Jij daar, jij kunt bijna aan Mij tippen!

Eens ontmoette ik een oude dame, een vriendelijk en bescheiden iemand, die mij opbiechtte tijdens haar huwelijk er onder geleden te hebben, steeds maar weer gezien te zijn als “de vrouw van…..”
Hij, een hoge officier, zich graag in uniform vertonend op recepties en andere gelegenheden, en zij, als vrouwelijke versiering, zoals ze dat noemde, aan zijn zijde.

Vrouw van……..man van (kan óók !)…….dochter of zoon van……feit is dat sommige mensen een afgeleid bestaan leiden en zich bewegen in de schaduw van partner of ouder.

Neem nu Johannes de Doper, u kent hem wel, die ietwat ruige, imponerende en intrigerende figuur van wie we horen in de kerk zo in de buurt van het Kerstfeest, wegbereider en voorloper van Jezus.

Hij leidt een afgeleid bestaan en lijkt er zelf in het minst niet onder te lijden. Alsmaar herhaalt hij : ik ben het niet, ik ben de verwachte niet .Nog sterker : Hij moet wassen, ik moet minder worden, Hij moet groter, ik kleiner…….. Johannes cijfert zich helemaal weg. Hij laat zichzelf op zeker moment ineenschrompelen tot simpelweg een stem, de stem van een die roept.

Je kunt je afvragen of Johannes zichzelf hiermee toch niet te kort doet. Zoals ieder mens die zichzelf wegcijfert in een relatie, iedereen die niet uit de schaduw van zijn of haar partner durft te treden. Er zit voor mijn gevoel een gevaarlijke kant aan die uitspraak van Johannes. Hij moet groter, ik kleiner, als je dat gaat vertalen naar een manier van geloven, naar een levenshouding, wel, dan kan dat gaan ontsporen !

Een collega uit de wat men de zware hoek van de kerk noemt hoorde ik eens in een preek zeggen dat in ons leven God op het hoogst verhoogd – en een mens op het diepst vernederd moet worden……Ik weet niet wat ik met zo’n uitspraak moet, of liever – ik kan daar helemaal niets mee. God wordt niet groter als ik mezelf naar beneden haal.

In het verleden, toen het oude doopformulier in de kerk nog gebruikt werd, waren er wel eens doopouders die de moeite hadden genomen het van tevoren door te lezen. Ze stuitten dan op zinsneden als dat “onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom kinderen des toorns zijn”. Verder op ook op: “dat zij ook zonder hun weten aan de verdoemenis in Adam deelachtig zijn”.

Je kunt dan in een gesprek proberen duidelijk te maken hoe de makers van dat formulier kennelijk hun oor slechts te luisteren hebben gelegd bij de apostel Paulus en de kerkvader Augustinus .

Liever was het mij hun te vertellen dat de Bijbel meer in de aanbieding heeft als het gaat om te typeren wie en wat wij mensen zijn en we lazen dan Psalm 8. Daar horen we over ons mensen (en let wel, dan gaat het niet over een paradijselijke oermens maar over óns hier en nú): Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt……. Kijk, dáár waren u en ik niet óp gekomen! Het is alsof God in den hoge zo’n wichtje in de wieg toelacht en zegt: jij daar, jij kunt bijna aan Mij tippen!

Laat het ons duidelijk zijn : God en mens zijn in het grote Boek geen concurrenten. Je zou zelfs het omgekeerde kunnen zeggen, dat – als ik God groter maak – ikzelf ook groei. Als ik God in mijn leven een grotere plaats geef, als ik mij meer op Jezus oriënteer, op waar Hij voor staat, dan word ik niet kleiner of onbetekenender, nee omgekeerd : dan groei ik zelf in geloof, als mens, dan groei ik in gezond zelfbewustzijn.

Wat in het geloof geldt, geldt ook in het leven : je bent niet geroepen jezelf weg te cijferen of uit te wissen, dat is verkeerde bescheidenheid, ook u en ik dóén er toe.

Ik hoor een tegenwerping : moet er, zeker vandaag , niet wat anders gezegd worden? Dat zou je kunnen stellen misschien, want ik weet het óók, we leven in een tijd en een cultuur die het ik centraal stelt en op een voetstuk plaatst.

Als dat een reactie is op een tijd dat mensen klein gehouden werden en neergedrukt, dan is dat op zich goed, als het een doel op zichzelf wordt dan krijg je ontsporingen, te grote ego’s, het omgekeerde van een participatiesamenleving. Het gaat om het goede evenwicht. Maar soms moet je het ene eens even de nadruk geven!

Ds. P.S. Veldhuizen

Een gedachte over “Jij daar, jij kunt bijna aan Mij tippen!”

  1. Fijne overdenking. Zo hoor je ze maar weinig meer. God en de mens. Zonder de één bestaat de ander niet. Als wij zwijgen over het ‘goddelijke’ en over God, krijgt Hij geen gezicht. Juist als we weten zijn schepselen te zijn, die Hij haast goddelijk gemaakt heeft, dan mogen we Hem herkennen in de natuur, maar zeker ook in de mensen om ons heen, want dan zoeken wij het ‘goddelijke’ in elkaar.

Reacties zijn gesloten.