Laat jullie vrede over dat huis komen, als het dat waard is.

In de ogen van ruim een miljard Indiërs stelt Europa als economische macht niet veel voor, vergeleken met de Verenigde Staten. Zo ongeveer was te lezen in een artikel van een dagblad (Rajendra Jain in Trouw 15 juni 2013). En dat brengt mij bij de vraag, wat de christelijke kerk in Europa dan voorstelt in de ogen van de Indiase bevolking en die van onszelf.

Ik begin bij het evangelie van vanochtend: Lucas 7:36-8:3. Daarin wordt verteld, dat Jezus de uitnodiging aanneemt van Simon de Farizeeër en hoe Hij tijdens de maaltijd een vrouw ontmoet, van wie in de stad gezegd werd dat het een zondares was (Lucas 7:36vv). Dat Jezus ingaat op de uitnodiging van de Farizeeër is bepaald niet vreemd. Op een ander moment zendt hij zijn leerlingen uit en krijgen ze te horen, dat ze moeten aankloppen bij de huizen in de steden, die ze bezoeken. Dan moeten ze vragen om gastvrijheid, om een vriendelijke ontvangst en behandeling als gasten(Matteüs 10:12). En als de leerlingen dan vriendelijk begroet worden, dan hebben ze te blijven bij die mensen daar en moeten ze niet langer rondkijken naar een plek, waar ze het beter kunnen krijgen.

Binnengenodigd  worden en gastvrij ontvangen worden in een vreemde omgeving – het is een veelzeggende beeldspraak voor het leven van de christelijke kerk. Het verkondigen van het evangelie begint niet met een gevestigde organisatie, die anderen uitnodigt om binnen te komen en hen vriendelijk verwelkomt. Dat wordt pas later in de geschiedenis de manier van doen in de christelijke kerk. Maar het begint allereerst met het volgen van Jezus, de mens, die zelf geen veilige plek heeft om het hoofd neer te leggen, maar zich laat binnen nodigen door wie hem in huis ontvangen wil. Zo deelt hij de genade en liefde van God met anderen. Dat blijkt uit zijn wondere manier van doen en spreken bij de maaltijd met Simon de Farizeeër.

Jezus daagt mensen, die hij ontmoet (denk aan de vrouw uit het evangelie van vandaag), uit met de woorden: “Uw zonden zijn u vergeven. Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.”(Lucas 7:48 en 50). Anders gezegd: U bent vrij om te geven van wat u hebt gekregen, u bent het waard dat anderen u gastvrij ontvangen. U bent een plaats, waar de genade en liefde van God met vreugde gaan wonen. God zal zich over u verheugen. Maar kunnen wij deze uitdagende woorden van Jezus wel rustig aanhoren?  Het klinkt heel aantrekkelijk, maar is het echt wel goed nieuws, wanneer we horen dat ons leven een plaats is, waar God zelf verkiest te wonen? Wat staat ons dan allemaal te wachten? Eigenlijk zijn we niet verbaasd, wanneer we in de bijbel ergens(Matteüs 8:30vv) lezen, dat de plaatselijke bevolking van een stad Jezus niet verwelkomt maar hem dringend verzoekt hun woongebied te verlaten.

Het evangelie-verhaal van vanochtend vertelt, dat wanneer God binnenkomt en gaat leven in een huis of in een mensenleven, dat Hij dan verwarring brengt en de dingen verandert. Hij is bepaald geen rustige of gemakkelijke gast. En als we hem eenmaal binnengelaten hebben, dan moeten we er niet op rekenen, dat hij zich gedraagt naar onze regels. Jezus neemt de uitnodiging aan van Simon de Farizeeër en hij is dan te gast aan de maaltijd. Maar hij  kan heel scherp de gastvrijheid van de gastheer bekritiseren. “Zie je deze vrouw? Ik ben in jouw huis te gast en je hebt me geen water voor mijn voeten gegeven. Maar zij heeft met tranen mijn voeten nat gemaakt en ze met haar haar afgedroogd(Lucas 7:44). Jezus legt de beperkingen van de gastvrijheid van zijn gastheer bloot, hij benoemt de angst en de verachting, die schuil gaan onder de ogenschijnlijk welwillende ontvangst. We denken wel eens, dat we Jezus graag in ons huis zouden zien binnenkomen. Maar het is niet zeker, of wij ons nog thuis zullen voelen, wanneer hij binnenkomt. De plekken, waar wij leven, zijn allemaal te klein voor hem. Alleen als we onze hart laten opengaan en ons voorstellingsvermogen laten groeien, dan pas gaan we misschien wennen aan deze vreemdeling, die bij ons wil binnenkomen en bij ons thuis zijn.

Hoe  was het voor de mannen en de vrouwen, die Jezus volgden? Hoe verging het die eerste mensen, die gezonden waren en op de deuren klopten in de steden van Galilea, om de weg van hun meester voor te bereiden? Ik kan me niet goed voorstellen, dat ze altijd makkelijke gasten in huis waren. Jezus zelf was dat evenmin, gelet op zijn manier van doen bij Simon de Farizeeër. Wat zijn volgelingen moesten zeggen, was ook niet prettig om aan te horen: dingen zouden gaan veranderen. De mensen, die gezonden waren, moesten zieken genezen. Maar niet bij niet iedere zieke waren ze welkom. Want wanneer zieken worden genezen, dan kunnen er wel eens veel meer dingen gaan veranderen. Datgene, waarvan we eerst dachten dat er geen verandering in mogelijk was. Ook wijzelf konden wel eens andere mensen gaan worden. Of Jezus nog lang aan het gastmaal bij Simon de farizeeër gebleven is, vertelt het evangelieverhaal niet. Misschien werd hem snel duidelijk gemaakt, dat hij beter kon weggaan. Ook de volgelingen van Jezus krijgen van hun gastgevers soms te horen, dat ze maar liever moesten vertrekken. (In het geval dat ze niet welkom waren in een stad,  moesten de leerlingen in opdracht van Jezus het stof van hun voeten schudden, Matteus 10:14). Het evangelie-verhaal maakt dit duidelijk: of gastgevers zoals Simon de Farizeeër het nu graag willen of niet, maar het Koninkrijk is op handen. Het is nabij gekomen om nooit meer weg te gaan uit deze wereld. Vroeg of laat moeten we ons hiernaar voegen.    

In het evangelie-verhaal van vanochtend wordt verteld, dat de vrouw aan Jezus laat merken hoe welkom hij is. Zij blijkt in de gespannen sfeer van het gastmaal een ware gastvrouw. En haar gastvrijheid beantwoordt hij met het tonen van zijn betrokkenheid bij haar.“Uw zonden zijn u vergeven. Uw geloof heeft u gered; ga in vrede.”(Lucas 7:48 en 50).  Wat u mij hebt laten zien, moet u voortaan ook aan de mensen tonen. Leef in deze stad niet langer zo alsof u niets waard bent. Laat in uw manier van leven aan de mensen zien, hoe de aanwezigheid van God in levens grote vervreemding brengt. Maar ook hoe Gods aanwezigheid goede, nieuwe dingen met zich meebrengt, wanneer mensen Hem aanvaarden.

Eigenlijk kunnen we in dit evangelie-verhaal heel wat aanwijzingen vinden, als we  nadenken over de vraag hoe het evangelie ingang kreeg in onze wereld en ontvangen werd in Europa tot op vandaag. Het evangelie kwam van nature als een vreemde, van buiten komende stem naar het Romeinse wereldrijk en daarna richtte het zich op de koninkrijken van de Germanen. Het vroeg of het welkom was en een tijdelijk onderkomen kon krijgen. Het evangelie probeerde zich in te richten in het huis van het Griekse denken en in de woning van het Romeinse bestuur. Daarna trok het weer verder de wereld in, naar de barbaren, naar de volken, die leefden buiten de Griekse en Romeinse invloed. Het evangelie leerde onderweg  vele talen. Niet vergeten, het zorgde ervoor, dat de gesproken talen voor het eerste een geschreven, vaste vorm kregen. Denk aan de vertaling van de bijbel in het Gotisch in de vierde eeuw van onze jaartelling. De christelijke kerk keek telkens om zich heen en luisterde goed, wanneer ze in de samenleving vriendelijk werd ontvangen; ze keek naar de dingen, die als een analogie van het evangelie konden dienden en ze zocht naar de kapstokken, waaraan ze de christelijke geloofsleer kon ophangen. In de Angelsaksische poëzie veranderde het evangelie de vorm van het heldendicht; voortaan zou Christus de opperste held en de aanvoerder zijn. Het evangelie vond onderdak in het oude Ierland en in Wales en daar ontwikkelde zich het Keltische christendom, dat de geoorloofd mysterieuze gedachtewereld van dat volk in zich opnam. En vanuit Ierland vervolgde het evangelie zijn weg en varende monniken kwamen het nabije Koninkrijk verkondigen in de lage landen bij de zee, ons Nederland. Ook daar vond het een woning, om langer te kunnen blijven en liet het zijn sporen na. Telkens zei de kerk, wanneer ze het evangelie een nieuwe, onbekende wereld binnendroeg: Vrede over dit huis. Het evangelie viel niet binnen met de eis aan de gastgever, om alles wat die bezat aan gewoontes, wijsheid en cultuur los te laten; het stelde zelfs niet de eis, om zich uitsluitend van een heilige taal te bedienen, anders dan haar mededingster de Islam, dat een oud soort Arabisch voorschreef. Nee, hoeveel waarde de kerk ook hechtte aan het gebruik van het Latijn in het openbaar, toch moedigde zij het gebruik van de eigen taal van de gastgevers aan en wist die volkstalen zelfs te verrijken.

Toch bleven de conflicten tussen het evangelie en de gastgevers niet uit. En vooral op die momenten, dat wat kwaad was in de gastvrije woning aan het daglicht kwam en leidde tot ontwrichting. De kerk kon niet altijd maar de toegewijde dienaar blijven van deze of gene koning of zelfs van de keizer, die troonde in Rome of Constantinopel. Vroeg of laat zou het evangelie vragen of die prettige verstandhouding wel gerechtvaardigd was. Dan kwamen vorsten en bisschoppen tegenover elkaar te staan; denk aan het conflict van de Engelse koning Hendrik II en Thomas Becket, bisschop van Canterbury. De bisschop kwam op voor de vrijheden en rechten van de christelijke kerk en werd uiteindelijk door aanhangers van de koning vermoord in de kathedraal van Canterbury 1170.  Dan leverden de scholastieke theologen uit de 13de en 14de eeuw de bouwstenen voor de theorie, dat volwassen, gelovige onderdanen mogen vragen naar het goed recht van het gezag, dat vorsten en feodale machthebbers over hen uitoefenen. En later ontwikkelde Calvijn de gedachte, dat een maatschappij van volwassen gelovigen eisen kon stellen aan de manier, waarop koningen, vorsten en overheden regeren. En daarna zouden in de lage landen bij de zee mensen in de 16de eeuw de koning van Spanje afzweren, omdat deze zich ontwikkeld had tot een tiran, en een opstand beginnen. Het werelddeel Europa heeft het evangelie als gast in huis genomen en ontdekte meer dan eens, dat die gast de dingen in huis veranderde.

De kerk ging de confrontatie met de vorsten niet angstvallig uit de weg, maar geworsteld om het tot een goed einde te brengen. Het gevolg ervan was, dat Europa in haar leven het beginsel omarmde van vragen stellen aan de machthebbers; ze begon te twijfelen  aan onbetwist politiek gezag. Europa ontdekte de vrijzinnigheid in de ruime betekenis van het woord. En  heel die belangrijke geestelijke stroming in Europa uit de 17de en 18de eeuw(Verlichting) is rechtstreeks voortgekomen uit de harde, ingewikkelde onderhandelingen tussen kerk en overheid in de Middeleeuwen. De christelijke kerk leidde zonder het zelf te weten figuren op, die haar macht gingen kritiseren en die van de wereldse heersers. Het evangelie van het koninkrijk van God is gekomen, om te blijven ook bij de huisbewoners van Europa. Maar wel rustte de kerk de bewoners toe, die vragen hadden bij de manier waarop het huis bestuurd werd en of dit de enige manier van regeren was, die er bestond. En de christelijke kerk kreeg op haar beurt in het huis Europa de vraag, of zij dan in haar optreden betrouwbaar en geloofwaardig was en of haar gezag wel gewettigd was. We horen die tegenvraag op allerlei plekken vandaag weerklinken. En het is nodig en billijk, dat we als christenen daarop ingaan. Waarom? Als het evangelie laat zien, dat de huizen met hun bewoners in deze wereld veel te klein om het vleesgeworden Woord te  omvatten, dan geldt dat ook voor de onderkomens, die de kerk bouwt en in stand houdt om binnen de Europese cultuur te kunnen blijven bestaan. Ook onze huizen zijn misschien wel te klein om het Woord te bevatten en moet er verandering in de dingen komen. (Was dat ook niet de voornaamste oorzaak – naast heel wat meer – voor het ‘heilig vuur’, de hervormingsbeweging in het Europa van de 16de eeuw?)   

Wanneer we het huis Europa, waarin we nu wonen, bezien, wat merken of doen we dan? Jezus draagt ons op, om ons werelddeel met ‘vrede’ te begroeten. Laat jullie vrede over dat huis komen, als het dat waard is.”(Matteus 10:13). We doen dat niet op een toon, die de indruk geeft dat we blij zijn met alles wat Europa is en doet. Maar ook niet alsof we ons werelddeel bezien als de maatstaf voor de voortreffelijkheid van mensen. We zeggen eenvoudig ‘vrede’ en we bedoelen daarmee dat we ons inzetten voor de bloei van de samenleving, die ons ontvangen heeft, en voor haar gerechtigheid en stabiliteit en eerlijkheid. We bedoelen met de groet ‘vrede’, dat we geloven dat deze huisbewoners kunnen horen en veranderd worden door het Woord van genade. Wie zou het woord van Jezus: Uw zonden zijn u vergeven. Uw geloof heeft u gered kunnen weerstaan? Als christenen leven we niet afzijdig, maar juist volop betrokken bij de huisbewoners van Europa, die ons (misschien in deze tijd wel met tegenzin) willen ontvangen of minstens willen verdragen. We doen mee aan de debatten, die in ons werelddeel gevoerd worden over macht en identiteit, locale autonomie en migratie. En we doen mee van harte en vanuit de overtuiging, dat Jezus het leven in een mensengemeenschap mogelijk gemaakt heeft, in een lichaam met hem als Hoofd waarvan de leden groeien in wederzijds dienstbetoon en liefde.

Nee, we schrijven Europa als huis niet af en kijken we niet om ons heen, of we liever ergens anders  zouden willen wonen. We horen de kritiek op ons werelddeel vanuit de Verenigde Staten en  India en vanuit de moslimwereld; Europa is een vermoeide cultuur geworden en zij is wel heel gecompliceerd en allesbehalve helder in haar normen van goed en kwaad; Europa teert op haar verleden. We begrijpen de kritiek, maar toch houden we ons aan de opdracht om gerechtigheid en humaniteit te bevorderen en om ongehoorzaam te zijn aan de ongebreidelde machten die het leven willen beheersen. We weten, dat Christus alles nieuw maakt (Openbaring 21:5) en dat we  – zolang we in de Europese cultuur meepraten – vragen kunnen stellen, die mensen moed geven en wil om te leven. We weten, dat we mensen eraan kunnen herinneren, dat de krachtbron om te leven en om nieuwe dingen te scheppen niet in henzelf ligt, maar in het scheppende Woord.  Of de mensen ernaar horen willen of niet, we hebben onze opdracht van Jezus Christus: “Ga in vrede.(Lucas 7:50) Laat jullie vrede over dat huis komen, als het dat waard is.”(Matteus 10:13). We kunnen de bewoners van het huis, dat ons heeft ontvangen, omarmen en aan het denken zetten, zoals Jezus voorgedaan heeft bij zijn bezoek aan Simon de Farizeeër. We kunnen met overtuiging zeggen, dat in ons werelddeel en in heel de wereld het Koninkrijk van God nabijgekomen is en dat het nooit uitgebannen kan worden; dat God voortdurend door alle culturele en godsdienstige structuren heen zal breken, die wij bedenken om Hem in zijn macht te beperken, wanneer Hij in Christus zijn vrede onder ons sticht. Laat de wonderen maar komen.       

Ds Chris Koole