Lef

Naast de Bijbel en mijn agenda sla ik geen ander boek  zo vaak open. Ik herinner me nog dat ik het van mijn ouders kreeg, veertig jaar geleden. Het was niet bepaald het cadeau waar een elfjarige jongen van droomt. Maar de tijd doet veel. Hoe langer je iets hebt, des te meer raak je ermee vertrouwd. En eraan gehecht.

Goed, de helft van het boek is na veertig jaar nog steeds onbekend terrein voor me. Misschien gebruik ik er hooguit dertig, veertig procent van. Dat zou ik na kunnen kijken, want ik heb alle kerkdiensten waarin ik ooit voorganger was bewaard: de uitgeschreven preek en de uitgeschreven liturgie. Ik besef ook wel dat het inmiddels een beetje achterhaald boek is, het Liedboek voor de Kerken dat in 1973 uitkwam – want daar heb ik het over.

De wereld is sinds 1973 veranderd. En wij zijn niet meer dezelfde mensen. We zijn geëmancipeerd, we zijn mondiger geworden, individualistischer, kritischer, welvarender, kosmopolitischer, veeleisender, ongeduldiger, onkerkelijker. En de taal van het geloof is voor velen een vreemde taal geworden. In 1973 hadden we nog langspeelplaten en cassetterecorders. En twee televisiezenders, waar we alleen ‘s avonds naar keken.

We hadden de PTT en de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland. De KPN en TNT Post en ook de PKN moesten nog uitgevonden worden. Net als de euro, de pinpas, de personal computer, de platte televisie, de tomtom en de iPod. En de beamer in de kerk. Kortom: in veertig jaar is er maar weinig hetzelfde gebleven in de wereld en in de kerk.

Vijf jaar geleden besloot men dan ook dat het tijd werd voor een nieuwe Liedboek. Een commissie werd aan het werk gezet. Over een paar maanden, op zaterdag 25 mei 2013, wordt het nieuwe Liedboek ten doop gehouden in de Grote Kerk van Monnickendam.

Waar, maar dit even terzijde, mijn oom Cor nog predikant is geweest. Toen we een keer op bezoek kwamen, was hij achter in de tuin al zijn preken van de afgelopen vijfentwintig jaar aan het verbranden. Hij zei dat hij wilde voorkomen dat hij zichzelf zou gaan herhalen. Als hij die preken op de computer had staan, had hij ze alleen maar hoeven deleten.

Een nieuw Liedboek dus. Het maakt me wat weemoedig. Ik ben zo thuis in het oude. Kan er bijna blindelings de weg in vinden. Ken de nummers van minstens honderd gezangen uit mijn hoofd. Dat gaat me met dat nieuwe Liedboek niet meer lukken. Er zal ongetwijfeld ook een digitale versie komen, dat zal het zoeken dan weer vergemakkelijken.

Ondertussen weet ik dat het nieuwe Liedboek bijna tweemaal zo dik wordt als het oude. Maar dat neemt niet weg dat er van de 491 gezangen in het oude Liedboek slechts 100 meegaan naar het nieuwe. Dat betekent dat er 391 afvallen. Het kan niet anders, of daar zitten heel wat dierbare liederen tussen. Nou kunnen we die natuurlijk rustig blijven zingen, met dank aan onze beamer. Maar toch. Het voelt als een verhuizing.

Het oude huis was een beetje ouderwets, zonder hippe keuken met kookeiland of luxe badkamer. Maar het was wel mijn huis. Zal het me lukken me thuis te voelen in het nieuwe Liedboek? Zal het nieuwe me net zo vertrouwd worden als het oude? Over oud gesproken: het nieuwe Liedboek confronteert mij natuurlijk ook met het feit dat ik inmiddels zelf een oude knar aan het worden ben.

En opeens moet ik weer aan mijn oom Cor denken, die in de pastorietuin van Monnickendam al zijn preken van de afgelopen vijfentwintig jaar aan het verbranden was. Omdat hij niet van plan was zichzelf te gaan herhalen. Ik herinner mij oom Cor als een ouderwetse heer. Beetje deftig. Een klassieke predikant. Maar hij had wel lef. Het lef om schepen achter zich te verbranden. Het lef om de toekomst tegemoet te treden met lege handen en een hart vol vertrouwen.

Ds. Frans-Willem Verbaas