Maar onze kalmte en onze hoop hoeven we niet te verliezen

Onze lezingen vormen tezamen een broodmaaltijd in drie gangen.

Als voorgerecht kregen we: 2 Koningen 4: 42-44. Het tamelijk onbekende verhaal van de profeet Elisa die honderd profeten spijzigt met twintig gerstebroden. Met zijn vijven moesten die profeten één brood delen We weten niet precies hoe groot die broden waren, het klinkt wat krap, maar we lezen dat ze er allemaal van konden eten, en er nog van overhielden ook. Een klein spijzigingswonder, waarmee de toon van onze maaltijd was gezet.

Als hoofdgerecht kregen we het verhaal van Jezus die aan de oostelijke oever van het meer van Galilea  (net over de grens van Israel, in heidens gebied) 4000 mensen voedt met 7 broden en enkele kleine vissen. Stevige kost, een stevig wonder. Na afloop rapen de leerlingen Jezus op wat er over is: zeven manden vol brood en vis. Jezus zorgde ervoor dat er voor iedereen meer dan genoeg was.

All vier de evangelisten vertellen het wonder van de wonderbare spijziging, Matteüs en Markus vertellen het verhaal zelfs twee keer: het eerste speelt zich af binnen de grenzen van Israel, het tweede net daarbuiten: zowel Israel als de volkeren komen niets tekort bij Jezus.

Dat alle evangelisten zoveel aandacht besteden aan de wonderbare spijziging wijst erop dat het gaat om een authentieke gebeurtenis die grote indruk heeft gemaakt, om een betrouwbare overlevering. Hier is echt iets gebeurd!

Het is trouwens niet zo moeilijk om veel meer wonderbaarlijke spijzigingen in de bijbel aan te wijzen. Het scheppingsverhaal zelf. Het manna en de kwakkels in de woestijn. De raven die profeet Elia brood en vlees brengen in zijn schuilplaats.  De meelpot en de oliekruik van de weduwe van Sarpat die maar niet leegraken (1 Koningen 17, 16) Maar ook het heilig avondmaal (Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, doet dit tot mijn gedachtenis..), ook het heilig avondmaal is een wonderbare spijziging, waarin alle andere wonderlijke spijzigingen in de Bijbel als het ware in worden samengevat.

Als nagerecht kregen we het verhaal over wat er na de wonderbare spijziging gebeurde. Jezus en zijn leerlingen gingen scheep (het speelde zich af aan de oevers van het meer van Galilea), en ze varen naar de overkant, terug naar Israel. Als ze weer aan wal gaan, blijkt dat ze, van alles wat was overgebleven, maar één brood hebben meegenomen. Op de een of andere manier wordt dat het onderwerp van gesprek: Hoe moet dat nu…. met zijn dertienen en maar één brood?  Waarop Jezus hen de mantel uitveegt. Jullie hebben ogen, maar jullie zien niet? Jullie hebben oren, maar jullie horen niet?  Jezus herinnert hen dan eerst aan de eerste wonderbare spijziging die enige tijd geleden heeft plaatsgevonden. Weten jullie dan niet meer hoeveel manden vol stukken brood jullie hebben opgehaald toen ik vijf broden brak voor vijfduizend mensen? Twaalf, antwoordden ze. (Twaalf is het getal van Israel.) En toen ik net  zeven broden brak voor vierduizend mensen, hoeveel korven  vol stukken brood hebben jullie toen opgehaald? Zeven, antwoorden ze. (Zeven is het getal van de volheid, van heel de wereld.). Toen zei hij: begrijpen jullie het dan nog niet?

Met deze vraag eindigt het nagerecht, en daarmee de hele maaltijd. We lezen niet wat de leerlingen hebben geantwoord. Dat antwoord mogen we zelf geven. En moeten we dan niet eerlijk toegeven dat wij het, net als de leerlingen, nog steeds niet begrijpen? Hebben wij ogen die zien, oren die horen?

Even een kleine theologie van het wonder

Wonderen in de Bijbel hebben minstens twee aspecten.

– De wonderen, waarvan de bijbel vertelt, getuigen van de bijzondere kracht en macht waarover God beschikt. Wanneer de bijbelse getuigen ons over wonderen vertellen, dan vragen ze ons, hoorders, niet om die wonderen met ons verstand te doorgronden, maar om ze met ons hart te geloven, zodat we groeien in vertrouwen op de macht en de kracht en ook de liefde waarmee God voor ons wilt zorgen.

– Tegelijk is het wonder meer dan een voor ons mensen niet te begrijpen daad van God. Ieder wonder wordt zo verteld, dat we op een specifiek aspect van Gods macht en liefde gewezen worden. Iedere keer dat in de Bijbel een wonder wordt verteld, gaat er weer een ander luikje open waardoor wij een even zicht krijgen op het Koninkrijk van God. Over die luikjes die opengaan kunnen we wel degelijk met ons verstand na-denken en na-praten.

Zo zou het ons op kunnen vallen dat in de verhalen over Jezus die op wonderbaarlijke een grote menigte spijzigt (Joden én niet-Joden) telkens wordt gesproken over brood en vis. Jezus serveert de menigte geen culinaire hoogstandjes, waar onze teeveekoks van tegenwoordig zo mee aan de weg timmeren, maar het dagelijkse eten van de gewone man en de gewone vrouw van die tijd. Brood en vis, heel gewoon. En tegelijk gaat het in brood en vis om iets heel ongewoons. Want hoe gewoon ook, brood en vis zijn natuurlijk ook iets heel geheimzinnigs.

Brood is gemaakt van meel, meel is gemalen graan. Een graankorrel bevat volgens het evangelie een geheim: het geheim van de ene zaadkorrel die afsterft om veelvoudig vrucht te dragen; het geheim van dood en opstanding; het geheim van het nieuwe leven (Joh 12: 24).

En heeft brood trouwens ook niets iets geheimzinnigs? Als u en ik ’s nachts liggen te slapen, wordt in de bakkerijen hard gewerkt en gebakken zodat wij ’s iedere dag weer vers brood kunnen eten. Je staat er niet bij stil, maar waar zouden we zijn zonder de bakker – of zijn medewerkers?

Brood: zo gewoon, zo bijzonder, zo wonderlijk.

Vis was volksvoedsel in Israel, en is dat nog steeds in grote delen van de wereld. Zo was vroeger zalm volksvoedsel hier in Schoonhoven. Sommigen van u weten nog dat dienstmeisjes in Schoonhoven het recht hadden om niet iedere dag zalm uit de Lek te moeten eten! Tijden veranderen…  Vis: dagelijks eten.

Maar vissen zijn ook wonderlijke wezens. Zij overleven in het donkere water. Ze gaan kopje onder en komen weer komen. Vis verwijst daarom in de Bijbel naar doopwater, naar wedergeboorte, naar het geheim van het nieuwe leven. Het geheime teken van Jezus  was in de vroeg kerk niet voor niets een vis, een ichthus.

Vis: zo gewoon, zo bijzonder, zo wonderlijk.

Toen ik u eerder wees op het bijbelse driegangenmenu waarmee wij vanmorgen worden gespijzigd, vertelde ik u nog niet het hele verhaal. Tussen het hoofdgerecht en het dessert, vond namelijk een incident plaats. Nadat Jezus die vierduizend mensen te eten hadt gegeven, voer hij met zijn leerlingen in een boot naar een andere oever. Daar werd hij opgewacht door de farizeeën, die met hem begonnen te discussiëren. Om hem op de proef te stellen verlangden ze van hem een teken uit de hemel.

Heeft Jezus net met zeven broden en wat visjes vierduizend mensen gevoed moet ie weer aan de bak! Nu wil men een teken uit de hemel! Geen boterham met vis, maar een 3-sterren-menu! Het is ook nooit genoeg.

Doorgaans spreekt Markus over ‘krachten;’ wanneer het over wonderen gaat, en hij gebruikt maar een enkele keer het woord ‘tekenen’. En dan gaat het, bijvoorbeeld in Markus 13, over tekenen van de eindtijd, tekenen van de laatste dingen. Dat woord gebruiken de farizeeën ook nu: ze willen met zo’n teken dus iets groots, iets spectaculairs, iets apocalyptisch, een kosmische kick die horen en zien doet vergaan. Maar Jezus wil niet dat ons horen en zien vergaat. Hij wil juist dat wij leren horen en zien, bijvoorbeeld dat het wonder in iets heel gewoons als brood en vis zit. Dat brood en vis het wonder zijn.

Er was vroeger zo’n liedje:
t Zijn de kleine dingen die het doen, die het doen,
’t zijn de kleine dingen die het doen.

Maar de farizeeëen willen geen kleine dingen, die willen iets groots, een teken aan de hemel, spektakel. We lezen dat Jezus een diepe zucht slaakte, en hen alleen achterliet. En kort daarna moest hij opnieuw zuchten, nu omdat de leerlingen zich zorgen maakten omdat ze maar één brood bij zich hadden.

Want telkens weer vergeten wij, en telkens moeten we opnieuw leren horen en  zien, en leren geloven: dat de grootste wonderen juist in de kleine dingen zitten.

Ja, er we hebben tegenwoordig te maken met een serieuze crisis, en ja de verkiezingen die eraan komen zullen wel weer een lastige uitslag geven. Maar laten we niet vergeten dat zolang iedere inwoner van dit land zijn of haar winkelwagentje nog dagelijks kan vullen met dagelijks brood (en meestal nog heel wat meer), het nog steeds vol wonderen om ons heen is.

Tot slot. De laatste gang van ons bijbelse menu bestond uit het verhaal over dat ene brood dat de discipelen bij zich hadden. Ze waren bang dat het te weinig was. De meeste commentaren aarzelen niet om dit ene brood te duiden. Zij verwijzen naar Jezus die het brood brak en zei: dit is mijn lichaam, doet dit tot mijn gedachtenis. (Marcus 14:23). En die zei: Ik ben het brood des levens (Joh 6: 35). Dat ene brood in hun midden was Jezus zelf.

Ja, het is altijd weer crisis in deze wereld, in ons eigen leven. Maar onze kalmte en onze hoop hoeven we niet te verliezen. Want we mogen weten dat de Heer onder ons is met zijn wonderen.

Amen
Ds. Frans-Willem Verbaas