Maar er is een verschil tussen nemen en ontvangen

David wandelt ’s avonds op het dak van zijn paleis. Hij heeft het tot koning gebracht. Hij is hoog gestegen, hij kan vanaf zijn paleisdak neerkijken op zijn koninkrijk. Knappe jongen die het dan niet hoog in zijn bol krijgt. We zien dat vaker bij mensen die het hoog hebben geschopt – in de politiek, in het bedrijfsleven, in een woningbouwcorporatie. Dat ze denken dat ze de wereld in de hand hebben. En wat ze nog niet hebben, dat nemen ze, want in hun hoogmoed geloven ze dat ze daar recht op hebben.

David wandelt ’s avonds op het dak van zijn paleis. Hij leunt eens over de reling en ziet zijn buurvrouw die zich aan het baden is. Buurman Uria, een van Davids generaals, is van huis. In naam van David voert hij oorlog tegen de Ammonieten. Batseba neemt in de binnenplaats een bad. Er zijn commentaren die zeggen dat zij bewust de koning probeert te verleiden is. Erg voorzichtig is ze in ieder geval niet. Een David krijgt hij het in de avondkoelte toch opeens erg warm. En hij besluit het lot in eigen hand te nemen – je bent koning of je bent het niet.  Hij laat Batseba halen en slaapt met haar. Letterlijk staat er zelfs (11: 4) … dat zij genomen wordt. Als je een vrouw zo neemt, dan is er van liefde geen sprake. Want in de liefde neem je elkaar niet, in de liefde geef je je aan elkaar. Het woord nemen speelt een belangrijke rol in het verhaal van David en Batseba. (Houd dat woord in uw achterhoofd.)

Als een paar weken later Batseba zwanger blijkt te zijn, probeert David het probleem vakkundig op te lossen. Hij laat Uria naar huis komen, zogenaamd om verslag te doen van de oorlog. Na de debriefing moedigt hij Uria aan om naar huis te gaan, naar zijn vrouw, om zich te ontspannen.  Dan zal het lijken of hij haar zwanger heeft gemaakt. Maar Uria kiest ervoor om tijdens zijn verlof te slapen in het poortgebouw van het paleis. Want, zegt hij, ‘(11: 11) Mijn manschappen bivakkeren in het open veld; zou ik dan naar huis gaan om te eten en te  drinken en te slapen met mijn vrouw? Zo waar ik leef, dat doe ik niet.’  Dan zet David zwaarder geschut in – hij geeft een geheime opdracht aan de opperbevelhebber om Uria in de voorste rijen te laten vechten in de oorlog. Met als gevolg dat Uria eervol voor het vaderland sneuvelt. Zo lost een beetje koning of directeur of voorzitter zijn problemen op.

Eén ding: David is dé grote koning – maar de Bijbel maakt David niet mooier dan hij is. Net zoals in de Bijbel Israel zelf niet mooier maakt dan het is. (Iets wat we wel op facebook doen: ons mooier, groter, succesvoller voordoen dan we zijn.) Wat dat betreft is de bijbel een erg eerlijk en kritisch boek – ook naar de eigen helden. Koning David is een specialist in nemen geworden. David neemt de vrouw van zijn buurman. Hij neemt het leven van zijn buurman. Hij neemt vooral zijn leven in eigen hand.

Maar er is een verschil tussen nemen en ontvangen. Het maakt nogal verschild: wanneer je zegt dat je een kind neemt, of wanneer je zegt dat je ene kind krijgt. Als je zegt: ik neem een kind nemen: dan ben jij degene die het allemaal doet, of meent te doen. Dan maak je jezelf tot maker, tot schepper van leven. In bijbeltaal: dan maak je jezelf tot god. As je zegt ik krijg een kind, dan zeg je, belijd je: ik werk wel mee, maar een kind is een geschenk, en vooral: een wonder dat ik  in verwondering en dankbaarheid ontvang.

Er is een verschil tussen nemen en ontvangen. Wat voor een kind geldt – geldt voor heel ons leven. Nemen we het (ervan), of ontvangen we het? Hebben we overal recht op – of is er ook nog zoiets als genade? Dat is de vraag waarvoor koning David zich nu gesteld ziet.

De grote koning heeft zich een klein getoond in zijn hebzucht en ongeduld.  Maar tegelijk toont David zich nog steeds groot: hij kan luisteren. Hij laat zich gezeggen door de profeet Natan, die na het hele drama met Uria op David afstapt en hem om de oren slaat met een gelijkenis – met de gelijkenis van die steenrijke man, die het enige lam van zijn arme buurman afneemt. (weer het word: nemen!)

Die man verdient de dood, roept David. Die man ben jij, antwoordt Natan.  Dan zegt Koning David niet in een begrijpelijke reflex, zoals zovele hooggeplaatsen: Nee hoor, ik herken mij niet in deze kritiek. Dan trekt David zich die kritiek aan. Daarin is David dan weer groot. want het is niet makkelijk, zeker niet als hooggeplaatste, om naar kritiek te luisteren. Koning David buigt zijn hoofd, belijdt zijn schuld. En hij moet toezien hoe de straf die hij verdient overgaat op het kind dat Batseba baart. Hij mag blijven leven, maar dat kind niet. Dat wordt het kind van de rekening. De Heer trof het kind dat de vrouw van Uria gebaard had met een dodelijke ziekte.

Wij vinden dat niet eerlijk. Wat kon dat kind er nu aan doen? David kan daar ook geen vrede mee hebben. Hij probeert nog te redden wat er te redden valt. Hij bidt tot God. Letterlijk: Hij zoekt God…in zijn nood. Hij begint streng te vasten. Vanaf nu slaapt hij op de grond. Net als buurman Uria tijdens diens verlof. Hij weigert op te staan van de grond, hij weigert te eten. En dat een week lang. In de hoop op een beetje genade. Het is een zevendagentijd van vasten. Een heel stille week. Een lijdensweek.

Er is niet veel dat te vergelijken is met de wanhoop die een ouder kan voelen over zijn kind… … we zien Beatrix die bidt en hoopt voor Friso… … we denken aan het boek Tonio, van A. F. Th. van der Heijden: één ingehouden wanhoopskreet van meer dan 500 bladzijden.  En dan komt daar voor David nog bij dat hij weet dat hij die ellende van zijn kind zelf veroorzaakt heeft.

(Ik kan me goed voorstellen dat David in deze week psalm 51 heeft gedicht, die heftige, indrukwekkende schuldbelijdenis en bede om vergeving! Vs 3,4:  Wees mij genadig God, in uw trouw (…) was mij schoon van alles schuld,  reinig mij van mijn zonden. Vs. 12, 13 Vernieuw mijn geest, (…) verban mij niet uit uw nabijheid…)

Toch gaat het hier om meer dan om een vader die zijn kind ziet sterven. Want een kind is in de Bijbel meer dan een kind. Een kind in de bijbel is ook, en soms vooral, een theologisch teken: een kind is een teken van de toekomst. Dat stervende kind van David en Batseba krijgt hier geen naam. En het blijft het kind. Nergens wordt het mijn kind, of ons kind. Het kind wordt nauwelijks neergezet als persoon. Het zieke, stervende kind moet hier vooral worden verstaan als een tamelijk onpersoolijk, bijbels teken van de toekomst. Wanneer we dit weten, zien we misschien helderder wat er aan de hand is. In het sterven van het kind van David en Batseba zet God zet een streep door de toekomst die David in zijn hoogmoed en grootheidswaanzin in eigen hand heeft willen nemen… forceren… afdwingen… Die houding van nemen en grijpen is een doodlopende weg. Voor iedereen. Voor het kind. Voor Uria. En voor David zelf, die een week lang voor dood op de grond ligt.

Na een week sterft het kind. Tot zeven keer wordt gezegd dat het kind, het onschuldige kind sterft. Het wordt een Goede Vrijdag. En dan rijst de onuitgesproken vraag op: heeft de dood van dit onschuldige kind het laatste woord? Maakt de dood een einde aan alle toekomst? (Ik sprak eens een vrouw die vertelde over haar dochter die een kindje had gekregen dat na een week was overleden. Het is al jaren geleden, maar sindsdien is ze veranderd, ze is hard geworden, zei ze met tranen de ogen. Soms regeert de dood over de dood heen… ) In het geval van David ging het anders. In het geval van David werd het na  Goede Vrijdag… Pasen

Want als het kind na zeven dagen gestorven is, zo lezen we in vers 20, staat David op. Het kind heeft het oordeel afgewend. Dan heeft David weer de kracht om weer op te staan, hij gaat naar huis, begint weer te eten. Hij gaat weer leven – ondanks zijn schuld. Hoe ziet dat nieuwe leven eruit?  We lezen dat David  zijn vrouw Bateseba troost. (Voor het eerst lezen we nu dat Batseba zijn vrouw genoemd wordt genoemd.) Hij neemt haar niet, hij troost haar. Dat lijkt wel liefde…

Vers 24: David troostte zijn vrouw Batseba. Hij sliep met haar en ze kreeg een zoon, die hij Salomo noemde. Een nieuw kind. Een nieuwe toekomst. Nu een toekomst die niet genomen wordt, maar ontvangen. Dit keer krijgt het kind wel een naam. Twee namen zelfs – als om het goed te maken voor zijn eerste, naamloze broertje. David noemt het kind Salomo. = Vol van vrede. Blijkbaar voelt David weer shalom in zijn hart.  Deze Salomo zal zijn troonsopvolger zijn. Wij zullen straks op 30 april bidden dat onze eigen troonsopvolger vol mag zijn van deze Shalom/vrede.) En God zelf geeft het kind, bij monde van de profeet Natan, de naam Jedidja, = Lieveling van God. Laten we bidden dat God Willem Alexander ook Jedidja zal noemen.  Maar de werkelijk geboorte, wedergeboorte  – heeft plaatsgevonden in het hart van David. Helemaal de oude zal hij vanaf nu nooit meer worden – het leven laat littekens achter. Diepe, soms. Maar David is door de crisis van het oordeel heengegaan. De grote koning lijkt nu weer op de herdersjongen die hij ooit was – de herdersjongen die niet in de grote wapenuitrusting van Saul, maar met zijn eigen katapult de reus Goliath tegemoet trad. Hij lijkt nu weer op zijn verre nazaat, Jezus, de Koning der Joden, die op een ezel Jeruzalem binnentrok. Over nederigheid gesproken.

En, tot slot, de buurman, Uria? Is Uria helemaal eer- en naamloos van het toneel verdwenen? Aanvankelijk wel. Maar uiteindelijk niet.  In de Bijbel verdwijnen de slachtoffers van de geschiedenis nooit in het niets. God vangt hen op, houdt hen vast. God laat Uria nog eenmaal terugkeren in de Bijbel. Aan het begin van het evangelie van Matteüs klinkt nog eenmaal zijn naam. Op een zeer eervolle plek: in het lange geslachtsregister van Jezus.  In Mat 1: 6 staat: David verwekte Salomo bij de vrouw van Uria. Zo wordt Uria bij name genoemd in de wording, de Genesis van Jezus Christus. Eerherstel voor Uria is dat. En een subtiele verwijzing naar de opstanding. En het is een geweldige bron van hoop van al die ontelbare kleine, naamloze mensen die ogenschijnlijk worden vermorzeld door de hoogmoedigen van deze wereld – maar van wie de namen geschreven staan  op een ereplaats: in de hand van God.

Ds. Frans-Willem Verbaas