In stil zijn kunnen we ons oefenen

Om te beginnen lees ik u een gedicht voor van Wislawa Szymborska: over de ziel. In de Nederlandse vertaling klinkt het ongeveer zo.

Een ziel hebben we zo nu en dan. Niemand heeft haar voortdurend en voor altijd. Dagen en dagen,  jaren en jaren van ons leven kunnen zonder de ziel voorbijgaan. Soms verwijlt ze alleen in het vuur en de angsten van onze kinderjaren wat langer bij ons. Soms enkel in de verwondering, dat we zou oud zijn geworden.

Zelden staat de ziel ons bij tijdens slopende bezigheden, zoals zware meubels verplaatsen en koffers tillen of een weg afleggen op te nauwe, knellende schoenen. Bij het invullen van formulieren en het hakken van vlees heeft ze doorgaans vrij. Aan één op de duizend gesprekken neemt de ziel deel. Maar zelfs dat is niet zeker, want ze zwijgt liever.

Wanneer ons lichaam begint achteruit te gaan en te lijden, komt de ziel stilletjes in beweging. Ze is kieskeurig: ze ziet ons liever niet in de massa opgaan, ze walgt van onze strijd om maar te willen winnen en van ons intimiderend gedrag en rumoer. Vreugde en verdriet zijn voor haar geen tegengestelde gevoelens. Alleen als die twee zijn verbonden en gemengd is ze bij ons. We kunnen op de ziel rekenen, wanneer we nergens zeker van zijn, maar wel alles willen weten.
Wat materiële dingen betreft houdt ze van pendules, van klokken met een slinger, en van spiegels, die trouw hun werk doen, ook wanneer niemand erin kijkt. Ze vertelt niet waar ze vandaan komt en wanneer ze bij ons weggaat. Maar de ziel lijkt zo’n  vraag beslist wel van ons te verwachten. Het ziet ernaar uit, dat de ziel, net zoals wij haar, ook ons ergens voor nodig heeft.

Nu zijn in de Bijbel ook wel eens mensen in gesprek met de ziel. Zo staat ergens: Nee, ik ben stil geworden, ik heb mijn ziel tot rust gebracht.(Psalm 131:2a) Dit allebei brengt ons dichtbij  waarover ik vanmorgen op de derde zondag van Pasen wil preken: de stilte van het Paasfeest

De stilte van het Paasfeest is een treffende titel. Het evangelie vertelt, hoe stil het werd na alle rumoer op de dag van Jezus’ kruisdood. Althans de mensen, die zich ermee bemoeid hebben, zijn overgegaan tot de orde van de dag. De leerlingen van Jezus zijn dan wel  verbijsterd over de afloop van de gebeurtenissen in Jeruzalem. Maar voor de soldaten was het ophangen van de ter dood veroordeelde Jezus een routinekarwei, waarvan ze koud noch heet werden. Want in wrede tijden kijk je niet op een lijk meer of minder. En koning Herodes en de stadhouder Pilatus hadden meer te doen dan deze lastige kwestie van Jezus van Nazaret. Misschien waren ze wel opgelucht, dat alles nog betrekkelijk goed afgelopen was. Er is geen volksoproer ontstaan en de Joods leiders blijken tevreden met de uitgesproken vonnis. De gemoederen zijn gekalmeerd en de rust in de stad is weergekeerd.

Verder is het in de stad Jeruzalem allesbehalve stil. Het grote Paasfeest wordt gevierd en daardoor  is er een chaotische drukte van in de stad. Bij de tempel kun je over de hoofden van de feestvierende pelgrims lopen. De paaslammeren worden geslacht. Overal klinkt het geroep en geschreeuw, is er geduw en gedrang. Pasen is een oosters volksfeest met alle levendigheid van dien en dat levert bepaald geen gewijde stilte op. Stil is het wel bij de leerlingen van Jezus. Ze zijn stil geworden, verslagen en verdrietig(Lucas 24:35-48). Ze zwijgen omdat alles voorbij is en de mislukking schijnbaar groot is. Ze zwijgen stil, nu ze denken hoe ze betrokken waren bij het levenseinde van Jezus en hoe ze zelf gefaald hebben. Verslagen zijn ze omdat hun hoop de bodem is ingeslagen(Lucas 24:21). Teleurgesteld, omdat ook deze Jezus, hun meester, het niet heeft gered. Wat valt er dan nog te zeggen?! Beter is het nu te zwijgen en stil te zijn.

De stilte van het Paasfeest heeft ook een andere reden. Na het sterven van Jezus op die vrijdagmiddag, bedenken wij dat Hij het ook in onze tijd  niet gered zou hebben. Ook wij zouden – zoals de mensen toen – Hem niet hebben kunnen verdragen, maar Hem hebben verraden, uitgeleverd en weggestoten hebben. Nu is er nog een reden. Het lichaam van Jezus werd met gepaste zorg begraven en net zoals alle doden heeft Hij recht op waardigheid en rust. Op een kerkhof zijn de stemmen gedempt en wordt er niet gerend en geschreeuwd. En in geen geval laten we er onze honden uit. Uit respect voor de gestorven Jezus houden we onze mond een tijdje dicht. Het is ook de stilte van ons wachten op wat komen gaat. De stilte van Pasen is als de stilte van het zaad, terechtgekomen in dorre grond en jarenlang in de bodem verscholen, totdat het gunstige moment komt en het zaad ontkiemt. Het ontkiemt en vormt wortels; er vormt zich boven de grond een scheut, de bladstengels groeien en de knoppen vormen zich. We weten het wel: beschadig de plantenknoppen niet, verstoor het vogelnest niet, luister en ervaar de stilte op een zondag als vandaag. Nog even, de warmtestroom komt op gang en de nieuwe lente breekt aan. Nog even, stil, alles staat op springen. 

Zonder stilte kan geen mens leven, weten we ook allemaal. De stilte buiten kan een verademing zijn voor mensen zoals wij, die  wonen waar het vaak een en al drukte en lawaai is. Volle wegen met haastig verkeer, drukke straten met ongeduldige mensen. Het kan heerlijk zijn, wanneer het buiten eindelijk eens echt stil werd! Maar die stilte buiten kan ook vreselijk zijn. Mensen voelen soms om zich heen niet anders dan ononderbroken, eindeloze stilte. Hoe graag hadden ze gewild, dat een stem de stilte in huis zou verbreken. Ze wachten tot er iemand komt en het woord neemt.   

Behalve stilte buiten om ons heen is er ook stilte van binnen. Misschien is dat soort stilte  nog wel moeilijker te vinden dan de stilte buiten. Je kent dat opgejaagde gevoel van binnen of die onrust, die je maar niet kunt kwijtraken. De gedachten en zorgen, die maar door het hoofd blijven gaan en niet stilgezet kunnen worden. Wie dan van binnen de stilte vindt, heeft wel een groot geschenk gekregen.

Er is – zeg maar: – een positieve stilte. Die blijde en vrolijke stilte, wanneer je van iets intens geniet en helemaal verstild raakt. De stilte van de eerste lentedag, zoals we die vandaag op deze zondag verwachten. De stilte die ontstaat, wanneer je bij elkaar zit en van elkaar weet dat alles goed is. Maar ook een negatieve stilte kennen we vaak al te goed. De pijnlijke stilte, die er heerst tussen mensen, als een van hen iets dwars zit. De droeve stilte, die ontstaat bij verdriet en bij de dood van een ander;  de stilte, die heerst bij het gemis om een geliefde. “(..) en als ik koffie wil gaan zetten, zet ik teveel voor mij alleen; ik moet wennen aan de leegte, die jij hier achterliet(..)” (De Kast).

Er is aardse stilte, stilte die heersen kan onder ons mensen. Maar er is ook zoiets als een hemelse stilte; dat het stil blijft van Gods kant. Die stilte is soms zo vreselijk, dat het niet om uit te houden is – vertelt het evangelie. Doodstil werd het op die vrijdagmiddag dat Jezus aan het kruis opgehangen en hij klaagde: “Mijn God, waarom hebt U mij verlaten?”. Voor zijn besef hield God zich stil en afzijdig. Maar de stilte van God kan ook een weldaad zijn. God overvalt mensen niet met donderend geweld, maar gunt hun tijd om tot bezinning te komen; Hij weet van wachten. Je zou bijna zeggen, dat beide tegelijk kunnen bestaan: de stilte van de godverlatenheid en de stilte van de vertrouwelijkheid met God. Mensen hebben weet van God en ze vertrouwen op God – ze hebben geen woorden meer nodig, zoals dat gaat tussen hartsvrienden.

Stilte is er, soms is die er zomaar. Maar de stilte van Pasen kunnen we zelf ook maken, die kunnen we ook aanleren. In stil zijn kunnen we ons oefenen. Dit is misschien wel de aardigste dia, die elke zondagochtend op de wanden van onze kerkzaal geprojecteerd staat: “Wij zoeken de stilte”. En zo is het ook: telkens wanneer we samenkomen in de tegenwoordigheid van God,  zoeken we  de stilte voor onszelf en voor de ziel. En we weten dat we het dan bij God moeten zoeken. Zoals een zuigeling aan de borst van de moeder verzadiging vindt, zo komt mijn ziel tot rust bij God, de Heer. Nee, ik ben stil geworden, ik heb mijn ziel tot rust gebracht. Als een kind op de arm van zijn moeder, als een kind is mijn ziel in mij.(Psalm 131:2).

Dit is nu de stilte van het Paasfeest: wij belijden en geloven met hart en mond / het woord dat gestorven is/ in stilte en duisternis,/ het zaad dat kiemt in de grond(Barnard).

Ds Chris Koole