Ouderenmiddag P.G. de Hoeksteen

Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft

Jezus is op weg naar Galilea. Bij een waterput in Samaria, blijft Jezus achter, terwijl de leerlingen naar de naburige stad Sichar gaan om eten te kopen.
En terwijl Jezus daar alleen zit, op het heetst van de dag, komt er een Samaritaanse vrouw water putten. Ze is ook alleen.
Joden en Samaritanen konden niet goed door één deur. Het was amper fatsoenlijk dat een man een vrouw alleen aansprak…
Maar er volgt een prachtige ontmoeting.
Daar gaat het om in het evangelie: dat er een werkelijke ontmoeting plaatsvindt tussen God en mensen en tussen mensen onderling.

In het gesprek komt werkelijk van alles aan de orde: de verschillen tussen joden en Samaritanen, de vraag waar je God het best kunt aanbidden (in de tempel van Jeruzalem, of op de berg Gerizzim in Samaria- of overal?), het woelige liefdesleven van die vrouw. En vooral: de betekenis van het levende water, dat Jezus de vrouw aanbiedt. Levend water is geen scheikundig water, geen H2O; levend water is theologisch water, is de Heilige Geest. De Heilige Geest is als een water dat een mens werkelijk rust geeft.
De ontmoeting loopt erop uit dat de vrouw teruggaat naar haar stad – zonder haar kruik. ‘Ze liet haar kruik staan,’ vertelt vers 28. Want ze is zelf een kruik van levend water geworden. D.w.z. ze is vervuld geraakt van de Heilige Geest. Ze keert terug om de mensen in haar stad te vertellen over haar wonderlijke ontmoeting bij de waterput, over ‘die man alles van haar weet’. ‘Zou dat niet de Messias zijn?’
Ze is een apostel geworden, een zendeling, een evangeliste, vooruit: de eerste vrouwelijke predikant. Met als resultaat (ze kan goed preken), vers 30: ‘Toen gingen de mensen de stad uit, naar hem (Jezus) toe.’

De ontmoeting van Jezus met de Samaritaanse vrouw bij de put draait om de vraag: Uit welke bron put je als mens? Waar vindt je een beetje rust in deze onrustige wereld? In bijbeltaal: Waar vind je water waar je nooit meer dorst van krijgt, waarvan je tot innerlijke rust komt?

Maar nu is het zo dat er in Johannes 44 nog een gebeurtenis staat beschreven, die we meestal overslaan. Omdat de lezing anders zo lang wordt. En omdat het gesprek met die vrouw al zo rijk is. (En ingewikkeld.)
Dat is het gedeelte tussen het moment dat de vrouw terugkeert naar haar stad, om daar over Jezus te vertellen, en het moment dat er een hele menigte Samaritanen uit de stad naar de put komt, allemaal lieden die door het getuigenis van de vrouw nieuwsgierig zijn geworden naar
In de tussentijd heeft Jezus een gesprek met de leerlingen, die inmiddels met eten uit de stad Sichar zijn teruggekeerd bij de put.
Ze hebben nog net gezien dat Jezus met een vrouw in gesprek was, maar daar zeggen ze verder niets over.
Het gesprek van Jezus en de vrouw ging over water, drinken.
De leerlingen brengen het gesprek op voedsel, eten.
De leerlingen zeggen tegen Jezus: ‘Rabbi, u moet iets eten.
Dan zegt Jezus: ‘Ik heb al voedsel dat jullie niet kennen.’

Eerst zette Jezus de Samaritaanse vrouw aan het denken door te beginnen over water waar je nooit meer dorst van krijgt; nu zet Jezus de leerlingen aan het denken door te beginnen over voedsel ‘dat zij niet kennen’.
De leerlingen begrijpen het niet goed. ‘Zou iemand (anders) hem iets te eten gebracht hebben? zeggen ze tegen elkaar.’
Maar Jezus zegt: ‘Mijn voedsel is de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien.’

Met de vrouw sprak Jezus over de vraag: uit welke bron put jij in je leven?
Wat is jouw inspiratiebron? Wat bezielt jou? Waar vindt jij houvast, rust in je leven?
Met de leerlingen spreekt Jezus over een vraag die uit de eerste vraag voortkomt. De leerlingen kennen Jezus, zij weten inmiddels uit welke bron zij kunnen putten. Daarom stelt Jezus bij hen de vraag aan de orde: En als je dan levend water, de Heilige Geest, ingedronken hebt, waarmee ga je je dan vervolgens voeden? Wat betekent dat levende water voor jouwe doen en laten? Voor jouw dagelijkse leven?

Terwijl Jezus eerste sprak over bijzonder water sprak, ‘theologisch water’, zo heeft hij het nu over bijzonder voedsel, ‘theologisch voedsel.’
Jezus legt uit wat dat theologische voedsel voor hem is: ‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien.’

Opmerkelijke uitspraak!
Jezus voedt zich door de wil te doen van hem, die hem gezonden heeft, zijn hemelse Vader, God.
Door de wil van de Vader te doen, ontvangt Jezus voedingsstoffen en energie.

Op onze beste dagen werkt het zo: je zet je in voor het een of andere doel, je werkt hard, maar je doet dat werk met zoveel overtuiging dat het je geen energie kost, maar oplevert.
Zo beleeft Jezus zijn gezonden-zijn, zijn missionaire werk.
In die ontmoeting met die Samaritaanse vrouw heeft Jezus zich met hart en ziel ingezet voor de wil van Zijn Vader. En wordt Jezus daar moe van, put het hem uit? Het is bepaald geen makkelijke tante… Nee, hij krijgt er nieuwe energie van. Die ontmoeting was hard werken, maar het resultaat: een Samaritaanse vrouw die opleeft, en tot rust komt, die zelf een kruik vol levend water wordt. Daar krijgt Jezus hij nou energie van. Jezus wordt erdoor gevoed.
Jezus geeft veel, maar dat geven is tegelijk ontvangen.
In het geloof vallen geven en ontvangen samen.
‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien.’

Jezus maakt dat ‘theologische voedsel’ vervolgens heel concreet.
Jullie hebben uit de bron gedronken. Wat kunnen jullie nu eten? Kijk maar:
Jezus wijst de leerlingen op de Samaritanen die uit Sichar aan komen lopen. En Jezus zegt: ‘Kijk om je heen, dan zie je dat de velden rijp (wit) zijn voor de oogst.’
Kijk al die Samaritanen eens. Ze willen ook tot geloof komen. Ze willen bij mij horen, bij ons, bij de gemeente. Zie je ze komen? ‘De velden zijn wit voor de oogst!’
Jezus heeft gezaaid door de ontmoeting met de Samaritaanse aan te gaan. Hij zegt nu: ‘Ik stuur jullie er nu op uit om een oogst binnen te halen… om het werk te voltooien dat ik voor jullie heb gedaan.’
Ga de wil van mijn vader maar doen, voltooi zijn werk, ga ze maar opvangen, ga maar een gastvrije gemeente zijn, laat ze er maar bij horen…
Moet je opletten wat je er voor terugkrijgt.
Want in het geloof vallen geven en ontvangen samen.

Net als leerlingen van Jezus hoeven we niet heel ver weg te kijken om te zien hoe ook wij ons kunnen voeden door de wil van God te doen en zijn werk te voltooien.

We hebben afgelopen week in de kerkenraad in Heusden het adventsproject en de kerstvieringen geëvalueerd. (In Schoonhoven ook?) Hoeveel mensen daarin niet actief zijn geweest. Hoeveel mensen hebben hun tijd en energie en talenten gegeven. Maar hoeveel vreugde hebben ze daar ook zelf aan beleefd.
Want in het geloof vallen geven en ontvangen samen.

Hier in Schoonhoven waren we gewend om met ambtsdragers die afscheid namen na een paar maanden nog eens een gesprek te hebben, een evaluatie:
hoe was het om in deze gemeente ouderling of diaken te zijn, of predikant?
Meestal zegt een vertrekkend ambtsdragers dan, en dat geldt ook voor mij: ‘Het is druk geweest, heeft me veel tijd en energie gekost, maar ik heb er veel van geleerd en veel voor teruggekregen.’
Want in het geloof vallen geven en ontvangen samen.

Citaat uit een mooie column van ND van 14 januari: over zin en onzin van kerkgang. Veel mensen klagen dat ze zo weinig beleven in de kerkdienst.
Er is een onderliggend probleem in de kerk. Dat je naar de kerk gaat om je geloof te beleven. Misschien kom je in de kerk wel niets halen – geestelijk voedsel, religieuze beleving, leuke contacten, of een preek met boeiende inzichten – maar vooral iets brengen. Jezelf. Je mond om God lof te prijzen, om te bidden voor hen die geen stem hebben, je hart om het opnieuw aan Christus te geven, je handen uit de mouwen te steken. En dan te ontdekken dat je van alles krijgt.
Want in het geloof vallen geven en ontvangen samen.

In deze weken wordt de Actie Kerkbalans gehouden. Een grote operatie. Wordt georganiseerd en uitgevoerd door knappe mensen die hun tijd en energie ook anders zouden kunnen besteden.
Er moet eerst heel wat voorbereid en gezaaid worden, voor er gemaaid kan worden. En we hopen op een goede oogst. Zodat de wijngaard van de Heer in stand kan blijven, zodat wij in die wijngaard kunnen blijven komen om er te werken, en soms een beetje bij te snoeien, en te wandelen, te rusten, en de vruchten te plukken en proeven…
Ik ben niet zo’n salesman, niet zo’n verkoper. Ik zeg alleen dit: zie het niet als een verplichting om te geven wat u missen kunt aan de gemeente van Christus, maar zie het als een voorrecht.
Want in het geloof vallen geven en ontvangen samen.

‘Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien.’ zei Jezus tegen zijn leerlingen, bij die put even buiten Sichar.
En ondertussen wijst hij op de vele Samaritanen uit Sichar die via de vrouw van het levende water hebben gedronken. Zij willen ook bij Jezus horen. Zij willen ook leerlingen van hem worden. Zij willen zich ook voeden door medewerkers te worden in de wijngaard van de Heer…
En wij, gemeente, wij hebben het voorrecht ontvangen, uit pure genade, om zomaar ergens tussen de leerlingen en die Samaritanen in te gaan staan.

Amen

Johannes 4: 1-42
Avonddienst 29 januari 2017, Schoonhoven
Ds. Frans-Willem Verbaas