Ik ben niet toereikend om Hem te dienen.

De beginzin van een boek is voor een auteur cruciaal, begreep ik weleens. Sommige zinnen zijn dan ook wereldberoemd geworden. Van de klassieker Anna Karenina bijvoorbeeld: Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze. Je weet direct, dit boek zal niet gaan over een van die gelukkige gezinnen.

Voor een preek geldt dat misschien ook wel. Hoe begin je? Zet je in met een voorbeeld en trek je van daaruit de lijn naar het Bijbelverhaal. Vertel je een spiegelverhaal om de boodschap toe te lichten. Of noem je de tekst waar je op focust en zet je van daaruit je verkondiging in.

Christus het begin

Marcus begint heel basic. Gewoon bij het begin. Logisch, zou je denken. Alleen, moet je dat dan opschrijven? Begin van het evangelie van Jezus Christus.

Er was een tijd dat men dacht dat het Marcusevangelie een samenraapsel was van allerlei verhalen. Slordig bij elkaar gezet, een rommelig, onsamenhangend boekje. Het is ook nog eens vrij kort. En als je er zo oppervlakkig door heen bladert, dan zou je dat zomaar kunnen denken.

Maar vergis je niet. Het Bijbelboek Marcus is zeer zorgvuldig gecomponeerd. Alles draait om die ene vraag: Wie is Jezus? En alleen die dingen die van belang zijn, die vertelt hij. Er zit een enorme vaart in het evangelie. Als je gelegenheid hebt: ga er eens voor zitten, kop thee erbij, en lees het evangelie door. De spanning en urgentie is voelbaar.

Dus als Marcus zijn boek opent met deze zin:

Begin van het evangelie van Jezus Christus.

dan is dat niet voor niets.

Geen achteloze opening, maar een zin die ons opwekt om recht overeind te zitten, je oren te spitsen en te luisteren wat ons gezegd wordt.

We staan aan het begin van een nieuw jaar. Het is nog maar twee weken jong. Vaak zit je zo weer middenin het gewone leven, en tegelijk heeft de maand januari altijd iets, onwennigs. Alsof het jaar zich nog moet zetten. En je voorzichtig aftast wat er komen gaat.

Een begin heeft vaak iets beloftevolle in zich, iets hoopvols. Het wekt de suggestie dat de dingen nog open liggen, alles is nog mogelijk. En ongewild loopt dat idealisme ook door in je dromen over een nieuw jaar. Dit is het jaar waarin ik stappen zal zetten. Dat ene zal afmaken waar ik al zo lang mee bezig ben. Die felbegeerde baan krijgen. Dat diepgewortelde verlangen vervuld doen worden.

Begin als de opmaat voor groei, voor hoger reiken en verder komen. Verwachtingsvol maakt het je, en gescherpt om werk te maken van je goede voornemens.

Maar wat is het ook vreselijk vermoeiend. Dat er altijd iets voor je ligt om naar te streven. Het gewone is niet goed genoeg. Altijd maar idealen, hoger en groter moet het. Ergens is het eigen aan menselijke ambitie en enthousiasme. Aan tomeloze energie en creativiteit. Wat brengt het ook veel moois en goeds.

En tegelijk, het heeft iets heel vermoeiends. Het mat je af. Maakt je ook niet altijd een fijner  of beter mens.

En Marcus leert ons: begin is niet het startpunt van een weg omhoog, van groei en groter. Begin is Genesis. Oorsprong. Grond onder je voeten. Chaos die tot orde wordt bedwongen. Er komt een wereld om te wonen. Mensen om mee te leven. Een dak boven de aarde.

Oorsprong. En oriëntatie. Richting. Waar het op uitloopt. Op de komende God.

Dus als Marcus schrijft: Begin van het evangelie van Jezus Christus, dan horen wij daarin die twee woorden resoneren. Oorsprong en oriëntatie. Zo wordt deze Godmens aan ons gegeven. Als de oorsprong van het leven, de richting van mijn bestaan.

Het beslissende valt niet in dit jaar. Ligt niet in je keuzes of je daden. Het beslissende ligt in Christus. Het begin is Hij. En op dat begin richten wij onze blik.

Bij het begin noemt Marcus opvallend genoeg niet Jezus’ geboorte. Geen kerstverhaal, geen kribbe. Maar de doop. De ondergang.

De oorsprong van Jezus ligt in zijn doop.

Dat is geen weg de hoogte in, maar de diepte in, van het water, van de dood, van de gebrokenheid.

Aangrijpend is dat ook. Dit gedeelte heeft mij mede daardoor zo diep getroffen.

Christus de Sterke

En dan vertelt Johannes, hij verkondigt, hij zegt het aan: er is iemand op komst, die de sterkere is. Hij is sterker dan ik. En ik? Ik ben niet eens toereikend om te bukken voor Hem, om de riemen van zijn sandalen, een slavenwerkje, los te maken.

Johannes de Doper schildert zo een Christus in zijn majesteit, zijn heiligheid.

Iemand noemde Johannes een icoon van Jezus. Een icoon is een geschilderd gelaat van Christus, waarbij je kunt bidden, stil zijn, overdenken. En Johannes tekent met zijn woorden een beeld van Christus, het is nauwelijks te bevatten. Het ontroert mij diep.

Christus de sterkere. Hij is op komst. En in de Naardense Bijbel is dat heel kernachtig vertaalt. Johannes predikt en zegt: op komst is Hij die sterker is dan ik (vers 7). En dan:

En het geschiedt in die dagen dat komt: Jezus (vers 9). Dat is dat beslissende moment. Dat ligt al achter ons. En tegelijk ligt het zo dichtbij. In de doop zijn wij zo een met de Heer.

Op komst is de sterke. Hij die sterk is. En Hij is gekomen. Marcus spreekt hier over kracht en macht. Eerder al, als hij schrijft over Jezus als Heer, als kurios. Het is de keizerlijke titel. Een heer, een machtig man. En vervolgens noemt Johannes diezelfde Jezus de sterke.

Als je niet verder zou lezen, dan denk je, de kaarten zijn geschudt. Hier komt een machthebber die weet hoe de hazen lopen, hoe het werkt in de politiek, in de paleizen. Krachtige, grote woorden bij de verschijning van Jezus.

Ik hoor het niet vaak, dat Jezus zo genoemd wordt: de sterke. Misschien vinden we het niet zo bij Hem passen? Maar we zouden het wel eens vaker kunnen doen. Want in Christus krijgen kracht en sterkte een heel ander gezicht.

Deze sterke mens, Hij kiest niet de weg van groei. Niet de weg van hogerop. Hij schaart zich, als Hij gekomen is, naast de Jeruzalemmers en al die mensen overal vandaan. Hij staat tussen de kinderen, de grijsaards, tussen de volwassen mensen en de tieners. Hij schuift zomaar aan. En laat zich, met al die anderen, onderdompelen, dopen, in de Jordaan.

Hierin ligt de kracht van Christus. Zo is Hij de Sterke. In het afdalen, zijn ondergang, zijn neergang in het water.

Op afbeeldingen uit de vroege kerk zie je vaak Jezus tot zijn hals in het water staan. En onder hem kolken de golven en de wrede riviergoden en demonische krachten. En daar door heen al die zonden van de vele mensen die mee het water ingaan. Hun zondelast afleggen, hun schaamte en hun schande achterlaten. En Christus staat er middenin. Hierin betoont Hij zich God. Niet dat Hij van ver toekijkt, maar dat Hij afdaalt.

En van deze mens zegt Johannes: ik ben niet toereikend Hem te dienen. Niet waardig, zeggen andere vertalingen. Niet toereikend, dat bleef bij mij haken. Misschien omdat het zo herkenbaar is. Omdat je die ervaring dagelijks opdoet. Dat je niet toereikend bent. Je komt niet verder, in de dienst aan God en elkaar. Je probeert het wel, doet je best, moddert wat aan. Maar het blijft zo, schamel? Onaf? Halfslachtig? Dat herken je wel misschien. Soms zit het je hevig dwars. Vaker houden andere dingen je bezig.

Ik ben niet toereikend om Hem te dienen.

Maar Hij die de Sterke is, Hij is ook de Dienende. En het is alsof Hij je meeneemt, in zijn kielzog. Als hij afdaalt dat water van de doop in. Hij neemt je op sleeptouw, onder zijn hoede. En je gaat gewoon maar mee. Met die vreemde sterke, dienende Heer.

En als Hij oprijst uit het water, dan scheurt de hemel. Het beslissende moment, en dan scheurt de hemel. En geschiedt een woord van God. Alle liefde en al het welbehagen van God komt op zijn Zoon, Jezus Christus. Het balt zich samen in die ene mens. En in Hem is het aan ons gegeven. Kind van God te zijn. In Christus is het ons gegeven, Gods geliefde te zijn.

Christus de solidaire

Johannes preekt. Verkondigt. Spreekt ware woorden. Heftige woorden ook. Van bekering en van zonden, van vergeving en doop.

Johannes spreekt.

Maar Jezus doet.

In zijn ondergang is Jezus solidair, eensgezind, met zondige, gebroken, lijdende mensen. Hij staat naast je, en zinkt onder in het water dat je overspoelt. Het is zijn goddelijke kracht, dat Hij zijn godheid niet krampachtig vasthoudt, maar in de diepte van het water verzinkt, en zomaar naast je in de modder staat.

Iemand schreef: op die plek wordt nieuwe menselijkheid geboren. Daar waar alles van je afgevallen is, je onbeschermd en uiterst kwetsbaar bent, waar de totale zinloosheid over je komt, daar is Christus. En daar wordt de nieuwe mens geboren.

Vanuit die diepte. Niet vanuit de kracht en vanuit de hoogte. Maar vanuit de diepte. En het is denk ik daarom dat gedoopte mensen, of je nu als kind of later bent gedoopt, maar dat we daarom weet hebben van de chaos. En we die niet vermijden of ontkennen, maar onder ogen zien.

De chaos om je heen. De nood van een mens, van een gezin, van een samenleving. Het lijden van een kind, de chaos van een zoekende generatie. Christenen verkeren vaak in de buurt van die chaos.

Afgelopen week lazen wij dit gedeelte als inleiding op de wijkteamvergadering, met bezoekouderlingen en pastorale werkers, wijkmedewerkers. Je herkent het misschien wel heel sterk. Vanuit de gemeente van Christus, een gemeenschap van gedoopte mensen, verkeer je in de buurt van wie door chaos omgeven zijn. Dat je juist daar bent, waar niemand anders misschien nog komt.

En niet alleen de chaos van anderen. Maar ook diep in jezelf. De rommel in je ziel. Ik merk hoeveel er geleden wordt, hoeveel innerlijke strijd een mens soms voert. Hoeveel innerlijke strijd ik zelf vaak voer. Het leven met Jezus heeft weet van de diepte en het afdalen.

Maar ook, juist ook van de diepte van Gods liefde. De diepte waarin de Geest herschept en nieuwe wegen schrijft. Voor jouw, voor de kerk, voor ons land.

Het beslissende moment is gevallen in Christus. En in zijn kielzog gaan we mee, het water in van de doop. Het maakt ons geen exclusieve, speciale mensen met een streepje voor. De doop herinnert ons aan Christus, de Sterkere. En aan al die mensen die ondergaan, en ternauwernood opstaan. Het brengt ons tot een intense vorm van solidariteit, van medemenselijkheid. De doop plaatst je in het hart van de wereld, waar God zelf woont.

Tot slot

Als Jezus gedoopt is, gezegend met Gods liefde, wordt Hij uitgedreven. Weggestuurd, de woestijn in. Vol van de Geest, gesterkt met de adem van God.

Hij weet wat het is. Hij weet van woestijn en water. Van hoop en vrees. Van chaos en van herstel. Het kenmerkt ons leven vaak, die tegenstrijdigheden. Soms nog meer wanneer je christen bent. Verwarrend, intens, en moedeloos makend soms.

Onze oorsprong en onze orientatie, onze vaste grond is Christus, Hij die de Sterke genoemd wordt. Zijn Naam is onze hoop.

Zondag 14 januari 2018, 10.00 uur
Marcus 1: 1-13
P.G. de Hoeksteen
Ds. Hanneke Ouwerkerk