evangelie van genade en vergeving dus niet meer binnenkomen. Een woord als vergeving krijgt dan nooit een werkelijke betekenis. En dan blijf je dus rondjes draaien, met je grote en kleine zondes, die ons nu eenmaal aankleven als een stukje plakband. Dat is zonde… zonde tegen de H. Geest.

Wie zich oprecht zorgen maakt: heb ik de zonde tegen de H. Geest gepleegd, die heeft het dus niet gedaan. Want juist uw, jouw bezorgdheid bewijst dat u of jij dat slangetje juist niet hebt doorgesneden. Maar wie de slangetje intact laat, die geeft de Geest de kans te stromen! Voor hem en haar zal de genade van Jezus Christus, en dus ook de vergeving, zijn: een uiterst levend woord en een actueel gebeuren.

Amen.

Ds. Frans-Willem Verbaas