startzondag 16 september 2018

Jezus ging zitten

xWe hebben zojuist twee teksten uit de bijbel gelezen waar heel wat woorden in staan, maar ik wil het vandaag slechts over drie van die woorden met u hebben. En die woorden zijn:

Jezus ging zitten.

Drie woorden. Dat is het voor vandaag.
Mocht iemand u vanmiddag of later in de week vragen waar de preek van vanmorgen over ging, dan is de kans denk ik groot dat u dat kunt navertellen.

Het gaat vanmorgen over zitten.
En dat is natuurlijk niet zo best.
Ik las namelijk ergens: ‘zitten is het nieuwe roken’.
Er schijnen grote congressen georganiseerd te worden om het probleem te bespreken dat we met elkaar veel te veel zitten.
De Wereld Gezondheids Organisatie werkt aan een norm, die de tijd die we zittend doorbrengen, drastisch moet inperken.
Een studie, gepubliceerd in het British Medical Journal, concludeert dat je twee jaar aan je leven kunt toevoegen als je dagelijks minder dan drie uur zit.
En om het allemaal nog een beetje erger te maken: Nederlanders zitten het meest van alle Europeanen. 45,6% van de Nederlanders ouder dan 15 jaar zit gemiddeld zeven uur of meer per dag. Duitsers zitten gemiddeld maar 5,8 uur en Belgen gemiddeld 5,7 uur.
Tot slot, je gelooft het bijna niet, maar we brengen 85% van onze vrije tijd zittend door.

Kortom: als het over zitten gaat, staan we er niet zo best voor….
En toch lezen we in onze tekst dat Jezus ging zitten.

Nou is het evangelie altijd al tegendraads geweest, en dat is vandaag de dag niet anders.
Want ondanks alle dramatische informatie die ik zojuist oplepelde, ondanks alle adviezen van de Wereld Gezondheids Organisatie, ga ik u vanmorgen vertellen dat het goed zou zijn als u niet minder, maar méér zou zitten…

Om die stelling uit te leggen wil ik eerst met u nogmaals kijken naar het evangelie.
We hebben gelezen dat Jezus en zijn discipelen onderweg zijn. En zij hebben nogal indrukwekkende dagen achter de rug, laat ik u daar even over bijpraten.

Nog maar net voor onze tekst, in Markus 8, lezen we over de belijdenis van Petrus: ‘u bent de Messias!’ zegt hij tegen en over Jezus. Vervolgens gaat Jezus vertellen dat hijzelf zal moeten lijden en dat hij gedood zal worden, maar na drie dagen weer op zal staan. Het is dan weer Petrus die het woord neemt, en Jezus hier op aanspreekt, waarop Jezus hem streng terecht wijst, en zegt: ‘Ga terug achter mij Satan!’.
Een week na deze gebeurtenissen ziet diezelfde Petrus, samen met Jakobus en Johannes, hoe Jezus Elia en Mozes ontmoet op de berg, horen ze de stem van God en vallen ze op hun knieën van eerbied.
Als ze weer van de berg naar beneden zijn gelopen, ligt daar een zieke jongen, kronkelend en stuiptrekkend op de grond. Om hem heen staan allerlei mensen druk met elkaar te discussiëren. Jezus geneest de jongen, die vervolgens als voor dood op de grond blijft liggen en iedereen denkt dat hij gestorven is. Maar Jezus knielt, pakt zijn hand en helpt de jongen overeind.

Al die dingen zijn gepasseerd, voordat de tekst van vandaag begint.

En we lezen in onze tekst dat Jezus zijn discipelen nog een keer probeert te vertellen dat hij zal moeten lijden, dat hij gedood zal worden, maar dat hij na drie dagen weer op zal staan.
En opnieuw begrijpen de discipelen dit niet. De vorige keer dat Jezus hierover begon durfde Petrus er nog wat van te zeggen, maar deze keer houdt iedereen zijn mond, En daar kun je je, na die uitbrander die Petrus kreeg, ook wel iets bij voorstellen…!

De discipelen gaan niet in discussie met Jezus over wat hij zegt.
Maar toch zijn ze kennelijk niet bleu genoeg om met elkaar in discussie te gaan.
En je zou als lezer verwachten dat ze in die discussie zouden ruziën over wie Jezus’ woorden al dan niet goed had begrepen, of over de verschillende meningen die er kunnen zijn over hoe het nou verder gaat met Jezus en met hen. Maar dat is niet het geval. Ze ruziën over de vraag wie van hen het belangrijkste is.
En wanneer Jezus vraagt naar de inhoud van hun gesprek, geven ze daar geen antwoord op.

En op dat moment gebeurt het:
Jezus gaat zitten.
En hij roept zijn leerlingen bij zich.

Dat Jezus gaat zitten, is op zich niet vreemd of uitzonderlijk.
Hij doet dat wel vaker, bijvoorbeeld als hij de Bergrede uitspreekt, of als hij in een boot stapt, of wanneer hij in de tempel is.
Zitten was ook een vrij klassieke houding voor een rabbi.
In Lukas 4 vinden we daarvan een mooi voorbeeld. Daar lees je over Jezus in de synagoge. Eerst staat in die tekst dat Jezus gaat staan om voor te lezen uit het boek van de profeet Jesaja, maar als hij dat gedaan heeft, gaat hij zitten om daar iets over te vertellen.

Ik vind dat een fascinerend gegeven.
Want een zittende docent, met zijn leerlingen daaromheen staand, dat zegt iets zonder woorden.
De docent leert vanaf de grond. Dat betekent dat de leraar geen gebruik kan maken van zijn postuur en ook niet heen en weer kan lopen, om zijn boodschap kracht bij te zetten. Die boodschap moet dus in zichzelf kracht genoeg hebben.
Maar die houding van de leraar, vraagt ook van de leerlingen iets: zij moeten naar de grond kijken om hem te zien. Zij moeten zich voorover buigen om goed te kunnen luisteren. Ook als ze vervolgens zelf bij hem gaan zitten, moesten ze daarvoor eerst naar beneden kijken.

En natuurlijk begrijp ik dat zo’n setting vroeger ook simpelweg met de akoestiek te maken kon hebben, denk maar aan de bouw van de Griekse theaters, maar de symboliek er achter is natuurlijk heel mooi:
als je iets wilt leren, moet je naar beneden kijken.

Dat zijn wij in onze cultuur niet zo gewend.
De meeste docenten in de klas, staan. Als je naar een TedTalk kijkt op internet, dan kijk je en luister je meestal naar een staande spreker.
Wij zetten de mensen van wie wij willen leren op een voetstuk, hoog boven het publiek verheven, dat zit en opkijkt naar de spreker. Mensen in onze tijd die een ander iets te vertellen hebben, maken zich groot, hoog, zorgen dat ze hun standpunt duidelijk, staand en desnoods gebarend, verkondigen.

Ook in de kerk, bij het houden van een preek, gaat dat vaak zo, zo zijn we dat gewend. Vaak staat een predikant hoog op een kansel, en kijkt de gemeente daar naar op.

Hier in de Hoeksteen hebben we dat gelukkig wat anders aangepakt. Er is hier in ieder geval een deel van de kerk dat naar beneden kijkt om wat te horen en te leren. De mensen op het balkon, die hebben het begrepen!
Maar hier op de begane grond… Tja, u kan daar ook niks aan doen. Ik heb nog even gedacht om mijn preek vandaag zittend te houden (gaan zitten) maar dat gaf toch wat praktische bezwaren…

Jezus gaat wel zitten.

Hij maakt zich klein en wil met die houding zijn discipelen iets leren over het Koninkrijk van God.
Zonder woorden zegt hij:
Als je meer wilt weten over dat Koninkrijk, zul je naar beneden moeten kijken.

Zittend op de grond geeft Jezus zonder woorden antwoord op de vraag waar de leerlingen zich mee bezighielden, de vraag naar wie de belangrijkste is.
En zijn antwoord is: wie belangrijk wil zijn, moet door de knieën gaan, moet de minste van allemaal willen zijn, en ieders dienaar.
En als je daar dan zit, zo laag bij de grond, dan ben je op het niveau van de kinderen, dan kun je hen in de ogen kijken, een arm om hen heen slaan en hen op schoot nemen. ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.’

Als je door de knieën gaat, als je gaat zitten, ziet de wereld er heel anders uit.
Dat kunt u nu al merken, gewoon hier in de kerk. Je kunt elkaar zittend namelijk veel makkelijker in de ogen kijken. En als ik u zo zie zitten, dan zie ik wel dat u allemaal verschillend bent, maar ik zie ook één geheel, één gemeente.

Maar straks, als we weer naar buiten gaan, dan is dat weer weg. Dan vallen de verschillen tussen ons ineens weer veel meer op: als je bijvoorbeeld niet zo groot bent, en je loopt achter een boomlang medegemeentelid, dan wordt je uitzicht behoorlijk belemmerd. Als je in een rolstoel zit, of wat voorovergebogen met je rollator loopt, dan heb je dat ook al met mensen die niet eens boomlang zijn! En wat te denken van de kinderen, die tussen onze benen door hun weg moeten zoeken, we kijken ze soms gewoon over het hoofd!

We zijn veel gelijker, als we zitten.

Maar zitten heeft nog meer voordelen. We kunnen dan bijvoorbeeld alle mensen begroeten die een zittend bestaan leiden, zoals bij veel van onze verpleeghuisbewoners het geval is. U weet misschien dat ik nog al eens een lezing geef over omgaan met mensen die lijden aan dementie, die ook vaak een zittend bestaan leiden. En één van de gouden regels die ik mijn hoorders dan meegeef is dan ook: ‘kun je nog hurken, hurk dan mee’.
Als je dat namelijk niet doet, als je niet gaat zitten, als je je niet laag maakt, dan toren je boven een ander uit. En dan kan een ander zich geïntimideerd voelen, wat de kans op een echt contact al bij voorbaat kleiner maakt.

En zo geldt dat net zo goed voor de kinderen. Als je echt wilt spreken met een kind, als je echt wilt spreken met iemand die zit, dan moet je elkaar in de ogen kunnen kijken.
En er is maar één niveau waarop werkelijk iedereen, van jong tot oud dat kan, en dat is zittend.

Nou is gaan zitten één ding, maar noodgedwongen een zittend bestaan lijden, een tweede. Die gedachte is misschien al door u heengegaan. Misschien luistert u vanmorgen mee vanuit uw huis, juist omdat uw bestaan beperkt is tot een vrijwel zittend bestaan.
Als je noodgedwongen veel moet zitten, of misschien niets anders meer kunt dan zitten, dan is dat verre van eenvoudig. Je bent beperkt, kunt niet meer gaan waar je wilt, zelfs het bereiken van de keuken of de slaapkamer is soms al een hele tour, waar je een half uur van bij moet komen.

En dat doet ook iets met de manier waarop je over jezelf denkt. Ik hoor het mensen best vaak zeggen: ‘ik kan niks meer, ik ben niks meer waard’. Alles waar je ooit je zin aan ontleende, kun je niet meer: reizen, oppassen op je kleinkinderen, werken. Je bent aangewezen op de zorg van anderen, je hebt het gevoel dat je je zelfstandigheid, je eigen eer, kwijt aan het raken bent. Je voelt je nutteloos.

Want ja, zo beoordelen we ons leven vaak, op basis van nut: zolang we iets kunnen betekenen in de maatschappij, voelen we dat ons leven zinvol is.
En, eerlijk is eerlijk, op die manier kijken we ook vaak naar kinderen: ze zijn natuurlijk hartstikke leuk en schattig, maar het is toch wel de bedoeling dat zij ‘iets worden’, niet waar? Het is denk ik één van de meest gestelde vragen aan een kind: wat wil je later worden?

Maar ‘nut’ en ‘iets worden’ zijn geen termen die thuishoren in het koninkrijk dat Jezus voor ogen heeft. Het is niet voor niets dat Jezus juist een kind als voorbeeld neemt. Want in zijn tijd stond een kind zo’n beetje onderop de sociale ladder. Kinderen waren aangewezen op de zorg van anderen en telden in de maatschappij helemaal niet mee. En juist zij, juist de kinderen, en iedereen die zich herkent in hun positie, juist zij zijn doorkijkjes naar het Koninkrijk van God.

Als je daar wat meer over doordenkt, dan kom je erachter dat wij vaak een verkeerd idee hebben van wat ‘hoort’, van wat ‘moet’, van wat ‘juist’ en ‘goed’ is. Wij vinden het normaal dat je je krachtig door het leven kunt voortbewegen, het hoofd omhoog, laat je maar zien! Maar daarbij vergeten we dat dat voor heel veel mensen niet de dagelijkse werkelijkheid is.
Het ‘normaal’ van het Koninkrijk van God is het niveau waarop iedereen mee kan doen, het niveau waarop niemand uitgezonderd wordt: kinderen niet, ouderen niet, mensen die aan de grond geraakt zijn niet, mensen die van verdriet haast niet meer overeind kunnen komen niet.
Jezus daagt ons vandaag dus uit om anders te gaan denken.
Daagt ons uit om proberen te begrijpen waar het in het Koninkrijk van God over gaat.

Er is in dat Koninkrijk geen competitie wie de beste kandidaat is, America’s biggest talent, de Slimste mens, de beste danser, de meest verdienende. Het is geen koninkrijk van kabinetten met roulerende ministers die van de ene hoge post soms via een achterdeur weer op een andere hoge post terechtkomen.
In het Koninkrijk is de discussie over de onzin-termen ‘hoogopgeleid’ en ‘laagopgeleid’ nog nooit aan bod geweest, en er wordt daar ook niet gesproken over ‘verstandelijk beperkt’, maar eerder over ‘uniek begaafd’.

Het Koninkrijk Gods is een koninkrijk van kleine mensen. Mensen, die allemaal gelijk zijn.

Als we als mens soms noodgedwongen stil komt te zitten, is het zaak om de taal van onze eigen maatschappij te vervangen door de taal van het Koninkrijk. Geen taal van nut, maar een taal die ons leert dat jij, dat u, aanvaardt wordt door God zoals je bent, zoals u bent. Zittend en wel. Dat u, dat jij er toe doet, oneindig waardevol bent. Zittend en wel.

En het is misschien wel een van de grootste opgaven van ons geloof en van ons leven om juist dat te leren te aanvaarden.

Maar ook voor mensen die nog een keus hebben of zij gaan zitten of juist blijven staan, is dit een van de grootste opgaven: te leren dat wij allemaal gelijken zijn, allemaal evenveel waard. En dat dat iets is, wat we niet alleen met onze mond moeten belijden, maar ook met ons leven mogen laten zien. Door je niet alleen voorover te buigen en naar beneden te kijken, maar juist ook door naast elkaar te gaan zitten, door de knieën te gaan en één met de ander te worden.

Jezus gaat zitten.

En met zijn houding laat hij ook zien met welke opdracht hij gekomen is.
De opdracht de belangrijkste te worden door de dienaar van allen te zijn. De opdracht om het leven te behouden door het te verliezen.

Dit is Jezus, die wij volgen.

Het is Jezus die gaat zitten. Het is Jezus die neerknielt bij de jongen die hij na de verheerlijking op de berg op de grond ziet liggen, en zijn hand pakt. Het is Jezus die gaat zitten bij mensen die klein zijn of klein gemaakt zijn. Bij mensen die aan de grond zitten omdat zij een fout gemaakt hebben. Bij mensen die zo vaak afgezonderd gehouden worden van het ‘normale’ leven, om hoe ze eruit zien of om de geluiden die ze maken. Jezus gaat zitten. Bij mensen die zinloos lijden ondergaan. Bij mensen die vernederd worden en achtergesteld.

Dit is Jezus, die ons uitdaagt te doen als hij. Die ons uitdaagt ook te gaan zitten en je net als hij over het hoofd te laten kijken.

Want de beste houding om te leren is naar beneden te kijken en te gaan zitten. Zittend komen we op het niveau waar we iets van het Koninkrijk van God zullen zien. Zittend gaan we zien wat onze kinderen nu al kunnen zien. Zo wil ik eindigen, zittend, met één van de verhalen uit ons verpleeghuis.

Als ik in de recreatiezaal kom zie ik mevrouw van den Berg alleen in haar vaste hoekje bij het raam zitten. Het is niet makkelijk om met haar om te gaan. Zo vaak wil ze iets duidelijk maken, maar lukt dat niet, omdat ze niet meer spreken kan. Zo vaak heeft ze ergens hulp bij nodig, omdat de helft van haar lichaam verlamd is. En vaak schreeuwt ze, uit onmacht, en horen we dat over de hele afdeling. Vaak ook huilt ze, ook uit onmacht. En dagelijks zit ze op haar plekje bij het raam. Nors en nukkig kijkend, en soms ook zo reagerend.

Ineens zie ik een guitig gezichtje om de hoek van de deur loeren. Daar is Rik. Rik is vijf. Hij komt bijna iedere dag bij zijn opa op bezoek. Rik rent de recreatiezaal binnen, recht op zijn opa af, slaat zijn armpjes om hem heen en geeft hem een kus. Zijn opa buldert een lach. En met dezelfde vaart rent Rik verder, naar het hoekje waar mevrouw van den Berg zit, slaat zijn armpjes ook om haar heen en geeft ook haar een kus, midden op de scheve kant van haar gezicht. De andere kant krult in een glimlach omhoog.

P.G. de Hoeksteen
ds. Annemarie Roding
23 september 2018