In between places

In between places

Stel je eens voor, een jonge man, zo’n jaar of dertig, iets jonger misschien. Zijn ouderlijk huis verlaten, afscheid genomen van pa en ma. Op weg naar een onbekend gebied, naar zijn oom, waar het veilig zou zijn. Hij is op de vlucht. Voor zijn broer die hij bedrogen heeft. Zijn vader overigens ook, maar die is milder dan zijn broer. Minder wraakzuchtig. Die zal hem niet doden. Maar van zijn broer heeft hij niet veel goeds te verwachten. Als hij zijn leven wil behouden, zal hij alles wat hem lief is, ver achter zich moeten laten.

Het is Jakob, hielenlichter wordt hij wel genoemd, een bedrieger, oplichter. Geen fraaie naam. Maar hij is meer dan dat. Ook is hij de zoon van Izaäk en Rebecca. Broer van Esau.

En nu is Jakob is ‘in between places’. Tussen twee werelden in. Achter hem ligt zijn thuis. Eerst zo vertrouwd, maar nu dodelijk gevaarlijk. Angst zit hem op de hielen, doodsangst. En voor hem ligt de boerderij van zijn oom. En daar ergens tussenin bevindt hij zich. Op een onbeduidende plaats, onderweg naar Charan. Zo’n 17 dagen reizen.

Als het avond wordt en de zon is thuisgekomen, zo vertelt het verhaal, legt Jakob zich neer. Hondsmoe en alleen. Hij vindt een steen, legt zijn hoofd er tegenaan en valt in slaap. Vermoeid van de reis, beheerst door de angst en opgejaagd in zijn vlucht. Zoals er nu zo velen zijn, die op de vlucht hun lijf ergens neerleggen, wat de naam rustplaats nauwelijks waard is.

Vreemdelingen, vluchtelingen en autochtonen, inwoners. Het zijn thema’s die op scherp staan vandaag de dag. Die tegen elkaar worden uitgespeeld en de suggestie wekken dat het allemaal heel helder is. Hier woon ik. Daar woon jij. Dit is mijn land, dat is onze grens, jij hoort hier niet.

En tegelijk merk ik dat veel mensen zich ontheemd, of onzeker voelen, gewoon terwijl je woont in het land waar je familie al generaties lang woont. Wat ‘eigen’ en vertrouwd is. Alsof je een soort Jakob bent, ‘in between places’.
Je staat op eigen benen, moet het doen met wat je van huis uit ontvangen hebt. Maar wat is er voor in de plaats gekomen? Hoe ga je je weg in het leven?

Ik merk het aan ouders zelf, die daar mee worstelen. Hoe breng je kinderen groot in deze tijd, waarin alles aan ze trekt en je verwoede pogingen doet om ze dicht bij je te houden. Om ze het verhaal van God te vertellen en voor te leven. Maar er zijn zoveel andere verhalen, die minstens zo sterk en krachtig zijn.

Die vermoeidheid van Jakob, die trof mij. Zoon van een gelovige vader, Izaäk. Verlangend naar een zegen stal Jakob de zegen van zijn broer. Alsof hij wist, ik moet het hebben van wat God geeft, van wat mijn vader mij overdraagt. Maar te haastig, te graag het zelf willen regelen, hij kon niet wachten op zijn tijd, op Gods tijd.

En nu, met het angstzweet op zijn rug, is ook zijn geloof verdampt. Nergens lees ik iets over de band tussen Jakob en God, een gebed, een moment van inkeer, van vertrouwen. Niets. Alleen vermoeidheid en een diepe slaap. Alsof God er niet is. En Jakob zich in die lege ruimte bevindt, waar niemand hem aanspreekt, geen mens hem de weg wijst en geen hoop zijn hart doet ontbranden.

Zo staat het ervoor met Jakob. En weet je, soms kun je dat maar al te goed herkennen. Dat je ergens onderweg de hoop bent kwijt geraakt op God. Of het vertrouwen dat Hij zijn weg met je gaat. En als dan ook je kinderen aan je trekken met vragen waar je geen antwoord op weet, over de donkere, de ondoorzichtige kanten van God, dan kan er flink aan alles geschud worden. En kan het zo gaan dat je als Jakob je hoofd neerlegt, en God laat voor wie Hij is.

Ik denk aan de leerlingen van Jezus in Gethsemane. Als Jezus bidt, dan haken zij af. In de duisternis van de nacht, kunnen zij de druk niet aan, en vallen in slaap. Steeds weer. Kun je niet één uur met mij waken? Vraagt Jezus.

Huis van God

Maar in de slaap, spreekt God. Terwijl wij slapen en onwetend zijn, ongelovig misschien wel, komt God tot ons. In een droom verschijnt Hij aan Jakob, en Jakob weet: het is de Heer. Het is de Heer die vandaag aan mij verschijnt.

Zo komt God in ons leven. Zomaar, als wij er niet eens opmerkzaam op zijn, de hoop misschien allang hebben opgegeven, is het de kracht van Gods goedheid, dat Hij ons niet begeeft en ons niet verlaat. Niet omdat hij niet zonder ons kan, of ons zo hard nodig heeft. Maar omdat Hij God is. Daarom alleen. Omdat Hij God is.

God geeft het zijn beminden in de slaap, zingt psalm 127. Als de kerk daar op zou vertrouwen, zou er heel wat druk en moedeloosheid wegvallen. God geeft het zijn beminden in de slaap. De hemel raakt de aarde aan en engelen zijn zo nabij. Ze waken over Jakob in zijn slaap. En daar verschijnt de Heer, boven Jakob.

De lege ruimte van slaap en het koude niets, wordt gevuld met Gods aanwezigheid. En Jakobs kleine leven wordt geplaatst in het grote verhaal dat God met mensen gaat. Dat onzekere en wankele bestaan, wordt omgekeerd in een nieuw verhaal. Jakob wordt in de geschiedenis, in de werkelijkheid geplaatst. God is niet zomaar een God, die je naar je eigen beeld kunt maken. Maar Hij is de God van mensen. Van Abraham en van Izaak. Mensen die God verkiest om mee op weg te gaan. En Jakob wordt daar in opgenomen.

En zo worden vandaag Luc en Luca opgenomen in het verhaal van God. Hun aardse, menselijke leventje, wordt ingebed in de werkelijkheid van God. En als de doopwoorden klinken, dan is het als raakt de hemel de aarde. Dan is het als God zelf die spreekt: Ik zal jouw God zijn.

En jij, Linda, vertelde hoe God zo in jouw leven is. Hoe je Hem hebt opgemerkt en zijn nabijheid ervaart.

Het vraagt een antwoord. Gods verschijning in je leven vraagt een antwoord. En ik heb de indruk dat jullie je daar ook sterk bewust van zijn. Als God je roept, als Hij in je leven komt, dan vraagt dat een toewijding met hart en ziel. Door goede en kwade dagen heen God steeds weer opzoeken en Hem herinneren aan zijn trouw en aan Zijn woord.

Zo handelt God met ons, door de tijden heen. Hij verschijnt aan ons, midden in het leven, zelfs daar waar Hij niet verwacht wordt, waar niet om Hem gevraagd wordt. Daar verschijnt God. Ik ben met je.

Jakob ontwaakt. De morgen breekt aan als was het Pasen. En de Bijbel vertelt ons: Jakob is bevreesd. Vol ontzag. De Heer was hier! Vol ontzag voor God, die aan Hem verschenen is. Ken je dat, die liefde voor God die vermengd is met een diep ontzag. O God, als U niet bij mij bent, dan ben ik nergens.

De Heer was hier. En Jakob noemt die plaats Betel. Huis van God. Waar de hemel de aarde raakt, en God aan ons verschijnt, daar wordt die lege plaats, die vermoeidheid en die leegte, daar wordt het tot een huis van God. Daar wil God wonen. Ik ben met je.

Imma, zegt de Hebreeuwse tekst. Het is een van de namen van Jezus, Imma-nuel. En zo licht Jezus Christus op in mensenlevens. Als de God die met ons is. Zo wil Hij onder ons wonen. Verwachten wij Hem in de nacht? Of slapen we, en hebben we het opgegeven ooit iets van God te zullen vernemen? Ga bij jezelf eens na.

Tot slot

God gaat vooraan. Hij spreekt, zelfs in de nacht, als niemand of Hem vraagt of tot Hem bidt. En zomaar verschijnt Hij. Om ons leven te vernieuwen tot een leven met God. Opdat je staande blijft, als de vermoeidheid je overvalt en de hopeloosheid je beklemt. God opent een nieuw verhaal en dringt door tot in je hart. Ik ben met je.

Amen.

Zondag 25 september 2016, 10.00 uur
Doop- en belijdenisdienst
Genesis 28: 10-22
P.G. de Hoeksteen, Schoonhoven
Ds. Hanneke Ouwerkerk