Het proces van vergeving kan zo wel zeventig maal zeven maal plaatsvinden

Afgelopen week hadden we weer zo’n pijnlijk debat in de Tweede Kamer. Minister Plasterk had zich in de problemen gewerkt – het had te maken met allerlei telefoon-en internetgegevens die door een Nederlandse geheime dienst aan de Amerikanen was gegeven. Plassterk bood weliswaar heftig zijn excuses aan, maar dat was voor een groot deel van de Tweede Kamer geen reden om hem te vergeven en vrijuit te laten gaan. In Trouw schreef iemand twee dagen later de volgende ingezonden brief: Stel dat de kamervoorzitter het debat over de uitglijer van minister Plasterk had geopend met de uitnodiging: ‘Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen.’ Zouden de kamerleden dan stilletjes zijn afgedropen naar hun burelen? Onwaarschijnlijk. Het concept van vergevingsgezindheid is misschien toch wel typisch christelijk. Niet vreemd dat het steeds schaarser wordt.

In Matteus 18 tobt Petrus ook al over het thema vergeving. Hij gaat naar Jezus met een vraag. “Heer, als mijn broeder of zuster tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik dan vergeving schenken?” Tot hoever gaat ons vergevend vermogen? Zelfs als we uitgaan van berouw van de zondaar (wat minister Plasterk keurig toonde, maar waarover Jezus hier niet eens spreekt!) – hoe vaak moeten wij een nieuw begin maken met onze medemens, open staan voor een nieuwe genesis, klaar staan voor een nieuwe exodus? En Petrus oppert dan zelf: tot zeven maal toe?
Dat is al tamelijk royaal van Petrus.

In Exodus 32 hoorden we hoe Mozes moet praten als Brugman om God te bewegen zijn volk na de geschiedenis met het gouden kalf voor eenmaal te vergeven.
God: ‘Jouw volk dat jij uit Egypte geleid hebt, misdraagt zich.’ (vers 7)
Mozes: ‘Maar het is ook uw volk! Wilt u dan uw toorn laten woeden tegen uw eigen volk (vers 11)?’
Uiteindelijk laat God zich ompraten en vergeeft zijn volk (vers 14).

In de joodse, rabbijnse theologie gold de regel dat God 2 tot 3 maal
dezelfde zonde vergeeft, maar niet meer een vierde maal. Dan gaat de
zeven maal van Petrus al heel ver. Petrus zal dan ook wel verbijsterd hebben opgekeken, net als wij, toen hij Jezus hoorde antwoorden: “Niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zeven maal.”
Ongetwijfeld speelt Jezus hier met het verhaal van ene Lamech uit Genesis 4: 23-24. Lamech is zo’n man van het type: eerst slaan, dan luisteren. Hij zegt op een dag tegen zijn twee vrouwen:

Vrouwen van Lamech, luister naar mij!
Wie mij verwondt, die sla ik dood,
zelfs wie mij maar een striem toebrengt.
Kaïn wordt zevenmaal gewroken.
Lamech zevenenzeventigmaal.
Jezus speelt met het verhaal van de stoere Kaïn.
Waar Kaïn zevenenzeventigvoudige wraak verkondigt,
verkondigt Jezus de zeventig maal zeven-voudige vergeving.

En zoals meestal, wanneer er getallen worden gebruikt in de Bijbel, is er met dat zeventig maal zeven maal ook sprake van getals-symboliek. Het getal 7 is het getal van de volheid. Met zeven dagen is de week vol. En het getal 70: dat is het getal van al de volkeren en van al de talen op aarde. 70 wijst op ‘overal op aarde.’ 7 maal 70 = ‘volheid’ maal ‘overal’. Dat is: eindeloos vaak.

Hoe brengt een normaal mens als Petrus zoveel royaliteit op, als één keer vergeven al moeilijk genoeg is? Zelfs voor God zelf – zie Exodus 32.
Wij hebben allemaal wel een broer of een zus of een zwager of een schoonzus of een schoondochter of een schoonvader of een buurman of een ex of een collega… die we eigenlijk nog niet eens één keer kunnen vergeven… En dan zeventig maal zeven maal?

Jezus laat de symbolische getallen volgen door een symbolisch verhaal.
Daarom is het met het Koninkrijk van de hemel als met een koning die rekenschap wilde vragen van zijn dienaren. Men bracht iemand bij hem die hem tienduizend talent schuldig was. Dat is een gigantisch bedrag. Ter verge¬lij¬king: het jaarsalaris van koning Herodes bedroeg in die jaren 900 talenten. Dat is nog geen tiende deel van het hele schuldbedrag. Ik weet niet wat Koning Willem Alexander verdient, dat zal wel een endje boven modaal zijn. Vermenigvuldig dat met ruim 10 – en wij hebben een idee hoeveel schuld die slaaf heeft. Het moet wel om een hooggeplaatste ambtenaar gaan, een grote jongen die zich schuldig gemaakt heeft aan grote corruptie. Het is altijd hetzelfde liedje…

Goed, die man heeft zich aardig in de nesten gewerkt – hij kon al dat geld nooit terugbetalen. Hij zal alles verlie¬zen: hijzelf, zijn vrouw en kinderen moeten verkocht worden. Hij moet de wanhoop nabij zijn geweest: “Toen wierp de dienaar zich aan de voeten van zijn heer en smeekte hem: heb geduld met mij, ik zal u alles terugbeta¬len.” Een absurde gedachte! Dat kan hij nooit!! (Net zo absurd als de gedachte dat in het heden de Gieken hun schulden ooit af zullen kunnen betalen – om maar eens een parallel met het heden te noemen.)
Maar zie daar: een wonder, een wonder van genade. De koning laat hem vrij, de koning gumt met een gum het hele bedrag weg. Pure genade. Een on¬draaglijke last wordt van de man afgenomen.

Deze gelijkenis zet de relatie tussen God en mens neer.

God heeft ons het leven gegeven. En de schepping toevertrouwd. Zomaar. Uit genade. Alleen het feit dat God ons laat leven in de schepping brengt ons in een situatie waarin wij bij God in het krijt staan – en dat dusdanig dat wij hem nooit terug kunne betalen. Dat is onze existentiuele schuld.

En dan: God heeft ons de taak gegeven om de schepping te bewaren… maar doen we dat? Wij mensen maken van de schepping bepaald geen paradijs. Het begrip ‘erfzonde’ is wat uit de mode geraakt, ook in de kerk. Maar ten onrechte.
Erfzonde wil zeggen: wij mensen zijn allemaal in staat tot het kwaad. Als de omstandigheden er zijn, zijn we allemaal in staat tot onverschilligheid, kortzichtigheid, tot onrechtvaardigheid en wreedheid, tot liefdeloosheid en corruptie. Wij hadden die man uit de gelijkenis kunnen zijn, met zijn enorme schuld van tienduizend talenten. Maar – zie daar een wonder: Een wonder van genade. Het evangelie van Gods liefde: de koning laat de schuldenaar vrijuit gaan.

Dan denken wij aan Golgotha, waar de Koning der koningen onze schuld van ons overneemt en ons in de vrijheid stelt.
De koning verlost die schuldenaar van zijn verleden, zodat hij weer een toekomst heeft.
De Koning der koningen verlost ons van ons verleden, zodat wij weer een toekomst hebben.

En wat doet vervolgens de mens, die begenadigde, bevrijde mens? Hij heeft er zo weinig van geleerd. Hij is er zo weinig door veranderd. De dienaar uit de gelijkenis springt de eerste de beste collega-dienaar van de koning naar de keel omdat hij hem nog honderd denarie schuldig is. Een bescheiden bedragje. Het loon voor een dag werk. Weer maakt dat stomme geld veel meer kapot maakt dan ons lief is. En de zojuist in de vrijheid gestel¬de dienaar laat zijn collega gevan¬gen zetten – totdat hij betaalt of totdat hij door zijn familie wordt vrijgekocht.

De koning krijgt lucht van deze geschiedenis. Zo groot als eerst zijn genade
was, zo groot is nu zijn woede. Hij is wel goed maar niet gek. Zoals God wel goed is maar ook rechtvaardig. Hij gooit de slaaf in het gevang.

Wij kunnen deze gelijkenis lezen als een uitleg van de bede uit het Onze Vader: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaars…
De vergevende genade van God gaat voorop. Daar leven wij uit. Die vergeving vraagt wel om een antwoord. Vanuit de ontvangen vergeving … verwacht God van ons dat ook wijzelf vergevingsgezind zullen zijn, en onze schuldenaars zullen vergeven.
Het Onzevader is geen goedkoop gebed!

Misschien is dat wel de proef op de som: geloven wij werkelijk dat wij mogen leven uit Gods ontferming en uit Gods vergeving? Is de vergeving van God echt, reëel-bestaand? Het antwoord luidt NEE – als wij vervolgens

niet in staat zijn om onze schuldenaars te vergeven.
Het antwoord op deze vraag luidt JA – wanneer wij vervolgens ook zelf medelijden kunnen hebben met onze schuldenaren, en hen kunnen vergeven.

Tot zover de gelijkenis.
En het echte leven? Als we naar een aflevering van ‘Het familiediner’ kijken, of van ‘De rijdende rechter’ dan kan ons het gevoel bekruipen: maar mensen kúnnen het gewoon niet: vergeven.
Als we aan die ene broer of zus denken, of aan die ene zwager of schoonzus, of aan die lastige schoondochter of schoonvader, of aan die lastige collega, of aan die harteloze ex, of aan die onmogelijke buren… dan weten we het van onszelf: we kunnen het soms niet: vergeven.
Of wat te denken van de schoft die oud-minister mevrouw Borst een week geleden heeft doodgeslagen. Hoe kunnen we hem ooit vergeven?

Misschien kan dat enorme getal, zeventig maal zeven, 490 maal, ons er juist bij helpen.
Vergeven is niet zomaar een daad die je op afroept stelt. Vergeven is een proces. Vergeving vraagt vaak tijd. En geduld. En geloof. En ontvankelijkheid. De kracht tot vergeven moet je telkens weer gegeven worden. Dat is een geschiedenis soms van jaren en jaren. soms een levenslange geschiedenis.

Zeventig maal maal zeven maal vergeven … zou dat niet ook dit kunnen betekenen:
…je wilt je naaste vergeven. Je doet het. Of je probeert het. Of je hebt het gevoel dat je vergeven hebt, maar op een bepaald moment komt dat gevoel gekwetst te zijn in alle hevigheid weer boven. De vergeving van eerder is ver te zoeken. Je moet opnieuw aan het werk met je gekwetstheid, opnieuw zoeken naar aanvaarding, verwerking, opnieuw te komen tot vergeving… Dat kan een lange weg zijn… een weg van zeventig maal zeven maal opnieuw beginnen…

Het is met vergeving net als met afvallen … of met een verslaving. Wil je echt iets aan je gewicht doen, dan ben je daar de rest van je leven mee bezig. Wil je echt van de sigaret af, of van de drank – dan moet je er de rest van je leven vanaf blijven. Je bent er nooit mee klaar. Je hebt levenslang. Zo is ook vergeven een levenslang proces van verwerking, aanvaarding, het besluit om gekwetstheid los te laten, het besluit om niet langer slachtoffer te zijn… het besluit om je vijand lief te hebben… en zo telkens opnieuw tot vergeving komen… Het proces van vergeving kan zo wel zeventig maal zeven maal plaatsvinden.
Inderdaad, dat vraagt wat. O.a. doorzettingsvermogen en geduld. Liefde. Genade.
Laten wij God danken dat in ieder geval Hij, onze hoogste Heer, zoveel doorzettingsvermogen en zoveel geduld en zoveel liefde en zoveel genade heeft om ons te vergeven.

Amen.

Ds. Frans-Willem Verbaas