Luister eerst eens naar elkaar voor je begint te oordelen

Jacobus 1: 19-22 Zondag 23 december 2012, 4e advent, Schoonhoven

Gemeente van Christus, Niemand kan om zijn eigen familie heen. Of we het nu willen of niet: het nest waaruit we komen, bepaalt voor een flink deel ons leven. Ouders hebben we allemaal, broers en zussen niet perse, en kinderen ook niet. Maar ieder mens is op de een of andere manier van nature verbonden met een aantal medemensen, die we familie noemen. Mensen met wie we een aantal genetische eigenschapen delen, en een bepaalde afkomst, en nestgeur. Als we op een gegeven moment te maken krijgen met psychische problemen, (en nogal wat mensen krijgen daar mee te maken, vroeg of laat?) en we gaan naar een therapeut of een pastor – goeie kans dat die hulpverlener dan vraagt: vertel eens iets over je familie. Want daar begint heel veel, misschien wel alles. Ik ben een fan van een Afrikaanse schrijver: Amadou Hampateh Bah. Als hij  in zijn autobiografie zijn eigen leven beschrijft, heeft hij eerst een paar honderd bladzijden nodig om het verhaal van zijn familie te vertellen. In de Bijbel worden alle belangrijke personages ook geïntroduceerd door eerst uitgebreid over hun afkomst en familie te gaan vertellen. Ik ben Jacob, de zoon van Isaak, de zoon van Abraham… Denk ook aan de lange aanloop, met ellenlange geslachtsregisters en zo, als de geboorte van Jezus wordt verteld.   Of je wilt of niet, wie we zijn wordt grotendeels bepaald door onze familie – en door de plek die wij in die familie innemen. Vaak blijft een vader, een moeder, een broer of zus, een verwachting… een leven lang op je schouders meekijken. Kan mooi zijn, kan lastig zijn.    Tegelijk is er ook zoiets als onze vrijheid, en onze individuele verantwoordelijkheid. We bepalen ook zelf wie we zijn, wie we worden. Het is altijd weer interessant om te zien hoe het kinderen uit een en hetzelfde gezin vergaat. De een lijkt door het leven te dansen, de ander gaat struikelend zijn weg. De een leeft zo lichtvoetig, de ander draagt een te zware rugzak… Er is er er vaak één die  succesvol lijkt, terwijl de ander een beetje anoniem blijft…

Neem het gezin van Jozef en Maria. Die hadden een aantal kinderen, maar we hebben het eigenlijk alleen over de eerstegeborene, Jezus. Toch had Jezus ook broers en zussen. Marcus noemt de broers op een gegeven moment bij name Jacobus, Joses, Judas en Simon (Marcus 6: 3). De zussen van Jezus krijgen helaas nergens een naam. Over vader Jozef horen we na het kerstverhaal trouwens ook niets meer. Over Maria wel. De relatie tussen Jezus en Maria was soms gespannen. Op de bruiloft te Kana vond Jezus haar maar bemoeizuchtig. En ook met zijn broers en zussen leek de relatie gespannen. In opnieuw Marcus (3: 21, 31-35) wordt verteld dat ze hem op een geven moment ‘desnoods met dwang’ naar huis wilden halen. En dat Jezus hen op een gegeven moment niet eens wilde ontmoeten. Als hem wordt verteld dat zijn moeder en broers buiten op hem staan te wachten, zegt Jezus tegen de omstanders: ‘Jullie zijn mijn moeder en mijn broers. Want iedereen die de wil van God doet, die is mijn broer en zuster en moeder.’ Is opmerkelijk! Dat is een heel nieuwe manier van tegen je familie aankijken. Dat betekent dat wij ook tot de naaste familie van Jezus kunnen behoren!

Toch komen we in het NT iets meer te weten over één broer van Jezus: Jacobus. Jacob. Jaap. (Er zitten er minstens drie van in onze kerk.) Paulus heeft het in zijn brieven af en toe over de Jacobus, ‘de broer van de Heer’ (Galaten 1: 19). In Galaten (2: 9) en in de eerste Korinthebrief (1 Kor. 15: 7.), en ook in Handelingen (12:17, 15 13-21) lezen we hoe deze Jacobus na Pinksteren een leidende rol is gaan spelen in de gemeente van Jeruzalem. Volgens de kerkvaders is Jacobus de eerste bisschop van Jeruzalem. Volgens kerkvader Eusebius is Jacobus de marteldood gestorven. En hij wordt gezien als de schrijver van de Jacobusbrief

De mensen moeten toch wel een beetje naar hem hebben opgekeken: Jacobus was toch mar de biologische de broer van Jezus. En misschien heeft dat ook wel een bepaalde druk op Jacobus gelegd. Trots? Met zo’n bijzondere broer, wordt er al snel ook veel iets van hem verwacht. Soms kunnen mensen ook erg lijden onder zulke verwachtingen. Je zal maar de broer van Obama zijn, of van Messi. Kun je beter een ander vak kiezen.

Wat voor brief is de Jacobusbrief? De brief van Jacobus doet denken aan bijbelboeken als Prediker en Spreuken: wijsheidsliteratuur, met veel korte, puntige uitspraken. Kritisch. Vermanend. Belerend. En op de praktijk gericht. Concreet. ‘Reine godsdienst is… weduwen en wezen bijstaan in hun nood….’ (Jacobus 1: 27)  De Jacobusbrief is ook te lezen als een open brief aan de hele kerk, over de verzoekingen die de gelovigen kunnen bedreigen. En dan gaat het om verzoekingen die we allemaal wel kennen: Twijfel in het hart. Tegenslagen in het leven. Verdeeldheid in de kerk. Rijkdom. Armoe. Waar Paulus vooral schrijft over de INHOUD van het geloof, schrijft Jacobus vooral over het HOE van het geloof. Over wat je moet doen, als volgeling van Christus, om het vol te houden. Misschien had Jacobus gewoon niet dat theologische talent om heel diep te graven, was hij meer een man van de praktijk. En die hebben we ook erg nodig! Neem dat beroemde advies van Jacobus: … ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn om te spreken, traag ook in het kwaad worden. Dat is herkenbaar, toepasbaar, praktisch. Blijkbaar waren er in de tijd van Jacobus ook al mensen met dikke ikken en korte lontjes, die het telkens weer moeten horen en leren: tel nou eerst een tot tien. Luister eerst eens naar elkaar voor je begint te oordelen, of te schelden, of te schoppen. (…die doodgeschopte grensrechter in Almere…). Ieder mens… (niet alleen christenen, het geldt voor iedereen) … ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn om te spreken, traag ook in het kwaad worden. De wereld zou er anders uitzien , als we naar deze woorden zouden leven!

Micha, de profeet die vandaag ook aan het woord kwam, spreekt over de geboorte van een bijzonder kind in Betlehem… die zijn volk als een herder zal leiden, en die zal heersen tot aan de einden der aarde en die vrede zal brengen. Shalom. (Micha 5: 1-4a). Dat zijn grote, geweldige woorden. Maar die woorden zijn ook zo groot dat ze het gevaar lopen ergens in de lucht te blijven hangen, en dat we ze alleen zo rond Kerst weer even tevoorschijn halen en afstoffen. Dan kan juist een praktisch ingesteld mens als Jacobus ons misschien wel helpen om zelf alvast een begin te maken met die SHALOM.

… Ieder mens moet zich haasten om te luisteren, maar traag zijn om te spreken, traag ook in het kwaad worden Want de woede van een mens brengt niets voort dat in Gods ogen rechtvaardig is. Als we ons eens volgens deze regels zouden onthaasten… in het sociale verkeer, in het verkeer op straat, en in onze eigen huizen, om maar te zwijgen over de nationale en de internationale politiek, dan zouden we wat meer ruimte maken voor die Vrede-op-aarde, waar we met Kerst zo graag over zingen.

In vers 22 voegt Jacobus nog iets toe aan zijn advies: de NBV vertaalt nogal vrij: Alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen.  Letterlijk staat er: Weest daders van het Woord, en niet alleen hoorders… Opnieuw horen we hier de praktisch ingestelde broer van Jezus: Weest daders van het woord! Een beetje een Roterdammer, die Jacobus… Geen woorden maar daden. Hoewel… Het Griekse woord voor “dader” is “poëet”. Een poëet is in het Grieks een maker, een doener. Wij kennen het woord poëet als een aanduiding voor een dichter, een dichter is iemand die iets van taal maakt: een poëet maakt van taal poëzie. We zouden dus ook kunnen vertalen met: Weest poëten van het woord van God.  Wordt de Rotterdammer opeens ook een beetje Amsterdammer… Echte poëzie beschrijft de werkelijkheid niet, echte poëzie die voegt iets toe, die creëert  een nieuwe werkelijkheid. Wanneer wij als poëten van het woord in het leven staan… dan worden wij mede-scheppers van God. Dan creëren wij een nieuwe, een messiaanse/christelijke werkelijkheid. Dan zien wij in vreemden niet zomaar vreemden, maar dan zien wij in vreemden… kinderen van God, broeders en zusters. En dan ziet de wereld er opeens anders uit. Dan maken wij  niet alleen met kerst, maar het hele jaar door werk van de Shalom, waar de Bijbel het telkens over heeft. Dan proberen we iedere dag iets wonderlijks, iets moois, iets poëtisch’ van ons leven te maken. Weest dan poëten, daders, doeners, dichters van het Woord.

Die wat stille broers, stille zussen – je weet nooit wat er allemaal in hen leeft. Onderschat ze niet. Zo zou Jacobus, Jaap, de onbekende broer van Jezus, ‘de Rotterdamse broer’,  ons nog wel eens kunne helpen om iets bijzonders van Kerst te maken, dit jaar. En niet alleen van Kerst – van het hele nieuwe jaar.

Amen.   Ds. Frans-Willem Verbaas