Hoe lang nog Heer, zult u mij vergeten?

Een diepe klacht klinkt op uit psalm 13. Hoe lang nog Heer? Een klacht die door de psalmen is heen geweven en steeds weer terugkeert. De oeroude vraag naar God. Waar bent U God? Vergeet U mij?

Diepe verlatenheid klinkt er in door. Van een ziel ontheemd en vergeten. Moederziel alleen. Veel van ons kennen die ervaring wel. Eens of terugkerend in je levensloop. God, waar bent U?

Als je leven wordt aangevallen, door ernstige ziekte, een diep verdriet. De dood van een geliefde, je relatie in diepe crisis.
Of een vijand in je leven. Letterlijk. Voor wie wordt gekweld door huiselijk geweld, misbruik. Een vijand die je berooft van je lijf en leven.
Of de vijand van een terugkerende zonde waar je maar niet los van komt. Een doorn in je vlees, een zwakte die je kwelt en ontmoedigd.

En in wijder verband het droevige lijden waar zoveel mensen aan worden bloot gesteld. In Syrië, in Congo, vergeten plekken waar mensen zijn overgelaten aan zichzelf. De slachtoffers van de MH17, de dorpsbewoners van de rampplek daar. En heel dichtbij het verdriet waar de gemeenschap van Schoonhoven en de kerken door getroffen zijn nu twee jonge jongens hun moeder en zus verloren hebben aan de dood.

O God, waar bent U? Niet als een makkelijke vraag om onze verantwoordelijkheid af te schuiven. Maar een hartekreet van een gekwelde ziel. Zonder U o God, ben ik nergens. Ik heb U nodig. En daarom kom ik tot U.

Relationeel
Want in díe spanning staat heel deze psalm. Van een mens die met God bekend is, op Hem vertrouwt, in Hem gelooft. Tot op de bodem van je bestaan reikt die vraag: Hoe lang nog Heer, vergeet U mij? En dieper nog. Tot wanneer verbergt U voor mij uw aangezicht?
God verbergt zijn aangezicht.

Is God niet altijd de God van nabijheid? Blijkbaar niet. Hij verbergt zijn aangezicht. God zelf trekt zich terug. We zien zijn aangezicht niet langer. Zijn gelaat, zijn goedheid en genade. Het laat je ontredderd en wanhopig achter. Je hart wordt er door verscheurd. Moederziel alleen, klaagt de dichter. Verdriet in mijn hart.
Lijden aan Gods verborgenheid. Zijn afwezigheid. Waar bent U?

Met ontzag en vrees hoor ik die klacht. Mag een mens zo spreken over God? Nee, niet over God. Maar tót God! De dichter spreekt God zelf aan. Hoe lang nog Heer, vergeet U mij?

God kennen, maar Hem niet zien, niet ervaren. Van Hem verlaten zijn, afgebroken en geknakt. Velen lijden er aan. Verlangen naar Gods aanwezigheid in je hart en je leven. Want zonder Hem ben ik overgeleverd aan mijzelf, aan de goden. Niemand die dan nog helpt.

In de literatuur wordt het volop tentoongespreid. De Godverlatenheid. Soms met veel dedain. In de trant van: ‘We weten ondertussen wel beter.’ Of, ‘Ik heb geen God nodig, ik red mezelf.’ Vrijheid ten top. Maar steeds vaker lees ik ook iets van een diepe pijn en van verlies. God wordt niet gevonden, maar of ik nu beter af ben?

De onbekende Nederlandse schrijver Otto de Kat schrijft in zijn roman Julia over een eenzame man. Gebroken door het oprukkend nazisme dat zijn Joodse geliefde de dood in joeg. Het sloeg een wond in zijn hart die altijd is gebleven. En in zijn relaties, zijn huwelijk met een andere vrouw, vriendschap, bleef de eenzaamheid. Niets en niemand troostte zijn ziel. Bij het graf van zijn latere vrouw klinken Bijbelwoorden die hij met vervreemding en toch ook belangstelling aanhoort. In uiterste verlatenheid geeft hij uiteindelijk het leven op.
De Kat schrijft zonder opsmuk en triomfantalisme. Veelmeer verwoordt zijn roman iets van het verlies van een leven zonder God.

Mensen lijden er aan. Laten we niet onderschatten hoeveel er onder ons zijn voor wie het een verdriet is dat ze God niet zien en niet ervaren. Zowel binnen als buiten de kerk.
O Heer, verberg Uw aangezicht niet voor mij. Kijk naar mij Heer. Doe mij uw aanwezigheid bemerken.

In de droefheid en verlatenheid van psalm 13 wordt ten diepste zichtbaar: bij God moet ik zijn. Voor het eerst spreekt de dichter Hem aan als ‘mijn God’.
En juist in die verhouding, die relatie van jou tot God, kunnen die vragen gesteld worden, op het scherpst van de snede. Als alles stuk loopt. Je met lege handen staat en verbijsterd uitroept: God, hoe lang nog?

Je geloof wordt zwaar beproefd. Tot het uiterste wordt er aan je getrokken en geschud. Hoe velen zijn er niet die het hierbij laten? En misschien kun je je er nog alles bij voorstellen ook. Dat je God zomaar kwijt raakt in de verborgenheid en verlatenheid.

Het roept in alle rauwheid de vraag op naar God. Wie bent U, dat U mij verlaat en vergeet? Alles schudt op je grondvesten als je dat in alle hevigheid tot je door laat dringen. Als die vraag in je brandt. God, mijn God.

Psalm 13 geeft er geen antwoord op. Veel blijft verborgen in de psalm. Veel van God ook blijft verborgen. Hij is de soevereine God, die zijn ongekende gang gaat in de wereld en in ons leven. Hij is niet de ideale God, zoals de Nederlandse theoloog Van de Beek dat ergens zegt (Jezus Kurios). Niet de ideale God, niet zoals wij Hem uit zouden denken.

En we weten vaak ook geen raad met Hem als ons leven anders loopt dan we hopen. De waaromvragen komen dan hard op je af.
God is een God van nabijheid, ja, maar deze God verbergt zijn gelaat. En zijn weg gaat vaak in de verborgenheid. Dat vervult mij ook met ontzag en vrees voor Hem.
God gaat zijn eigen weg met ons, met zijn schepping. En dat kan zomaar een weg zijn waarop wij ons van Hem verlaten weten.

Prayerbook of the Bible
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten. Zo schreeuwde Jezus het uit aan het kruis. Het licht van de zon doofde uit en dikke duisternis kwam op. In de nood van de Godverlatenheid is alles donker. In je ziel, in je leven. En ook heel letterlijk, toen Jezus aan het kruis hing.

En zo klinkt door psalm 13 deze klacht van Jezus. Dietrich Bonhoeffer noemt de Psalmen het Gebedenboek van de Bijbel. Hij leefde sterk bij de psalmen. En hij benadrukt dat Jezus deze psalmen ook gebeden heeft. Gezongen heeft. Ze zijn geschreven door David en anderen, ze zijn gebeden door Jezus Christus en met Hem door Israël en de kerk.

Heel stellig zegt Bonhoeffer het zelfs zo: Als we de psalmen willen bidden, dan gaat het niet zozeer of de vraag wat ze met ons te maken hebben, maar veelmeer om de vraag wat ze met Jezus te maken hebben. In de psalmen komt volgens Bonhoeffer de persoon van Christus heel sterk naar voren. Jezus die in innige verbondenheid met zijn Vader leefde. De psalmen getuigen van een nauwe relatie met God, zoals zichtbaar werd in het leven van Jezus. En als wij de psalmen bidden, dan voegen wij ons als het ware in die verbondenheid. En krijgen we zicht op Jezus Christus.

En zo zie ik Jezus voor me in de hof van Getsemane, bedroefd en angstig. Op zijn weg naar Golgotha, het gewicht van het kruis. De verlatenheid tot in de dood heeft Hij doorstaan. Mijn God, waar bent U. Zonder zijn God daalde Jezus af in de hel. Verschrikking en ontzetting. We kunnen dan ook niet anders dan deze psalm bidden in het spoor van Christus. Anders is het te groot en te hoog en geef je het geloof er zomaar bij op.

De verlatenheid en eenzaamheid, zonder God te zijn met de dood in het aangezicht, Jezus is er doorgegaan. Jouw vragen zijn zijn vragen. Jouw angst kende Hij tot in het diepst van zijn ziel. God, waar bent U?

Er kunnen jaren overheen gaan. Je ziel wordt tot een dorre woestijn. Met de dood voor ogen roep je tot God. O God, antwoord mij. Verlicht mijn ogen, dat ik Uw goedheid zal zien.

Waarom worden Gods kinderen zo op de proef gesteld? De psalm zegt het niet. Het kan zijn door een zonde die je zo beheerst, dat je het nauwelijks merkt en onbewust het zicht op God verliest. De vijanden waar de psalm over spreekt, dat zijn al die dingen die je verwoed bij God vandaan trekken. Al die machten die zelf op de troon van God willen zitten.

Maar lang niet altijd is dat de oorzaak van Gods verborgenheid. Het waarom van de verlatenheid kent vaak geen antwoord.
Als je God van harte liefhebt en met Hem leeft, dan kan die crisis ergens in je leven ingrijpen. Je geloof wordt beproefd en je ziel verlaten. Het vraagt volharding tot het uiterste. Als je Gods licht niet meer ziet, maar wel herinnert van vroeger. En ergens in die verlatenheid komt het besef: het is een andere kant van God. Hij die nabij is, is ook de Verborgene. En je houd aan Hem vast. Je smeekt en roept tot Hem. Verberg Uw aangezicht voor mij niet, o God.

Want het is werkelijk crisis als je daar niet meer bij uitkomt. Als de Godverlatenheid ons geen zeer doet. En we het eigenlijk wel prima vinden allemaal. Leven zonder God. Als Hij niet gemist wordt

Mag het ons uitdrijven naar Christus. In wie God zijn aangezicht genadig onthuld heeft. Alles word je uit handen genomen. Geen prinsen om op te bouwen, geen mens die je uit redt. Niemand anders dan God is de rots van ons bestaan. Daar brengt de verlatenheid je. De scherpe pijn van eenzaamheid en verdriet. Mijn God, waar bent U? In Christus naam bidden wij: verlicht mijn ogen. Toon ons uw vriendelijk aangezicht.

Tot slot
Hoe lang nog Heer? We weten het niet. In de duisternis wordt een eenzame strijd gestreden. Een strijd met God. Om het geloof te behouden. Om zijn aangezicht te zien en te leven. Want je weet: geen mens kan mij verlossen van de Godverlatenheid. God zelf moet in mijn hart komen. Ik vind Hem nergens anders dan bij het kruis van Christus. Die de hel is doorgegaan. De Godverlatenheid heeft ondergaan tot het uiterste. Daar, bij dat kruis, zoek ik mijn heil. God, mijn God, waar bent U?

In de verlatenheid, las ik ergens, ben je op de grens van het laatste geheim, daar zul je beseffen dat God Gód is. (Miskotte, Als één die dient)

En de morgen daagt. De zon opgaat en het licht haar stralen spreidt. Na nachtenlange duisternis. Hoe lang? De psalm maakt zichtbaar dat er tijd over heen gaat. Soms een hele lange tijd, voordat God zijn aangezicht onthuld.

Dan breekt de klacht open in een jubel. Ik weet mij zeker van uw vriendschap! God toont zijn aangezicht, door de verborgenheid heen laat Hij zich zien in Jezus zijn Zoon.
Ik mag mij zeker weten van uw vriendschap, van uw liefde. Mijn hart zal juichen om uw redding. De Heer heeft mij welgedaan!

Zo zingen we met Jezus mee, met heel de kerk.

Misschien brandt de vraag nog op onze lippen. Zijn we nog, of opnieuw, in de woestijn van onze ziel. En ligt het danklied nog lang niet in ons hart.
Nochtans zingen wij van onze redding. Als een gebed, dat God ons verlost van de Godverlatenheid. Als een verlangen dat we uitschreeuwen tot Hem: kom met uw licht in ons leven, Heer. In Christus naam.

Amen.

Psalm 13
Zondag 19 juli 2015, 18.30 uur
Schoonhoven (De Hoeksteen)
Ds. Hanneke Ouwerkerk